ECCLESIAM SUAM
Overgenomen uit „Hervormd Utrecht" van 25 september j.l.
Op 6 aug. j.l. heeft paus Paulus VI zijn eerste encycliek het licht doen zien. Hij heet naar de beginwoorden „ecclesiam suam". Zijn kerk. Deze encycliek is met een zekere spanning verwacht, omdat men er een soort beginselverklaring van de huidige paus in hoopte te vinden. Van Johannes XXIII meende men te weten wat hij wilde. In elk geval was duidelijk, dat deze paus een aanzienlijke klimaatsverandering in de r.k. kerk had teweeggebracht. Mocht men van Paulus VI verwachten, dat hij de erfenis van zijn voorganger zou aanvaarden en zijn kerk zou voorgaan op nieuwe wegen? Of zou zijn streven er veel meer op gericht zijn het vernieuwde denken te neutraliseren door het in te passen in de vertrouwde kaders? Van de encycliek hoopte men, dat die enige duidelijkheid zou brengen in de onzekere sfeer rondom het concilie.
Een encycliek is geen onfeilbare leeruitspraak. Het is niet de bedoeling daardoor het voortgaande gesprek overbodig te maken. Paus Paulus wenst in geen geval vooruit te grijpen op de discussies van de concilievaders. In deze encycliek wordt men getroffen door een bijna angstvallige zorg, dat de vrijheid van het concilie niet voldoende zou worden gerespecteerd. En de paus zegt nadrukkelijk, dat het niet zijn bedoeling is nieuwe en laatste dingen te zeggen. Natuurlijk heeft hij de bevoegdheid om een laatste woord te spreken, maar hij doet dat niet in deze encycliek. In dit rondschrijven voert hij eerder een vaderlijk en broederlijk gesprek met de bisschoppen en zo met de gehele kerk. Intussen moeten wij een stuk als dit ook weer niet te laag waarderen. Het is tenslotte geschreven door de stedehouder van Christus op aarde in de uitoefening van zijn leraarsambt en heeft daarom een bijzonder groot gewicht. En de paus is zich blijkens allerlei formuleringen daarvan terdege bewust.
Tot dusver is de ontvangst van deze encycliek niet hartelijk geweest. In de r.k. pers is een opvallende terughouding. Mogelijk hangt deze samen met een zekere teleurstelling. „Ecclesiam suam" is naar zijn toonaard en inhoud in een oncritisch oecumenisch klimaat een moeilijk te verteren stuk. De paus spreekt hier uitermate behoedzaam en is zich scherp bewust van de vele gevaren, die het denken in de kerk bedreigen. Niet dat hij met banvloeken zou willen slingeren. Dat wijst hij zelfs met zoveel woorden af. Maar wel worden voortdurend grenzen getrokken waarbinnen de bezinning in de r.k. kerk zich moet voltrekken wil er geen ernstige schade worden toegebracht aan het geloof. En de deugd van de waakzaamheid wordt ernstig in herinnering geroepen.
Niet onderschatten.
