De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NABIJ GOD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NABIJ GOD

Meditatie

7 minuten leestijd

En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging en U met de harp love, o God, mijn God. Psalm 43 : 4.

U hebt wel gemerkt dat een psalm geen leerstellige verhandeling is. Men kan zijn inhoud ook niet persen in het kader van een bekeringsgeschiedenis. Zodoende vermoorden wij het lied, dat levend gehouden wil worden. In de psalm wordt de omgang met God geleerd, geoefend. Daarom dient de uitleg zich zo soepel mogelijk bij de inhoud aan te passen. Niet wat wij er over zeggen, vanuit ons standpunt, of dapper voortdravend op ons stokpaardje, is hier van betekenis, maar wat de dichter zingt. De woorden nemen ons dan mee, zij leiden ons in in de kennis van de levende God.

Dat hebt u ook wel eens meegemaakt, denk ik. U sprak met iemand, en al sprekende kwam u hem nader. Zo vergaat het de psalmist. O God, doe mij recht. Ik klamp U aan. Gij zijt de God van mijn sterkte. Maar hoe vind ik de weg naar Uw gemeenschap? Reeds gaan genade en trouw als gidsen voor mij uit; zij brengen mij tot de berg van Uw heiligheid. Al sprekende kom ik U nader, al pleitende loop ik op U toe.

De berg Uwer heiligheid, daar woont Gij. Daarom verkeer ik daar zo graag. Waar Gij woont, ben ik, arme zwerver, thuis. Nog verder begeer ik te komen: En dat ik inga tot Gods altaar. Het altaar staat in de voorhoven, in de ontvangzalen van Uw heiligdom. Als het er niet stond, dan moest ik buiten blijven, dan werd ik uitgewezen uit Uw woningen, dan werd ik van de berg Uwer heiligheid geworpen in de diepe ravijnen van Uw toorn. Gods altaar. Ik zette het daar niet neer. Hij plaatste het midden in zijn huis. Opdat de woningen toegankelijk zouden zijn voor arme zondaren, daarom. Ingaan tot Gods altaar.

Het altaar is een teken van verbrijzeling. Bij het altaar breekt mijn hart. O, wat is de zonde verschrikkelijk! Ik denk daar altijd weer te lichtvaardig over, maar bij Uw altaar leer ik belijden: Mijn zonden maken mij de dood waardig. Bij het altaar wordt het heel stil om mij heen. Ik hoor de stemmen van mijn smalende vijanden nauwelijks meer. Ik kom mijzelven aanklagen, dat ik tegen U gezondigd heb. Bent u wel eens bij het altaar geweest? Verlangt u daar heen te gaan? Laat dan alle ei­genwaan, alle verontschuldiging, alle verdediging varen. Bij het altaar kan niemand zich handhaven in zijn eigengerechtigheid. De offeranden Gods zijn een gebroken geest.

Het altaar is het teken van verzoening. Tot Gods altaar. Niet, wat ik heb meegebracht, maar wat God heeft aangebracht geeft daar de doorslag. Het altaar is de slachtbank. Het Lam werd geslacht, het bloed vloeide, Zijn dierbaar bloed. Daar wordt ik nu zo grondig stil van. Dat wegsijpelende bloed spreekt luide van verzoening. Hij voor mij, daar ik anders .... Op Gods altaar hoort Gods Lam. Ziet het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. De verzoening van al mijn zonden. Hebt u dat ooit bewonderd? Dan verlangt u vurig, daar terug te komen, daar te verkeren.

Tot Gods altaar. Licht en waarheid zullen mij er brengen. En daar alleen wordt mijn rechtzaak beslecht. Daar doet God uitspraak. Om Christus wil is Hij mijn God. In de verzoening is de betrekking verankerd. Hij is ten volle met mij bevredigd. Waar wordt een mens gerechtvaardigd? Bij Gods altaar. Daar verstommen de aanklachten, daar wordt de wonderlijke vrijspraak vernomen. Die gerechtvaardigd wordt, wordt aanvaard, door God aanvaard. Ik ben geen vreemdeling meer, ik ben een huisgenoot, want God nam mij aan. Wat een diep ingrijpende veranderingen, daar bij Gods altaar. Wie er, als aan de grond genageld, bij stond, mag vrij uit gaan.

