UIT HET NIEUWE TESTAMENT
Vervolg 1 Cor. 11 : 23—25a.
De apostel heeft in de voorafgaande verzen de gemeente van Corinthe scherp berispt over ongeregeldheden, die in haar midden voorkwamen en waardoor de Naam des Heeren onteerd en haar eigen gemeenteleven schade aangedaan werd. Scherp heeft hij scheuringen en ketterijen bestraft. En vooral ook de wijze, waarop de liefdemaaltijden, aan de viering van het Avondmaal voorafgaande, gehouden werden heeft hij de gemeente op afkeurende wijze onder de ogen gebracht. Daardoor toch werd gezondigd tegen de broederlijke liefde en werd het Sacrament ontheiligd.
Misschien kon bij de lezers van de brief bij deze bestraffende woorden de gedachte opkomen of die scherpe toon wel gerechtvaardigd was. De apostel laat nu goed voelen, dat ze terecht was. Ontheiliging van het Avondmaal betekent ontheiliging van een instelling des Heeren.
En zo gaat Paulus in vers 24 nader in op dit sacrament als zulk een instelling des Heeren. „Want ik heb van den Heere ontvangen hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in de nacht, in welke Hij verraden werd, het brood nam."
In de oorspronkelijke taal zijn hier de woorden zó geschikt, dat duidelijk een bijzonder accent valt op het persoonlijk voornaamwoord „ik". Niet voor niets wil Paulus op dit woordje bijzonder nadruk leggen.
Immers, hij was pas na de hemelvaart van Jezus op de weg naar Damascus bekeerd en tot apostel geroepen. Natuurlijk wist de Corinthische gemeente dit. Men wist daar dus ook, dat hij niet persoonlijk, als de andere apostelen, met Jezus had omgegaan en eveneens, dat hij niet persoonlijk bij de instelling van het Avondmaal door Jezus tegenwoordig was geweest. Toch wil hij de gemeente die voorhouden als een instelling des Heeren, en dat met bijzonder gezag. Vandaar de nadruk, gelegd op het feit, dat ook hij persoonlijk mededeling van die instelling heeft ontvangen.
Nu is 't niet duidelijk, wat de apostel bedoelt met: „Ik heb van den Heere ontvangen". Op welke wijze is dit gebeurd? 't Is mogelijk, dat wij hier moeten denken aan een mededeling, rechtstreeks, uit Christus' eigen mond.
Paulus heeft meerdere malen bijzondere openbaringen gehad. Dit weten wij uit de Handelingen der apostelen en uit zijn brieven. Hij was geen verstandsmens, al dragen sommige gedeelten van zijn brieven een sterk leerstellig karakter. Hij was een veelzijdig man, ongetwijfeld begiftigd met een sterk intellect, doch, ook als Oosterling, tevens mystiek aangelegd, met een diep gevoelsleven, dat hem bijzonder vatbaar maakte voor het contact met de onzienlijke wereld en voor het ontvangen van hemelse openbaringen. En was, afgezien hiervan, Gods Geest niet bij machte om hem, indien de Heere dit wilde, op een bijzondere wijze tot dit contact te brengen?
Wij denken hier niet alleen aan wat is gebeurd op de weg naar Damascus, waar de verhoogde Christus Zich vanuit de hemelse glorie aan hem openbaarde en met hem sprak.
Wij denken hier verder aan het gezicht van de Macedonische man, waardoor de Heere Zijn dienaar riep van Klein-Azië naar Europa.
En aan de ervaring, waarover hij zelf schrijft in 2 Corinthe 12, n.l., dat hij opgetrokken is geweest tot in de derde hemel en daar gehoord heeft dingen, welke een mens niet kan en mag uitspreken. En, aan het gezicht in de nacht, waardoor de Heere hem bij zijn eerste kornen in Corinthe moed in spreekt: „Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet. Want Ik heb veel volks in deze stad".
Nog andere voorbeelden zouden hier te noemen zijn. 't Is dus inderdaad niet uitgesloten, dat de Heere Christus Zijn apostel een bijzondere openbaring heeft geschonken over de inzetting van het Avondmaal. Het was daar belangrijk genoeg voor!
't Is echter ook mogelijk, dat de apostel hier toch niet wil zinspelen op een rechtstreekse openbaring van de verhoogde Heere. Hij kan hier bedoelen, dat hij de bedoelde mededeling door tussenkomst van de andere apostelen, die zelf de instelling hebben meebeleefd, ontvangen heeft. Dit moet dan zijn door persoonlijke mededeling. Immers, historisch is de eerste Corinthebrief ouder en dus eerder geschreven, dan de evangeliën. Maar, omdat het hier dan die andere apostelen betreft, die met een bijzonder gezag in de gemeente bekleed waren, was het, alsof Paulus het bericht van die instelling, door middel van hen, van den Heere Zelf ontvangen had!
