HET REFREIN
Meditatie
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God; want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts, en mijn God. Psalm 43 : 5.
Wij horen, o teder geheim, een mens spreken met God, komen tot God. Lokt u dat, trekt u dat? Ver van God, dat is de eeuwige smart, een wenen, dat geen einde neemt. Hoort de roep des Heeren: Wendt u naar Mij toe en wordt behouden. Hoe? Langs welke weg? Leeft niet, alsof er geen licht en waarheid waren, die geleiden; die er u brengen. Vergeet het altaar niet, anders verdwaalt ge. Hoort u in de verte dat vreugdegedruis? Ga er op af, de vreugde ontspringt aan de kennis van God, zij is als een fontein, die fris water sproeit over dorstig en stoffig land. Vreugde werkt immers aanstekelijk voor jong en oud. Loofden wij meer de Heere, er zou meer aantrekkingskracht van de kerk uitgaan. En, wat u betreft: Wat baat het u, als ge veel het uwe, maar God niet de uwe moogt noemen. Arm, nameloos arm is hij, die God niet tot zijn God heeft. Leeft er een smartelijk gemis in uw hart, beeft het door uw gebeden heen? Bij het altaar wordt het in een vreugdevolle vereniging veranderd.
Ineens wordt de toon wat gedempter. Liet de psalmist zich te ver door zijn verlangens en gevoelens meeslepen en komt hij nu weer tot een nuchtere bezinning? Ziet hij om zich heen en is het nog niet zo ver? Hij neemt inderdaad tot driemaal toe de aanloop van de slotwoorden. In het refrein balt zijn begeerte zich samen, tot de sprong van de hoop. Wij zijn er niet één, twee, drie. Maar is het geloof gewekt, dan veert de hoop op. Hij spreekt zijn eigen ziel toe, niet om haar te bezwaren, maar om haar te ontlasten. Dat is ook een eigenaardig gesprek. Wij zijn dan met deze, dan met die in gesprek. Wij maken een praatje met buren en vrienden, wij voeren een gesprek met kennissen. Nooit met onszelf? Kennen wij onszelf niet? Of maken wij het praatje van de rijke dwaas; die handenwrijvend zei: Ziel, gij hebt vele goederen, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. O wee, dwaze ziel, wie zal voor u zorgen, als ge deze nacht voor Gods gerecht gedaagd wordt. O ziel, handenwringend, wanhopig!
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel. Wat zijt ge zo neerslachtig. Diep zuchten maar. Niet te diep, opdat leed en nood u niet overstelpen. Kom, mijn ziel, ik wek u op. Want God druppelt zijn verborgen troost in ogen die vol tranen staan. Zijn stille vreugde in mijn droevig hart. Kom, ingezonken ziel, zwaar als lood, bezwaard door van alles en nog wat. Zo kan het niet blijven, dat weet ge ook wel: Wat zijt gij onrustig in mij. Er komt beweging in. Geen doffe gelatenheid, geen berusting in de feiten. Een innerlijke bewogenheid; kreunen en steunen; spreken, toespreken, opwekken. Ja, een mens heeft soms heel wat met zijn ziel te stellen. Hij kan haar niet meekrijgen, zo muurvast zit ze op de klippen van de aanvechting; zo is zij verstrikt in de netten van de vijanden. En toch ! !
Hoop op God. Dat is het wachtwoord in de geestelijke strijd. Ik spreek mijn ziel niet toe om haar gerust te stellen met iets in mij. Met de omstandigheden, met een vaag vertrouwen, dat het wel weer eens anders zal worden. Ik heb eerst met God over mijn ziel gesproken, en nu spreek ik met mijn ziel over God. Dat is de goede volgorde. Nu neem ik haar mee, als het ware mee naar God toe, naar de tempel, waar zo'n rijk vergezicht zich opende: Hoop op God. Zit niet gepakt en gezakt op de grond. Sta op en wandel. Wandel, licht en waarheid geleiden u immers. Ik moet mijn ziel niet altijd zo zachtzinnig behandelen, ik moet haar wel eens hard aanpakken: Hoop op God.
