SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING (29)
§ 5. KERK EN STAAT, (vervolg).
B. Praktijk.
Mijn zoon, vrees de Heere en de koning, vermeng u niet met hen, die naar verandering staan. (Spr. 24 : 21).
2. Hoe nu samen verder in het atoomtijdperk ?
Wij eindigden de vorige keer met op te merken, dat de kerk geen reden heeft zich tot de staat te wenden met de uitroep: „Bien étonné de se trouver ensemble", als daar voor de zoveelste maal een toeloop van demonstranten plaats vindt aan de voet van die beide oude „schuttingen".
De pacifisten vooral zit dat demonstreren in het bloed. Hoe luidruchtig gedroegen zij zich niet in de jaren, dat wij al wel beschikten over het herderlijk schrijven van 1952 doch nog niet over dat van 1962? Terwijl de kerk als instituut bedolven werd onder een lawine van papier (adressen, enz.), zette de AA-militie (opgeschoten jongens en meisjes veelal, z.g. Sartre-jeugd) keer op keer de dienaren van de staat de voet dwars door op straat te gaan liggen en wat dies meer zij.
Daarop verscheen toen bij wijze van verrassing — dat was het toch voor de meesten onzer? — het onderhavige rapport, met vreugde begroet in de uiterst linkse pers, het dagblad van de C.P.N. niet uitgezonderd.
Hier is op z'n minst verband.
De agitatie van pacifistische zijde vond een klankbodem in de boezem van onze Synode. Zo kwam het tot die fel omstreden uitspraak, die het atoompacifisme sanctioneert en het anti-militairisme van voedsel voorziet.
Het één (de actie, die voorafging) zowel als het ander (de reactie, die volgde) is een uitvloeisel van het valse idealisme van onze tijd, dat zich aanhoudend opwrijft aan die beide in verval zijnde „schuttingen", bezeten, als het is door een maar niet af te remmen drang naar vernieuwing. Het feit alleen al, dat die instellingen (kerk en staat) op een hoge leeftijd kunnen bogen, komt menigeen reeds verdacht voor!
De teleurstellingen, die dit idealisme op zijn weg ontmoet — zijn „materiaal" blijkt weerbarstiger dan aanvankelijk verondersteld —, dragen ertoe bij, dat dit idealisme zo prikkelbaar is en van lieverlede „verzuurt". Daarvandaan ook die onverdraagzaamheid binnenshuis: de hetze tegen ds. F. A. Bos, onze hoofdlegerpredikant, was daarvan wel een heel sterk staaltje!
Ach, je vraagt je dan wel 's af, hoe lang men dit achterwaartse gevecht van hoogkerkelijke zijde nog denkt te kunnen voeren.
Het valse idealisme is overigens een verschijnsel, dat al sedert jaren in heel het Avondland kan worden gesignaleerd, en wel in het bijzonder in West- Duitsland, Engeland en Nederland, binnen zowel als buiten de kerk.
Wij doen er goed aan met dit op te merken.
Dit idealisme nl. is levensgevaarlijk, omdat het de kiemen van het ongeloof in zich draagt.
Daardoor ontaardt het niet zelden in pure blasfemie, als wel blijkt uit onderstaande parodie op het „Onze Vader", onlangs afgedrukt in het Westduitse studentenorgaan „conkret" (een blad, dat zich progressief belieft te noemen, en vrij van commxmistische sympathieën ...) :
„NATO unser,
die Du bist im Himmel sicherlich
gut angeschrieben, geetzelschützt 1) sei
Dein Name, Dein Manöver geschehe
am Werktag wie am Sonntag.
Unsem taglichen Atomversuch
gib uns heute und vergib
den bösen Kommunisten keine Schuld,
well wir sonst keine gunstige
Gelegenheit mehr haben, schuldig
uns zu machen.