Men zal er in reformatorische kring goed aan doen het belang van deze encycliek niet te onderschatten. Er wordt gesproken over de centrale thema's van de huidige theologische bezinning: de kerk en haar plaats in de wereld. In het gesprek met Rome komen wij nooit een stap verder, zolang wij de vraag van de kerk, haar wezen en haar opdracht, vermijden. Alle belangrijke vragen en beslissingen komen op dit punt samen. Daarom is deze encycliek voor het onderkennen van onze verhouding met Rome van veel groter belang dan „Pacem in terris" van Johannes XXIII,
Dat geldt dan niet alleen met het oog op het onderwerp, maar ook met het oog op de wijze waarop het behandeld wordt. Men zou kunnen zeggen, dat Paulus VI poogt het denken van Pius XII en dat van Johannes XXIII met elkaar te verbinden. De openheid naar de wereld en de vragen van deze tijd wordt hier ingepast in het kader van de trouw aan het r.k. erfgoed. De visie van Johannes XXIII wordt niet gezien als een breuk, maar veelmeer als het verzamelen van nieuwe geestkracht om de oude weg van Rome ook in deze tijd te kunnen gaan. Dat heeft de vorige paus naar mijn mening ook bedoeld. Johannes XXIII is voor velen een mythe geworden, waar men alle oecumenische wensdromen op projecteert. Als ten aanzien van deze encycliek door verschillenden wordt gezegd, dat hij niet de geest van de vorige paus ademt, vergeet men, dat Johannes niet anders heeft gewild (maar dat is dan ook heel wat) dan de r.k. kerk, die naar rooms inzicht altijd in de waarheid heeft gestaan, beter geschikt te maken om met deze waarheid in deze eeuw te staan. Waarmee gezegd wil zijn, dat het van Rome uit gezien helemaal geen onbegonnen werk is om Pius XII en Johannes XXIII met elkaar te verbinden. Dat kon wel eens de visie zijn, die de komende r.k. theologie beheerst. Na diverse wat onrustige theologische experimenten komt dan de nieuwe gestalte van de oude kerk.
Het grootste deel van deze encycliek wordt ingenomen door een bezinning op het wezen en de noodzaak van de dialoog, die de kerk voert met de haar omringende wereld. Maar dat wordt geplaatst tegen de achtergrond van een aantal scherpe en voorzichtige opmerkingen over het wezen van de kerk. Na een inleiding spreekt de paus eerst over de kerk onder de titel „het bewustzijn", daarna over de vernieuwing van die kerk en tenslotte over de dialoog. Door deze opzet wil duidelijk gemaakt zijn, dat de kerk alleen werkelijk in dialoog kan treden wanneer zij zich terdege bewust is van zichzelf. Men zou kunnen denken aan de onder ons gevoerde discussie over de volgorde van apostolaat en belijden. Niet ten onrechte heeft dr. Berkouwer de gedachte geopperd, dat hier sprake zou zijn van een instelling, die allereerst de terugkeer in het eigen huis bevorderen wil. De paus schijnt de vrees te koesteren, dat vele kinderen van de kerk in hun contact met de wereld de levende band met het eigen huis dreigen te laten verslappen. De veroordeling van het experiment van de priesterarbeiders wordt duidelijk herhaald en voor conformisme en relativisme wordt met klem gewaarschuwd.
Zelfbespiegeling.
Het gaat er primair om, dat het bewustzijn van de kerk versterkt zal worden. Wat in dit verband gezegd wordt maakt sterk de indruk van zelfbespiegeling. Er is hoegenaamd geen sprake van een critisch peilen van eigen bestaan. Veeleer wordt doorlopend de onwankelbare glorie van de kerk van Rome voorondersteld. Het schijnt Rome wezenlijk onmogelijk te zijn zichzelf radikaal te stellen onder de kritiek van het Woord Gods. Wanneer daarom in deze encycliek met klem wordt opgeroepen tot het geloof dan is dat geloof niet het geworpen worden op Christus en Zijn evangelie, maar het zich bewust worden van zichzelf. Enige verwijzing naar een spanningsverhouding tussen Christus en Zijn kerk zal men in deze encycliek vergeefs zoeken. Dat heeft de reformatie trouwens altijd nog vergeefs gezocht.
Alleen degenen, die de documenten van de kerk, het onfeilbaar leergezag, te weinig kennen, kunnen volgens de paus in de dwaling van het modernisme vervallen, alsof de kerk zichzelf zou moeten verloochenen. De kerk moet zichzelf niet verloochenen, maar zich met kracht en zelfbesef poneren. En de oproep tot versterking van het kerkelijk bewustzijn heeft hier de strekking zichzelf door Schrift en overlevering te laten rechtvaardigen. Op ons maakt dit alles de indruk van zelfgenoegzaamheid, zij het dan met voldoende critische ruimte waardoor het gesprek mogelijk blijft. Vandaar dat in dit verband gewezen wordt op de samenhang tussen het huidige concilie en de voorgaande geschiedenis van de kerk. Er is een ongebroken continuïteit in de geloofsbeleving en de paus wil daar nadrukkelijk op wijzen. Zo is Trente een wezenlijk moment en het eerste Vaticaanse concilie een onvermijdelijk station op de weg tot Christus en Zijn ganse werk. En met klem wordt herinnerd aan de encycliek „Mystici Corporis Christi" van 1943, waarin Pius XII de dwaling heeft verworpen van hen, die Christus als Hoofd van de kerk willen aanhangen, zonder Zijn plaatsbekleder op aarde getrouw te volgen. Het gaat ook bij Paulus VI om die kerk, die principieel blijft weigeren zichzelf in de waagschaal te stellen. En hij roept de gehele kerk op de dialoog inhoud en betekenis te geven door uit te gaan van dit kerkbegrip.
