Het Réveil
17
Otto Gerhard Heldring (3)
§ 3. Heldring, de predikant.
Als we het leven van Heldring bestuderen, komen we diep onder de indruk van de bergen werk, die hij in dienst van de christelijke barmhartigheid verzette. Hij heeft in dit opzicht meer gedaan dan tien van ons samen. Men zou hieruit haast moeten concluderen, dat er niet veel terecht gekomen zal zijn van het pastorale werk in zijn eigen gemeente. En ongetwijfeld zal tijdens zijn lange reizen zijn gemeentewerk wel eens geleden hebben. Toch was Heldring, voor zover hem dat mogelijk was, een trouw pastor. Dat blijkt b.v. uit het feit, dat hij (althans in zijn beginperiode) vóór de viering van het Heilig Avondmaal alle gezinnen in zijn gemeente bezocht om met hen te spreken over de uitnodiging tot de tafel des Heeren. Heldrink kon dit doen, omdat hij een erg kleine gemeente had (150 zielen). Maar er is toch heel wat trouw voor nodig, om steeds weer in dezelfde gezinnen over hetzelfde onderwerp te spreken (en dan ook steeds weer dezelfde bezwaren te moeten aanhoren).
Heldring schreef zijn preken niet uit. Hij kwam meestal zonder boekje of blaadje de preekstoel op. Toch improviseerde hij niet, maar zijn preken waren tevoren bestudeerd en overdacht. In elk geval zijn z'n preken niet tijdloos of vrijblijvend geweest. Hij, practicus bij de gratie Gods, schonk in zijn preken klare wijn, op-de-man-af. Niet wat goedkope stichtelijkheid, maar de hoofdzonden van zijn tijd noemde hij in zijn preken bij de naam. Het is van hem te verwachten, dat zijn prediking een sterk appellerend karakter droeg.
De predikant Heldring was meer pastor dan theoloog. Hij, met zijn grote pastorale bewogenheid over degenen die er naar lichaam en ziel het slechtst aan toe waren, was door het vele practische werk zozeer in beslag genomen, dat we de indruk krijgen, dat de theologische bezinning wel eens wat tekort schoot. We ontdekken bij hem tenminste verschillende theoogische weifelingen en eenzijdigheden.
Heldring heeft zich vaak zeer fel — al te fel — gekeerd tegen die „rechterzijde" van onze kerk, waar een zekere valse lijdelijkheid heerste, en waar men zich wat al te gemakkelijk achter de uitverkiezing verschuilde. In plaats van deze mensen liefdevol te benaderen en zo te leiden in bijbelse richting, spuwt Heldring als het ware naar deze groeperingen. Minachtend spreekt hij over de „Hellenbroekse richting". Bijna vijanding scheldt hij ze voor „nachtschool". Deze houding van Heldring is te betreuren, hoewel het wel enigszins te begrijpen valt. Heldring had een hartstochtelijke bewogenheid om diep-gezonken mensen te winnen voor Jezus. En die „Hellenbroekse richting" kon vaak zo hard, zo uit de hoogte spreken over deze zondaars. Met het praatje van: „als ze niet uitverkoren zijn helpt het toch niks en anders komen ze er toch wel" hielden ze dikwijls hun portemonnaie dicht voor het werk van de christelijke barmhartigheid. Zoiets maakte de christen-van-de praktijk. Heldring, woedend.
In zijn grote bewogenheid voor de verloren schapen komt Heldring ook zo nu en dan tot uitspraken die gevaarlijk dicht bij de „algemene verzoening" liggen, hoewel hij op andere plaatsen de noodzaak van berouw, geloof en bekering toch wel uitdrukkelijk stelt. Hier zien we o.i. ook weer iets van de theologische onevenwichtigheid van deze harde werker voor Gods Koninkrijk.
Heldring schuwde de strijd om het herstel van onze Hervormde kerk niet. Toen in 1841 de predikanten van de ring Elst smalend lachten om de verzoening door het bloed van Christus, sprong de vurige Hemmense predikant naar voren en verdedigde het getuigenis der Schrift. Hij stond toen heel alleen tegenover allen, en heeft heel wat liberale onverdraagzaamheid ervoor moeten incasseren.
Heldring heeft (tot een voorbeeld voor ons) veel gebeden voor zijn kerk. Maar hij zou Heldring niet geweest zijn, als dat bidden niet gepaard gegaan was met grote activiteit. Hij heeft gereisd en gesproken en geschreven, opdat de kerk haar belijdend karakter zou terugkrijgen. Precies honderd jaar geleden hoorde hij ook tot de oprichters van de Confessionele Vereniging.
Bij deze man, die de dood-zieke Hervormde kerk zo lief had, dat bij er niet aan dacht om deze kerk te verlaten (hoe moeilijk men 't hem ook maakte), treffen we echter tegelijk veel onkerkelijk denken aan. Een tijd lang stond hij onder invloed van Darbistische ideeën. (Hier ontbreekt de notie van de kerk als verbondsgemeente, maar ligt de nadruk op de samenkomsten van individuele ware gelovigen, buiten elk kerkverband om). Op een bepaald moment heeft Heldring zelfs met de gedachte gespeeld, dat de Hervormde kerk maar belijdenis-loos gemaakt moest worden. Officieel de leervrijheid invoeren, dacht Heldring. En dan maar vertrouwen, dat de Heilige Geest wel zou zorgen dat het goed kwam. Weldra kwam hij ook weer wat van deze dwaalweg terug.
We kunnen Heldring ook maar moeilijk indelen in de richtingen, die er in de vorige eeuw in onze kerk waren. Hij was, zoals we reeds meldden, één van de oprichters van de Confessionele Vereniging. Maar hij heeft ook een periode in zijn leven gehad, waarin hij toch wel sterk tegen de Etischen aanleunde.
Uitspraken in de zin van de Etische leus „niet de leer, maar de Heer" kunnen we bij hem ook aantreffen. Na 1860 gaat hij weer wat meer in de Confessionele lijn, maar .niettemin bewerkte hij in 1864 toch, dat een hulpprediker van de „Groninger richting" werd aangesteld, tot ongenoegen van zijn gemeente. Men zegt zelfs, dat hij eens Hofstede de Groot (de voorman van de „Groningers") heeft laten preken in Hemmen.
In dit alles zien we Heldring als christen-van-de-daad, die zich wel eens iets te gauw door zijn gevoelens liet leiden, en als theoloog daardoor wat tekort schoot.
Was dus het zicht op de kerk bij Heldring wat troebel, hij had een zeer scherp oog voor de taak van de kerk. Reeds een eeuw geleden begreep hij, dat zending en maatschappelijk werk niet de hobby hoort te zijn van enige „zendingsvrienden" of genootschappen, maar dat dit volop kerkewerk is. In dit opzicht was hij zijn tijd vooruit. De brede diaconale taak, zoals die thans omschreven staat in Ordinantie 15 van de kerkorde, heeft Heldring een eeuw geleden al in 't oog gehad. Hij heeft het gelezen in de Schrift: Zoals Christus kwam om te dienen, zo heeft Zijn kerk een dienende taak ten opzichte van allen die er op enigerlei wijze ellendig aan toe zijn.
Concluderend kunnen we de stelling van Heldrings biograaf, dr. A. v. d. Hoeven, onderschrijven: de betekenis van de predikant Heldring ligt niet op theologisch, maar op practisch-godsdienstig gebied. Ondanks al de beperktheid die hij had, mogen we God dankbaar zijn, dat we in ons land deze christen van-de-daad gehad hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's