Ja, führe uns standig in
Versuchung, bis wir den Kanal
restlos voll haben, denn Du bist
für die Reichen
und die Kraftmeier
und die Konzernherren
solange es gut geht.
Amen."
Gert Schulte, de steller van dit fraais, rekent hier af met kerk en staat; die „schuttingen" kunnen, wat hem betreft, nu wel gesloopt worden.
Ziehier nu een vorm van ongeloof van het meest kwaadaardige type. Driester kan het m.i. niet.
Het conflict tussen geloof en ongeloof is, zoals wij zeiden (bijdrage 28), het eigenlijke thema van alle geschiedenis.
De hoofdinhoud van de Bijbel (de tweewegenleer) is met dit gegeven in overeenstemming. Is ook niet de Bijbel het Godsgeschenk voor de gevallen mens?
De vraag waar het in ons leven ten finale op aankomt is niet of wij nu vóór of tegen de kernbewapening zijn, resp. vóór of tegen de politiek van premier Verwoerd, maar de vraag, eens gesteld door Elia: „Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de Heere God is, volgt Hem na en zo het Baal is, volgt hem na" (1 Kon. 18 : 21).
Niemand heeft het recht het één te projecteren in het verlengde van het ander: de visie van een gelovige op een vraagstuk als dat van de kernl^ewapening en.... zijn staat voor God.
De tijd, waarin wij nu leven, roept herinneringen op aan een hoogst belangrijke episode uit de geschiedenis van Israël, t.w. Israels zwerftocht door de woestijn.
De interessesfeer van dat toen nog zo jonge volk reikte doorgaans niet verder dan de leefbaarheid van zijn bestaan ter plaatse waar het zich ophield.
Het ongeloof van Israël uitte zich telkens weer opnieuw het felst in die ogenblikken, dat het volk de zin van zijn geschiedenis in twijfel trok: „En alle de kinderen Israëjs murmxureerden tegen Mozes en Aaron, en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of: och of wij in deze woestijn gestorven waren!" (Num. 14 : 2).
Daarom moest dit volk tot in lengte van dagen de betekenis van het Pascha worden ingescherpt!
Iets dergelijks beleven wij in onze dagen.
De grondhouding van de postchristelijke mens in het Avondland is dezelfde als die van de kinderen Israels, zoveel eeuwen geleden. Voor de eigenlijke levensvragen gunt hij zichzelf niet eens de tijd!
Wat hem interesseert is enkel het vruchtgebruik van zijn „abendlandische" cultuur; de leefbaarheid van zijn wereld is — in theorie althans — het ideaal van het humanisme, dat hij aanhangt.
De geschiedenis van die cultuur zou hij het liefst gestroomlijnd willen ziea, d.w.z. „gezuiverd" van haar diep religieuze wortels.
Dit nu is het ongeloof, dat in onze dagen de kop opsteekt: de loochening dus van de heilsfeiten, corresponderende met het begin, het midden en het einde van de geschiedenis, d.i. het interim van de zonde.
Het moderne Westen heeft nauwelijks weet meer van de engte, waaruit onze cultuur is voortgekomen. Het was immers in de klem van het geloof in een opgestane Heiland, die terugkeren zal om te oordelen de levenden en de doden, dat die cultuur geboren werd!
De moderne mens gelooft niet meer in het oordeel van God en dit is ook de reden, dat hij het verder wel gelooft.
Van dit kwaad nu moet voor ons oude werelddeel het ergste worden gevreesd. Is onze cultuur van orgine niet het terrein van de Geest der wijsheid en des verstands (Jes. 11 : 2)? Welnu, dan geldt ook aan ons aller adres: „Want het is onmogelijk, degenen die eens verlicht zijn geweest en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebbende het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelf de Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken" (Hebr. 6 : 4—6).
De vraag, in welke richting zich nu het vredeswerk van de kerk zal hebben te ontwikkelen, is hiermede beantwoord.
De grondslag van het valse idealisme is de „slangenfilosofie" (Gimning Sr.), oftewel de valse profetie.