Mag zijn handen in onschuld wassen, in de onschuld van Christus bloed, en rondom dat altaar gaan. Die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook geheiligd. En dat ik inga tot Gods altaar. Daar wordt het vernieuwd en bevestigd telkens weer. De dichter ziet het voor zich, hoe strekt zijn begeerte zich daarnaar uit. O, verzucht er iemand, zal ik daar ooit komen? Richt uw verzoek liever tot de Heere: Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen. Zo treden wij toe tot het altaar Gods, om Hem daar te ontmoeten.

Want daar gaat het om. Er is een duidelijke voortgang in dit lied, de woorden wandelen steeds verder. De berg op, de tempel in, tot het altaar, tot God. Zo begon het: Mijn Ziel schreeuwt tot God! De weg tot God voert altijd langs het altaar. Door Christus tot God. Wedergebracht, terechtgebracht. Nee, ik tracht niet iets van God los te krijgen; ik smeek en zucht om God vast te krijgen, om Hem te vinden en in Hem het leven. Hij is het leven van mijn leven. En leven is vreugde.

De God van mijn sterkte is de God der blijdschap mijner verheuging. Daar zit iets overdadigs in. Het is een uitbundige vreugde. Ik weet niet hoe ik het uit moet drukken, ik worstel met de woorden. De vreugde van mijn vreugde, dat is God. O, er is zo'n overweldigende en overstelpende vreugde in God. Nu ga ik in het zwart, nu kan ik mijn tranen niet bedwingen. Maar bij Hem, in Hem is pure blijdschap en het kan niet óp. In deze blijdschap is iets van een heilige dronkenschap. Wat is de vreugde der wereld vergeleken bij de vreugde in God? Ze valt volkomen in het niet. Hebt u die vreugde nooit gesmaakt? De gemeenschap met God is blijdschap in God. En God is de onuitputtelijke bron van vreugde. Ik mag er water uit scheppen, met.... vreugde.

Ik dacht weleens: Vreugde, die is er voor mij niet meer weggelegd, ik moet mijn dagen treurende slijten. Nu weet ik het weer: Vreugde is er bij God, bruisende vreugde. Nu ben ik in verdriet en angst omvangen door dit hoge lied der vreugde. Het zingt om mij heen, het zingt door mij heen. Breng mij, breng mij tot de berg der heiligheid, tot Uw woningen, tot Uw altaar, tot U! Breng mij midden in de vreugde, dat die mij overstrome. Opnieuw, na zoveel tegenspoed.

Dan ga ik niet langer in het zwart. Dan worden de rouwklederen verwisseld voor het feestgewaad van de lof: En U met de harp love. De vreugde in God, komt God toe, keert naar God terug. Loven wil ik. Dankbaar erkennen, dat Gij God zijt. Dat bij U de uitkomsten tegen de dood zijn, dat Gij de goddeloze rechtvaardigd, dat Gij ... O, er is geen einde aan. Reeds grijpen mijn dorre vingers de harp — eigenlijk de cither — reeds tokkelen zij een lied op de snaren. Een lied, dat U verheerlijkt; een lied dat boven alle stemmen uitklinkt: En U met de harp love, o God. Dat zijt Gij waardig. Wie de Heere vindt, die zal leven. Wie leven mag, die gaat loven.

Ik haal niet alles naar mij toe; ik val U helemaal toe Heere. O God, hoe wonder groot, hoe wonder goed zijt Gij. Waar is nu uw God? ? Ik breng mij het verleden te binnen, toen ik met de schare, juichend over de drempel van Uw huis schreed. Daar waart Gij! Ik kan mij niet tevreden geven met het heden, ver van U en omringd door vijanden. Gij zijt er toch! Naar U schreeuwt mijn hart. Maar, daar hoor ik de toekomstmuziek, van vlakbij: Daar zijt Gij, o God. Daar woont Gij op de lofzangen van Israël. Daar mag ik meezingen in het koor der huisgenoten. O God, mijn God. Daar val ik U niet slechts te voet, daar val ik U in de armen, als een kind zijn vader, als een bruid haar bruidegom.

Daar mag ik u in geloof en liefde omhelzen, aan het hart drukken, in vervoering des Geestes: Mijn God. Toch mijn God en nu eerst recht mijn God. Wat een innige genegenheid, wat een vreugdevolle herkenning. In weinig woorden kan veel gezegd worden: Mijn God! Waar is uw God? Zo'n vraag verdampt in het vuur van deze vreugde. Hij wordt opgelost in dit lieven en loven. Het breekt als een snik los: mijn God. Het voert ons in verrukking boven alle vragen en angsten uit: mijn God. Mijn eigen God! Het is de wetenschap van de gemeenschap: O God, mijn God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NABIJ GOD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's