Vernieuwing.
Deze principieel oncritische instelling sluit niet uit, maar juist in, dat er uitvoerig over de vernieuwing der kerk gesproken wordt. De leden der kerk en in zekere zin ook de kerk zelf hebben behoefte aan hervorming. Deze kerk staat immers in de wereld en heeft er veelvuldige en veelvormige relaties mee. De gevaren van een te grote openheid voor de wereld mogen niet worden onderschat: de kerk is niet van de wereld. Herhaaldelijk wijst de paus daarop. Maar zij moet wel met de wereld meetrekken in een voortdurende verjonging van haar gestalte. Men moet intussen niet denken, dat deze hervorming betrekking zou kunnen hebben op de grondbegrippen en de wezenlijke structuur van de r.k kerk. De vernieuwing voltrekt zich binnen de grenzen van het leergezag. Het zou ook oninist zijn zich daarbij uitsluitend op de Schrift te willen oriënteren. De kerk heeft immers in de loop der eeuwen een bepaalde ontwikkeling doorgemaakt en daar kan men niet achter terug. Zij is van een onaanzienlijke kapel uitgegroeid tot een imponerende tempel. En er valt niet aan te denken, dat die tempel weer door een kapel zou kunnen worden vervangen. Hervorming is bij Rome geen terugkeer, maar vooruitgang, vervolmaking. Daarom gebruikt Paulus VI graag het begrip „aggiornamento", waarin het vernieuwingsstreven van zijn grote voorganger is uitgedrukt. Deze „aggiornamento" is wezenlijk iets anders dan wat wij onder reformatie der kerk verstaan. Het is het gaan van wat de paus noemt de „smalle" weg tussen al te hoge pretenties en al te diepgaande zelfverloochening. Wij menen, dat deze „smalle weg" toch altijd nog breder is dan die, waarover Christus sprak. Breder, omdat niet de verootmoediging onder het Woord Gods als kerk en enkeling, maar de zelfhandhaving er het fundament van vormt.
Deze vernieuwing betekent, dat de deugden van de armoede en de liefde beoefend moeten worden. In dat opzicht verwacht de paus van het concilie richtinggevende adviezen. Als hij over de liefde spreekt denkt hij vooral aan Maria, die het oerbeeld en het voorbeeld ervan is, de spiegel van de deugden en het wonder van de ware mensheid. Hij is er ook dankbaar voor, dat heden de verering van Maria in een bloeiende staat verkeert. Men kan zich afvragen waarom juist deze passage in de uitvoerige weergave van de encycliek in de r.k. dagbladen werd weggelaten. Hij neemt in wat de paus zegt over de vernieuwing van de kerk een toch niet onbelangrijke plaats in.
Dialoog.
