De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Réveil

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Réveil

16

5 minuten leestijd

Otto Gerhard Heldring (2)

§ 2. Heldring, de barmhartige.

Als er één ding geweest is, waar Heldring een vijand van was, dan was dat wel van vrome-woorden-zonder-daden. Hij was er van overtuigd, dat het Evangelie niet alleen iets voor de binnenkamer is, maar dat de barmhartigheid van Jezus Christus ook tot uiting moet komen in het volksleven. Omdat hij, als weinig anderen onder zijn tijdgenoten, een scherp oog had voor allerlei maatschappelijke nood, heeft hij zijn hele leven er aan besteed om, evenals zijn Meester, het verlorene te zoeken. De liefde van Christus drong hem.

Reeds als jong predikant heeft hij veel gedaan om de armoede in zijn gemeente (en daarbuiten) te bestrijden. De bevolking van Hemmen was voor het grootste deel zeer onontwikkeld. Maar Heldring toonde zich een „vriend der armen". Vaak trok hij er — met de pet op en de klompen aan — op uit, om hen te wijzen op betere landbouwmethoden. Hij drong er op aan, dat de jonge mensen een vak leerden. Hij beheerde de spaargelden van vele gemeenteleden, en schreef een groot aantal geschriften, waarin hij de aandacht van regering en volk trachtte te vestigen op het ontstellende armoede-probleém.

Hoezeer Heldring ook begaan was met het lot van de armen, hij was zeer beducht voor het stimuleren van bedelarij. Er waren wel dagen, dat er 30 of 40 bedelaars aan zijn deur stonden. Maar van de ƒ 700, — traktement per jaar kon hij hen allen niet helpen aan een fooi. En dat wilde hij ook niet. Heldring, die zelf zo hard werkte, had een hardgrondige afkeer van alle inactiviteit. Daarom bevorderde hij de kolonisatie van arbeidersgezinnen naar de Anna Paulowna-polder. Zijn devies was: help de mensen zó, dat ze zichzelf weer kunnen helpen.

Behalve armen in financieel opzicht waren er in die tijd ook nog vele andere „ellendigen". De Here God zag hen aan, zoals Hij in Zijn Woord beloofd heeft. En Zijn dienstknecht Heldring zag ze ook. We denken bijvoorbeeld aan de velen die verslaafd waren aan de drank. Dit kwaad had schrikbarende vormen aangenomen. Talloze armen kwamen er nog verder door in de ellende. Zelfs onder predikanten en onderwijzers vond men openbare dronkaards. Ook hierin zag Heldring een taak. In 1838, nog eer er in ons land een georganiseerde drankbestrijding bestond', schreef hij zijn veelgelezen boekje: De jenever erger dan de cholera.

Op één van zijn tochten kwam Heldring in het Veluwse gehucht Hoenderlo, dat toen bestond uit 24 hutten van heideplaggen. Daarin woonden 150 mensen in grote armoe (zowel lichamelijk als geestelijk). Ze misten bijna alles: voedsel, vooral goed drinkwater, onderwijs en pastorale verzorging. Onmiddellijk zag Heldring het als zijn roeping hier hulp te bieden. Ontzaglijk veel moeite heeft hij er voor verzet. Hij schreef artikelen en smeekbrieven. Hij reisde (vaak te voet) stad en land af om de rijken te bewegen een flinke gift af te staan. Zelfs voor die tijd astronomische bedragen van ƒ 6000.— ontving hij. Vaak offerde hij er zijn nachtrust voor op. Zo was hij eens op een nacht met drie lege kalkkarren vijf uur aan het dwalen over de Veluwe. Maar hij rustte niet, eer Hoenderloo een put, een school en een kerk met pastorie had. Daarbij stuitte hij ook op veel teleurstellingen. Maar de kracht om dit alles buiten zijn eigen gemeente te kunnen doen, lag in zijn voortdurend gebed. En in zijn geloof, dat God hem niet beschaamd zou doen uitkomen.

Het stichten van een school te Hoenderloo is van grote invloed geweest op het leven van Heldring. In het huis van de eerste onderwijzer, Gangel, een man die in zijn hele levenswandel veel liefde tot Christus betoonde, werden weldra enige verwaarloosde kinderen opgenomen. Na enige tijd in een werkelijk christelijke sfeer te zijn opgevoed, werden ze overgeplaatst in geschikte gezinnen. Spoedig was dit „huis van barmhartigheid" te klein, zodat mede door de activiteit van Heldring te Hoenderloo een „doorgangshuis" of opvoedingsgesticht werd opgericht.

Heldring zag echter nog meer nood onder jonge mensen. Bij een bezoek aan een vrouwengevangenis in Gouda merkte hij, dat veel jonge meisjes na hun ontslag uit de gevangenis in de prostitutie terecht kwamen. Deze grote zedelijke nood greep hem zo aan, dat hij een collectereis van maanden hield om in Zetten een tehuis te stichten, waar zulke verlorenen tot Christus geleid werden, en een nieuw leven konden beginnen. Behalve dit asyl „Steenbeek" verrezen er onder zijn leiding nog twee tehuizen, voor verwaarloosde kinderen en voor meisjes die aan grote zedelijke gevaren bloot stonden. Uit deze reuzenarbeid resulteren nu nog de z.g. „Zettense inrichtingen".

Zijn liefde tot het verlorene heeft Heldring aanvankelijk weinig eer van de mensen opgeleverd. Men achtte het ronduit onfatsoenlijk, dat hij zich met zulke zondaressen bemoeide. Velen vereerden de deugd, en meenden dat Christus het liefst met de allerbesten te maken wilde hebben. Maar ook zijn geestverwanten, zelfs sommigen van zijn Réveil-vrienden vielen hem af. De critiek werd zo sterk, dat hij meer dan eens speelde met de gedachte, ons land maar te verlaten.

Maar Christus, die zelf de overspelige vrouw niet afwees, was hem te machtig. Het grootste deel van zijn werkzaam leven heeft Heldring besteed aan het trachten te behouden van de diepstgezonken mensen. Hij wilde hen opvoeden tot een nuttig lid van de maatschappij. De verpleegden in zijn gestichten moesten lange dagen hard werken. Maar toch was het niet zijn eerste bedoeling om goede burgers te kweken. Dat doel was: ze met Gods hulp te lei­ den tot de Zaligmaker. Als ze Hem liefhebben, volgen de „maatschappelijke deugden" vanzelf, zo was Heldrings stelregel. Zijn grootste vreugde was om in de dorpskerk van Hemmen Avondmaal te vieren met verpleegden uit „Steenbeek", die voordien haar lichamen gewijd hadden aan de dienst der zonde.

Als we het leven van Heldring overzien, mogen we constateren, dat het „kloosterlijke" van het Réveil bij hem niet sterk is. Hij is tenminste geen man van steriele vroomheid, maar in Gods kracht maakte hij het Evangelie van Jezus Christus zichtbaar in de maatschappij. Natuurlijk had Heldring ook zijn beperkingen. Daarover een volgend maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het Réveil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's