Dankstond rondom de ark
Meditatie
En die van Beth-Sémes maaiden de tarweoogst in het dal, en als zij hunne ogen ophieven, zagen zij de ark, en verblijdden zich als ze die zagen. 1 Samuel 6 : 13.
Sikkels blinken, sikkels klinken, ruisend valt het graan ... In het dal Sorek, nabij Beth-Sémes, is het een drukte van belang. De tijd van de tarweoogst is daar. Dan moeten de handen uit de mouwen gestoken worden. Zie de mannen van Beth-Sémes eens zwoegen. De oogsttijd is een drukke tijd; toch ook een vreugdevolle tijd? Dan mag toch gezien worden hoe de arbeid der handen is gezegend geworden? !
En tóch ... hangt er een donkere schaduw over de oogst en de arbeid. Klinkt er ergens in de verte nog niet de rauwe schreeuw vanPinehas' vrouw? Ikabod ... De eer is weg, de ark — zichtbaar teken van de tegenwoordigheid Gods — is weg, Gód is weg .. God weg? Ja, Israël heeft zich bezondigd aan de tegenwoordigheid Gods, door God op het spel te zetten van hun gekrenkte trots. Zoeven hadden ze te Afek een verpletterende nederlaag geleden. Om de kansen te doen keren werd door de priesters de ark in de veldslag gebracht. Maar Israël verloor dit hoge spel. De ark werd als een oorlogstrofee door de Filistijnen meegevoerd. Machteloos moest het volk Israël toezien. Ontzaglijk! Een groot verdriet is over Israël gevallen. De oude Eli is er aan gestorven! Nee voor de rechtgeaarde Israëliet kan er geen vreugde zijn. Een donkere schaduw inderdaad over oogst en arbeid.
Is er vandaag aan de dag ook niet die donkere schaduw te bespeuren, die valt over menig leven en menige arbeid? De donkere schaduw van de Godloosheid? Zijn we niet al te zeer geneigd toe te geven aan de gedachte dat het leven volgens eigen wetten verloopt? Het hele tijdsbeeld, de hele maatschappelijke ontwikkeling werkt aan deze gedachte mee.
Het gevolg van deze ontzaglijke verzoeking is, dat de diepte uit veler leven is weggevallen. Dat het leven zo verschrikkelijk horizontaal geworden is: Gód is er uit weg. In z'n ergste vorm: „laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij ..." Dat is de ergste vorm, inderdaad, maar ook in veel fatsoenlijker vormen is er de leegheid, het leven zonder God. Wat een geestelijke armoe. Is de leegheid niet van de gezichten af te lezen? Het allerergste is als we deze werkelijkheid als iets onvermijdelijks gaan zien, als een lót dat over ons gekomen is. Maar de afwezigheid Gods is geen lot, maar schuld.
Is het ons al tot een groot verdriet geworden?
Heere, hoe kan ik zonder U één stap verzetten? Is het ons al tot schuld geworden? De afwezigheid Gods vindt zijn oorzaak niét in de techniek, in de maatschappelijke ontwikkeling, maar in de verdorvenheid van mijn hart. Wij verzóndigen de nabijheid Gods. Ook doordat wij God zo vaak op het spel zetten van onze gedachten. Zoals wij dat allen éénmaal gedaan hébben: Is het ware slagveld uit 1 Sam. 4 niet Golgotha geweest, waar Jezus moest uitroepen: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? "
Een wonderlijke wending treedt in, wanneer tot verbazing van de mannen te Beth-Sémes de ark terugkeert. „En toen zij hun ogen ophieven, zagen zij de ark, en verblijdden zich toen zij die zagen ...? Een diepe vreugde doortrilt hun hart. De ark des Heeren terug, de Heere in ons midden ... Ach het werk moest wel doorgaan, maar er was geen vreugde in, de glans was er af. Maar nu! Ongedacht en onverwacht is daar de Heere. Dat is altijd zo. De Heere is een verrassend God. God boekt Zijn overwinningen buiten ons om, daar vallen wij buiten. Wie bracht de ark terug? Wie deed er mee toen Christus als een Hulpeloze hing aan het vloekhout? Wie deed er mee toen Hij op de Paasmorgen opstond en alle banden van zonde, dood en duivel verbrak?
De Heere heeft zich in het huis van Dagon betoond de levende God te zijn. Die zich door niets en niemand laat binden. Dat betoont Hij ook vandaag aan hen die moeten belijden dat het van hun kant hopeloos is. Zo roemt de barmhartigheid Gods tegen het oordeel. Tot hen die moeten belijden de nabijheid Gods verzondigd te hebben, zegt Hij: Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleinen toorn heb Ik mijn aangezicht voor u een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheden zal Ik mij weder ontfermen, zegt de Heere, Uw verlosser. (Jes. 54).
Hoe dan? God is toch een heilig God. Hij tot mij? Ja, maar die weg tot u en mij loopt over een Ander. Kent ge Hem niet? Kijk eens naar het verzoendeksel op de ark. Wijst dat verzoendeksel niet heen naar de Heere Jezus Christus?
Christus Jezus is als de grote Hoogepriester door de meerdere en volmaaktere tabernakel, niet door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, éénmaal ingegaan in het heiligdom en heeft daar een eeuwige verlossing teweeggebracht.. (Hebr. 9).
De wagen met de ark houdt stil op de akker van een zekere Jozua de Bethsemiet. Daar wordt de Heere een dankoffer gebracht. Ze laten het werk in de steek en staan rondom de ark. Ze houden een dankstond rondom de ark. Nu breekt de vreugde pas door. Het woord voor „verblijden" betekent eigenlijk „luidkeels zijn vreugde betuigen". Geen wonder. Mensen die God kwijt waren, mogen God weer ontmoeten. Hem aanbidden, Hem loven en danken.
Wat een machtig wonder als we zo dankstond mogen vieren, dankstond rondom de ark. Dat we weten dat het eigenlijke van ons leven niet ligt in ons natje en droogje, maar in de tegenwoordigheid Gods in Christus. Alle brood moet ons bitter smaken, wanneer het ons niet uit de hand Gods aangereikt wordt. Deze tegenwoordigheid Gods in Christus wordt openbaar in de levende bediening des Woords en van de heilige sacramenten. Die houden de harten van Gods kinderen brandende.
Dan is er alleen uitzicht en dan alleen komt er weer uitzicht. Dan komt er weer glans over ons leven en onze arbeid. Dan mogen we weten dat ons leven niet zinloos is, dat onze arbeid niet ijdel is in de Heere. De tegenwoordigheid Gods in Christus. Daar hangt alles van af. Dan mag het leven van onze tijd zwaar zijn, de arbeid moeilijk en soms schijnbaar zinloos, de aanvechtingen hevig, het lijden soms niet uit te houden, het heeft alles niet het laatste woord!
Dan moge de Heere ons leren door de genade van Zijn Geest af te zien van onszelf en al de omstandigheden en op te zien tot Christus, de komende Koning.
Dan breekt de blijdschap (weer) door. „En toen zij de ogen ophieven, zagen zij de ark en verblijdden zich toen zij die zagen ..."
Doet u dat, doe ik dat, zo midden onder het werk, de ogen opheffen? Ik hef tot u mijn ogen op en bid ...
Opzien van het werk tot de Heere en van de Heere tot het werk.
De kerk des Heeren gaat op de grote oogst aan.
Hier is de blijdschap een getemperde blijdschap door de zonde. Straks een onbepaalde blijdschap door 't licht dat van Zijn aanzicht straalt, een opzien tot Hem zonder onderbreking.
Wie hier met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.. Verlangt u ook zo naar die dag?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's