Overgang naar een nieuw tijdperk
2
„ ... gij hebt het gepredikte Woord Gods .... aangenomen niet als een woord van mensen, maar wat het inderdaad is, als Gods Woord". (1 Thess. 2 : 13).
Wij zagen de vorige week, dat zich wijzigende levensomstandigheden op de rechtervleugel van de kerk nu niet zo'n indruk maken en deswege de behoefte aan een heroriëntatie daar minder sterk en later doen gevoelen.
Nochtans zou een onderdrukken van die minder sterk en later gevoelde behoefte leiden tot een kerkelijke kramphouding, die niemand wil en waar niemand mee gediend is. Daarom is het nuttig, zo werd de vorige maal geëindigd, te pogen van de na-oorlogse situatie in ons land althans het kerkelijk aspect enigszins te peilen, en te bezien hoe de gereformeerde gezindte in onze kerk in grote lijnen met deze situatiewijziging zou kunnen rekenen: wat zij heeft vast te houden, en wat bij haar zou kunnen of moeten veranderen.
Natuurlijk is het wat hachelijk, een niet-theoloog een kerkelijke situatie te laten beschrijven. In het midden latend of dit voor een wel-theoloog bij voorbaat niet hachelijk is, mogen de lezers zich overtuigd houden, dat schrijver dezes het gaarne voor beter geeft en niets liever zou zien dan dat anderen het ontworpen beeld wijzigen, verdiepen, verbeteren. Dit te meer, omdat ongetwijfeld verschillende beschrijvingen mogelijk zijn en de hier gegevene dus iets willekeurigs heeft.
De Verlichting verklaarde de mens autonoom. De natuurwetenschappelijke ontwikkeling in de 17e—19e eeuw werkte in de hand, dat de menselijke rede of ratio het met de Reformatie herontdekte Woord Gods van zijn plaats drong als factor, die het leven bepaalde. Dit leidde tot het rationalistische cultuuroptimisme, dat ruwweg in de vorige eeuw zijn hoogtepunt beleefde.
Het moderne levensgevoel kenmerkt zich door verzet zowel tegen het rationalisme dat aan de diepste levensbehoeften voorbij gaat, als tegen het cultuuroptimisme dat door twee wereldoorlogen en daarna de koude oorlog met kernwapendreiging werd weggevaagd. Prof. Jonker gaf in het slothoofdstuk van zijn De mens in grenssituatie een duidelijke en beknopte informatie over deze ontwikkeling.
Zo is de Aufklarung, de Verlichting in zijn 17e—19e-eeuwse verschijningsvorm verzand. Alleen: daarmee is aan de westerse mens het Woord Gods als determinant (bepalende factor) van zijn leven niet teruggegeven. De gewone, natuurlijke mens, eenmaal autonoom en mondig verklaard, wil uit zichzelf die autonomie niet meer prijsgeven. De mens is, na de devaluatie en het loslaten van Gods Woord en na het hem ontnemen van de menselijke ratio als houvast, geplaatst voor het niets (prof. Severijn, in Imago Dei, blz. 19; overgenomen in Bevestig dat, Woerden 1963, blz. 38) en wordt teruggeworpen op zijn eigen innerlijk wezen of existentie. Het existentialisme is van dit levensgevoel de filosofische neerslag. Zekerheden buiten de mens hebben htm algemene geldigheid verloren. In beginsel is dit de nekslag voor elke gezagsrelatie en normbesef.
Het verzet tegen het cultuuroptimisme leidde samen met de gerichtheid op zichzelf zonder richtpunt van buitenaf tot een gevoel van onzekerheid en pessimisme, dat als onderstroom in het huidige cultuurleven duidelijk te herkennen is.
De Kerk ondervond van dit alles de invloed. De levende relatie tot God en Zijn Woord verzwakte. Dat bood de vorige eeuw ruimte aan de rationalistisch bepaalde Schriftcritiek die, getuige de Entmythologisierungs-voorstellen van Bultmann en het geruchtmakende geschrift Eerlijk voor God van bisschop Robinson, nog uitlopers heeft in het heden. De afwending van dit rationalisme is in de Kerk te herkennen in een stroming, die ook binnen de Kerk afkerig is van overgeleverde zekerheden en verworvenheden.