Wacht op God. Hij laat u niet in de steek. Strek u naar Hem uit. Hij staat u met open armen op te wachten. Geen valse lijdelijkheid geve de toon aan in dit gesprek, daarmee komt ge de vorst der duisternis in het gevlei, maar uw ziel is er niet mee gediend. Hoop op God. Ontbreekt u de kracht, meent u dat hier slechts de machteloze verzuchting van een steeds herhaald: och mocht op zijn plaats is. De Schrift leert het anders, de Geest leert het anders. Hij komt onze zwakheden te hulp: Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvliegen met vleugelen, als der arenden; zij zullen lopen en niet moede, wandelen en niet mat worden. De hoop loopt achter genade en trouw aan en zo waar, het gaat. God volbrengt Zijn kracht in onze zwakheid. De opstandingskracht van Christus is de ware opwekkingsbeweging, die zich van onze matte ziel meester maakt. Wanneer wij Hem bidden, belijden wij tevens Zijn naam. Dan is de Heilige Geest het, die de hoop verlevendigt, dan springt de kreupele als een hert. Dan neemt de lamme deel aan de wedloop.
Want ik zal Hem nog loven. Daar zal Hij voor zorgen. Uit duizend doden zal Hij mij doen herleven, zodat ik Hem als de levende God mag erkennen, de God. van mijn heil, de God van mijn vreugde. Hoe heb ik het nu met u, o mijn ziel? Ik zal hem nog loven. Toch! Ondanks de klachten, ondanks de aanklachten. Toch weer loven, al stond het huilen mij nader dan het lachen. Hoop op God, de wonderen zijn de wereld nog niet uit. De zon van Zijn aangezicht trekt door de wolken heen.
Daar staat Hij voor in: Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts. Hij staat vóór mij, als mijn verlossing. Bij de Heere is veel verlossing, vandaar dit meervoud. Verleden, heden en toekomst roemen om strijd Zijn verlossende daden. Veelvuldige verlossing, die overal tegen bestand is. Wat is mijn verlossing? Hij!! Nergens anders en bij niemand anders is zij ^te vinden. Wat is verlossing? Vergeving en bevrijding, uit zo grote nood, voor zovele zonden. Wel zeker. Van Hem kan ik niet klein denken. Hij is. Zo kom ik tot Hem. Bij de hoop op God is de volkomen verlossing inbegrepen. De openbaring van Zijn naam is een voortgaande ontvouwing van de verlossing.
En mijn God. Eindelijk is de onrust gestild. De hoog opgezwiepte golven leggen zich. Het oppervlak van de zee wordt spiegelglad. En mijn God. Daarom zal ik op Hem hopen, vandaag en morgen en in het uur van mijn dood. Daarom zal ik zingen van Zijn genade en van zijn trouw in alle eeuwigheid. Nu is het lied ten einde. De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat daalt over mijn leven, vervult mijn ziel, bewaart hart en zinnen. Zo haalt God er een worstelend mensenkind al zingende doorheen.
En dat ik inga. Steeds hogere kringen trekt de hoop. Straks vliegt hij nog de hemel binnen. Want ik zal Hem nog loven. En niet alleen ik, maar een schare die niemand tellen kan, rondom het altaar, rondom de troon. Daar is eeuwige vreugde hun deel, vreugde in God.
De opstanding van de nieuwe mens krijgt zijn beslag, wanneer de blijdschap ten toppunt stijgt. De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe. Zij hebben de handen meer dan vol. Palmtakken van overwinning; cithers van voortdurende dankzegging. Want zij zullen zijn aangezicht zien. Hier is het venster nog wel eens beslagen, daar is het weggebroken. En God zal alle tranen van hun ogen wegwissen.
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel. Tot u, o Heere hef ik mijn ziel op. Want ik zal Hem nog loven. Ik zal, want Hij is. Aangezicht tot aangezicht. Dan zullen de gebroken klanken zich voegen tot het nieuwe lied. Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? Hart en stem doen mee. Maar dieper, veel dieper speur ik een onuitsprekelijk verlangen: Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's