Verschillende Schriftverklaarders denken aan deze tweede mogelijkheid. Wel rijst dan de vraag: Waarom zegt Paulus hier dan met bijzondere nadruk, dat hij het van den Heere ontvangen heeft? Immers, als hij hier bedoelt, dat het gaat om iets, dat hij uit de mond van de andere apostelen gehoord heeft, als onderdeel van hun apostolische prediking, dan geldt toch ook, dat de gemeente in zekere zin op dezelfde manier als hij dit bericht heeft vernomen, n.l. van hém en uit zijn prediking? En dan had hij hier wel kunnen schrijven: „Want wij hebben van den Heere ontvangen".
Het accent, dat hij legt op dat „ik", doet ons meer in de richting van de eerste mogelijkheid denken. Door dit accent maakt hij toch wel onderscheid tussen zijn eigen positie, als van apostel, en die van de gemeente. Zij heeft de kennis van het gebeurde door overlevering, van anderen, in dit geval van hém, Paulus. Doch hij heeft het van den Heere ontvangen, niet door overlevering, maar rechtstreeks, door een bijzondere openbaring.
Dit feit zou aan de woorden van de apostel nog een bijzonder gezag geven. Hij heeft de gemeente doorgegeven, wat hij uit Christus' eigen mond gehoord heeft. En zo zouden wij ook hier mogen denken aan een woord uit de Galatenbrief: „Ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus".
Wat heeft de Heere Christus nu Zijn apostel geopenbaard en wat heeft deze de gemeente overgeleverd?
Datgene, wat Christus gedaan heeft in de nacht, in welke Hij verraden werd, d.i., — in de nacht, of in de late avond, vlak vóór Zijn bitter lijden.
De apostel duidt die nacht dus aan als de nacht van het verraad, — door één der discipelen. Judas.
Doordat Paulus die nacht zó aanduidt, maakt hij in de oorspronkelijke taal een opvallende woordspeling. In het begin van dit vers heeft hij het dus over iets, dat hij de gemeente heeft overgeleverd. In het oorspronkelijke gebruikt hij daar een woord, dat eveneens voor „verraden" gebruikt kon worden. Inderdaad staat het in die zin in het tweede gedeelte van dit vers.
Welke wel zeer verschillende betekenissen heeft hier dus datzelfde oorspronkelijke woord! Overlevering van het Evangelie én ... verraad. Gaan wij te ver, wanneer wij opmerken: hoe merkwaardig is dit! Welk een diep verband ligt er tussen beide!
Immers, het verraad van Christus vormt volgens Gods heilige Raad een belangrijke schakel in de lijdensgeschiedenis. Dit verraad moest dienen om onze Zaligmaker de weg te doen gaan naar het Kruis, doch door de dood heen ook naar Zijn opstanding en overwinning. En daaruit vloeit voort de overlevering, de prediking van het Evangelie.
Zal er een glimlach van heilige ontroering gevallen zijn over het gelaat van de apostel, toen hij dit vers in het oorspronkelijke neerschreef en deze woorden zo naast elkaar zag staan?
Nog iets anders mag ons hier niet ontgaan. Schrijvend over de nacht, waarin Jezus verraden werd, zegt de apostel eigenlijk: „de nacht, waarin het verraad bezig was zich te voltrekken".
Speelt het Paulus door de geest, dat Jezus op dat moment daarvan ook wist? En dat Hij toen toch met Zijn andere discipelen bijeen wilde zijn en de gevolgen van dat verraad niet wilde ontlopen? Dat Hij dat alles toen integendeel bewust, vrijwillig tegemoet trad? Speelt dan ook door de geest van de apostel weer de grote liefde, welke Christus tot deze overgave bewoog? De grote liefde voor de eer van Zijn Vader en voor de zaligheid van de zijnen! Die liefde, welke ook Zijn ziel vervulde, toen Hij het Avondmaal instelde!
Dan krijgt de heiligheid van de inzetting van het Avondmaal voor de gemeente van Corinthe en voor alle gemeenten een aparte gloed. De gloed van Christus' liefde! Doch dan is het ook des te erger, om zich aan dat Avondmaal te onttrekken op een gemakkelijke wijze, om redenen, die in de gloed van déze heiligheid geen stand kunnen houden. Of om het te misbruiken, uit gebrek aan liefde, als in de Corintische gemeente, of uit gbrek aan waarachtig geloof!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's