Het gezag van de Schrift wordt aangetast. Natuurlijk zal men niet licht bepaalde Schriftgegevens onjuist noemen — ook zulke stelligheden vermijdt men — maar wel is de neiging te herkennen, de Schrift te interpreteren vanuit de gedachtengangen, die zelf vermengd zijn met onbijbelse elementen die opkomen uit het gangbare levensgevoel. Wel geen enkele richting in de Kerk schijnt hier vrijuit te gaan, al zijn er graduele verschillen.
Het gezag van de belijdenis der Kerk schuift men nog gemakkelijker opzij, omdat men daarin slechts een verzameling „waarheden" uit vroeger eeuwen ziet met de dwaze pretentie, beaamd te willen zijn. Door een innerlijk loslaten van God en Zijn Woord herkent men niet het geloofsaspect in de belijdenis, dat juist gericht is op de leer der apostelen als steeds-actuele continuïteit in de geschiedenis der Kerk. Het „panta rei" („alles stroomt") van Heraclitus spreekt zo sterk aan op het moderne levensgevoel, dat ook binnen de Kerk het besef van die continuïteit vervaagt.
Wat is dat dan voor een continuïteit, die leer der apostelen?
„De leer der apostelen" is een uitdrukking, ontleend aan Hand. 2 : 42. Daarbij hebben wij niet te denken aan een verzameling leerstellingen zonder meer. Het griekse woord hiervoor kan ook, zoals de N.V. doet, worden weergegeven door onderwijs, onderwijzing en geeft niet alleen aan „hoe het is", maar ook „hoe te handelen" (vgl. „onderwijzing" in het berijmde 4e vers van Psalm 25); de leer leert daarbij niet zozeer iets, als wel iets aan ons en wordt daarmee tot Boodschap. Deze leer omvatte in de aposteltijd dus het Oude Testament plus wat de apostelen meedeelden over de vervulling van wat in het O.T. was beloofd en voorzegd, d.i. wat later in het N.T. is neergelegd. Het is derhalve het geheel van de hemelse leer omtrent Christus als de beloofde en verschenen Middelaar Gods en der mensen, kortom: Gods Woord.
De H. Geest „opereert" met deze leer in de loop der tijden, en maakt de gemeente naar Gods souvereine genade tot een pilaar en vastigheid der waarheid in zover zij in die leer blijft. Daarbij is wel mogelijk, dat de Kerk met de tijd dieper in de Waarheid wordt geleid (een kwantitatieve verbreding of verdieping van het inzicht der Kerk), maar niet, dat zich in het grondpatroon van Gods openbaring veranderingen zouden kunnen voordoen (geen kwalitatieve wijziging).
Deze leer is dus te zien als een continuïteit in de wisseling der tijden. Een continuïteit overigens, die niet in elke tijd duidelijk zichtbaar is. Is immers de kerk door de eeuwen heen vaak niet ontstellend ver van die leer afgeweken? Zeker wel, maar zij werd telkens naar die leer teruggeroepen. Elke beweging van die leer af was deformatie, naar die leer toe reformatie. In elke deformatie trekt de Geest zich terug om de afwijking van die leer, in elke reformatie werkt de Geest krachtig door, het leven ook van de kerk naar die leer hernieuwend. Leefde dit besef sterker, men zou meer heimwee hebben naar zulk een Geestesdoorbraak — die steeds op dezelfde leer gericht is! — en het berijmde tweede vers van Psalm 63 met zijn toch wel legitieme (wettige) tussenvoeging „Och wierd ik derwaarts weer geleid" ook voor de kerk op de lippen willen nemen. De kerk lijdt aan een gebrek aan continuïteitsbesef, besef van deze continuïteit. Daardoor wordt de Reformatie een vreemde en verre grootheid.
Het pessimisme in het tegenwoordige levensgevoel heeft ook een terugslag in de kerk. Niet zozeer evenwel op het gezag van Schrift en belijdenis, maar op het kerkelijk „denkpatroon" zoals dit door dit gezagsverlies vervormen kon. Dit komt daarom — mede — een volgende maal ter sprake.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's