Vanuit deze grondstellingen komt de paus over de dialoog te spreken. In een zeer behoedzaam betoog wordt uiteengezet hoe de roeping der kerk zich naar alle kanten voltrekt. Wij vragen ons wel af wat in het verband van deze encycliek het woord „dialoog" betekent. Dialoog wil toch zijn een open gesprek, waarin de gesprekspartner werkelijk serieus genomen wordt en in zijn vrijheid wordt gerespecteerd. Een echte dialoog verdraagt zich moeilijk met de vooronderstelling van het eigen gelijk. Uit verschillende opmerkingen blijkt, dat de paus het zo ook bedoelt. Het mag niet het streven van de kerk zijn om de waarheid eenvoudig op te leggen. Het is echter wel de vraag of Rome vanuit haar kerkopvatting werkelijk in staat is om tot deze vorm van dialoog te komen. Dr. A. Th. van Leeuwen heeft in een boeiend artikel in de NRC gewezen op de spanningsverhouding tussen onfeilbaarheid en dialoog. Daarmee heeft hij mijns inziens het diepste probleem van deze encycliek geraakt. Kan vanuit de onfeilbaarheid van het leergezag de dialoog met de wereld wel ooit iets anders zijn dan een moderne vorm van zending? Wij worden in deze gedachte versterkt wanneer wij lezen, dat het er om gaat aan de wereld de gaven, die aan de kerk zijn toevertrouwd, mee te delen en dat de voornaamste vorm van de dialoog de prediking is. Of verstaat Rome onder de prediking iets anders dan de gezagvolle verkondiging van de waar heid Gods? Het is geen wonder, dat de paus zegt, dat de kunst van het apostolaat een waagstuk is. Alleen dacht ik, dat het echte waagstuk pas begint wanneer de hier ingenomen posities worden prijsgegeven, althans aan een nader onderzoek worden onderworpen. Is er ook wel echt respect voor de vrijheid b.v. van de atheïst, wanneer in verband daarmee gesproken wordt van het rijpingsproces waarin de waarheid zich geleidelijk aan de mens ontvouwt?
De paus ziet de hele mensheid in een aantal concentrische cirkels rondom het middelpunt „waarin Gods hand ons geplaatst heeft". In de buitenste cirkel bevinden zich de atheïsten, daarbinnen degenen, de een religie aanhangen, vooral de monotheïsten. Nog dichter bij huis treft men de medechristenen en tenslotte gaat het over het gesprek tussen de gelovigen binnen de r.k. kerk. Deze conceptie berust op de gedachte, dat het hele zijn langs diverse trappen opstijgt tot het Hoogste Zijn, God. Dat is de leer van Thomas van Aquino, n.l. die van de analogia entis. Alle mensenleven is van nature aangelegd op God en de mens is van nature christelijk. Daarom gaat in de encycliek een scherpe afwijzing van het communisme gepaard met een grote openheid voor de communistische mens. Want als die mens diep genoeg doordenkt zal hij moeten doordringen tot het bestaan van de hoogste God.
Manco.
Ongeloof is dan ook een manco in het gebruik van de menselijke rede. Deze Thomistische leer is een miskenning van de werkelijkheid van de zondeval. Ondanks alle spanning maakt het hele stuk over de dialoog de indruk van een sterke harmonie, een overzichtelijke opklimming van lager naar hoger. Daarom kan deze dialoog niet echt afsteken naar de diepte, omdat de gesprekspartner niet gezien wordt zoals hij is en wil zijn, maar zoals hij moet zijn in het roomse schema van natuur en bovennatuur.
Wij zouden nog kunnen spreken over wat dé paus tot die mede-christenen zegt, die de pauselijke stoel beschouwen als de grote hinderpaal op de weg naar de eenheid. De stoel van Petrus is immers naar rooms inzicht de enige garantie voor de eenheid. Als die zou wegvallen zouden er evenveel dwalingen als priesters zijn. Maar dat is toch niets nieuws? Iedereen kon toch weten, dat Rome de pauselijke stoel nooit tot een discussiepunt zal kunnen maken. Wij zijn dankbaar voor deze encycliek, niet omdat er nieuwe dingen in gezegd zouden zijn, maar wel omdat ruim en beslist aan de orde is gesteld waar het over zal moeten gaan wanneer Reformatie en Rome zich met elkaar in gesprek bevinden. Want het moet duidelijk zijn, dat er geen andere r.k. kerk bestaat dan de kerk van „Ecclesiam suam". En dat Johannes XXIII en Pius XII samen het beeld vormen van de roomse kerk van heden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's