Het is deze filosofie, die de mens doet geloven
a) dat hij innerlijk vrij is, d.w.z. geenszins verslaafd aan de zonde (vgl. Rom. 6 : 17 en 20);
b) dat hij mondig is, d.w.z. tot zelfbepaling alleszins in staat (vgl. Rom. 9 : 20 en 21);
c) dat zijn eigen waarheid het kompas is van zijn leven (vgl. Joh. 14 : 6) en
d) dat zijn geweten slechts reageert op de prikkels, die het gewend is in ontvangst te nemen (vgl. Rom. 9 : 1).
Een snel veranderend woordgebruik is één der middelen, waarvan zich die filosofie bedient.
Men lette daartoe 's op het woordgebruik in ons midden met betrekking tot een begrip als „meisjes van plezier". Zou één onzer een fotomodel een hoer durven noemen? In een tijd, dat de reclame zich alom bedient van zich in het openbaar prostituerende vrouwen en meisjes? Een teken aan de wand ook: „De wereld zou niet ongelovig zijn, indien zij niet onkuis was" (Augustinus)!
De z.g. slangenfilosofie heeft zich ook geworpen op de begripsbepalingen met betrekking tot de fundamentele waarden in het leven van de mens, zulks op kosten van de theologie, die de moeder is van alle wetenschap, alsof b.v. de vrede een op zichzelf staande waarde zou zijn, los van de gerechtigheid en binnen het bereik van alle „Menschen guter Wille" (Nikodim).
Dat deze vrede een surrogaat is van de vrede in Christus, daarover zwijgt die filosofie!
Deze filosofie nu verklaart ons niet alleen het valse idealisme van onze tijd, maar ook de broertjes en zusjes daarvan, t.w. het relativisme, het illusionisme, het objectivisme en het neutralisme.
Het relativisme holt onze waarden uit.
Wie praat nu nog van zonde in een tijd, dat de zonde al lang geen zonde meer heet en de wetenschap (de psychiatrie o.a.) heus wel in staat is pasklare „ziektebeelden" te fourneren, als het gaat om de verklaring van afwijkend gedrag, hetzij van de enkeling hetzij ook van de gemeenschap.
„Joy-riding" b.v. is — naar dezer dagen een studente te kennen gaf tegenover een journalist — geen diefstal in de eigenlijke zin van het woord: „Daar dupeer je niemand mee, iedereen rijdt tegenwoordig toch op crediet...."
Het illusionisme doet ons met die uitgeholde waarden politiek bedrijven.
De moderne mens wil leven, al moet hij daarvoor bij de duivel te biecht.
Van die geesteshouding nu profiteerde in de afgelopen jaren o.a. het communisme. Wat is er onzerzijds niet geblunderd, doordat wij de communistische machtshebbers op hun woord geloofden, afgaande op de klanken „vrede", „vrijheid" en „democratie"!
Onze nostalgie, hoezeer ook begrijpelijk na wat wij aan leed met elkander te doorstaan hebben gehad, bevorderde die afgang. Het drong amper tot ons oor, dat die nostalgie door de communisten en hun handlangers geëxploiteerd werd met het oogmerk, dat wij ons eigen doodvonnis zouden ondertekenen . . . . .
Over de dood gesproken: de zekerste weg daarheen is die van het objectivisme, resp. die van het daaraan zo verwant zijnde neutralisme: „Objectiviteit is de godsdienst van de moderne intellectualistische mens, bij wie het verstand de uitingen van de geest in de weg staat. Als (wat de Hemel verhoede) de tuinen van het Westen voorgoed gesloten zijn, zal er een bordje hangen (in het chinees-russisch): Ze vergaten de plicht tot zelfbehoud, en ze noemden het objectiviteit" (Meyer Sluyser).
(Wordt vervolgd).
1) Een niet te vertalen woord (een schrijffout vermoedelijk).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's