De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

In de kerkelijke pers van de laatste week vraagt prof. dr. J. C. Hoekendijk een en andermaal onze aandacht. We kennen prof. Hoekendijk als een zeer oecumenisch man met nog al erg vooruitstrevende ideeën en rigoreuse verlangens. We vinden dit ook weer terug in hetgeen hij in de afgelopen weken gesproken en geschreven heeft.

De gedachten van prof. Hoekendijk komen, dacht ik, min of meer hier op neer: De kerk zoals wij die kennen en zoals die tot nu toe nog voortbestaat, heeft zijn tijd gehad. De preek doet het tegenwoordig niet meer, we zullen het nu moeten hebben van het onderlinge gesprek. Zo iets in de geest van de vroegere conventikels of gezelschappen. Telkens als we deze geluiden van prof. Hoekendijk lezen, worden we weer getroffen door het merkwaardige verschijnsel dat het typisch ouderwetse en het uitgesproken nieuwerwetse elkaar hier schijnbaar vinden. Het samenzijn van mensen in groepjes die door een bepaald levensverband tot elkaar gebracht zijn, zoals prof. Hoekendijk daar over spreekt, lijkt toch wel op wat wij kennen van gezelschappen, groepjes en kerkjes uit het verleden en ook nog in het heden.

Prof. Hoekendijk maakt zich niet zoveel zorgen over de vraag hoe deze groepen of kringen nu naast elkaar zullen moeten voortbestaan. ledere groepering moet maar voor zichzelf verantwoording dragen en ook zelf maar uitmaken wat men al of niet zal doen of laten; een soort independentisme dus. Als vanzelf gaat men denken aan de tijd der Richt eren uit het oude testament. Het zal ons wel zonder meer duidelijk zijn dat er een hemelsbreed verschil is, — wat de inhoud betreft —, tussen dat wat prof. Hoekendijk voorstaat en dat wat we in de conventikels aantreffen. Maar ondanks dat blijft toch de vraag zich aandienen: Wat is nu bij alle verschil de gemeenschappelijke factor die we bij beiden tegenkomen? Zou deze factor ook kunnen zijn het „menselijke"? Bij de één zal het dan de vrome en vaak conservatieve mens zijn en bij de ander de moderne en vooruitstrevende mens. Maar ik geloof dat we allemaal telkens weer opnieuw moeten leren, dat als we „Kerk" zeggen, we meteen „Christus" zeggen die alleen Konins; is en die ook gehoorzaamd wil worden, opdat Hij juist in die vaak moeilijke weg ook waarlijk Zaligmaker zou mogen zijn.

Tot deze overpeinzing kwamen we toen we Woord en Dienst lazen van 24 oktober. In een artikelen-serie wordt in dat blad namelijk de balans opgemaakt van wat op oecumenisch terrein bereikt werd in de laatste 25 jaar en wat er op dit gebied in de komende 25 jaar nog moet veranderen. Dr. Emmen schrijft over: Wat is er veranderd tussen de kerken? Prof. Hoekendijk gaat in op de vraag: Wat moet er in de komende 25 jaar nog veranderen? In zijn antwoord windt prof. Hoekendijk er geen doekjes om; boven zijn artikel schrijft hij: Zowat alles! Voor die noodzakelijke veranderingen zal aan enkele voorwaarden moeten worden voldaan; prof. H. noemt er enkele:

Verregaande devolutie: de term stamt uit het zendingsvocabulair en dient daar als verkorte schrijfwijze van die vermaarde „overdracht van verantwoordelijkheid" (bijv. van „oude" aan „jonge" kerk). Primair gaat het daarbij om de herkenning en de erkenning, dat de Geest zich zó heeft gemanifesteerd, dat er iets nieuws is ontstaan, dat alsnieuw gerespecteerd wil worden en waarvoor het oude dus graag zal willen wijken. De verantwoordelijkheidskaders, die het tot dusver voor het zeggen hadden dragen iets-veel-alles van hun verantwoordelijkheid over.

Een tweede voorwaarde voor de verandering is, dat het moet gaan om de naties, niet om de denominaties. Dat wil zeggen, het moet niet gaan om de confessioneel gebonden kerkverbanden (denominaties), maar om de groepen die in een bepaald levensverband samen zijn (naties). Men moet niet meer solidair zijn doordat men dezelfde ideeën (belijdenis) heeft; deze solidariteit moet vervangen worden door een bestaanssolidariteit. De Sitz lm Bekenntnis moet ingeruild worden voor een Sitz im Leben. We woeten ons wachten voor allerlei specialiteiten van verschillende kerken, af of niet in Wereldbonden verenigd, want het zijn menigmaal broedplaatsen van een neo-confessionalisme.

Deze levensverbanden, door prof. H. dus genoemd „natie" of „place", kunnen zeer uiteenlopend van omvang en van karakter zijn. Maar allen wil hij hen een verregaande vorm van autonomie geven:

Wanneer bijvoorbeeld hervormden in X met niet-hervormden „ter plaatse" allerlei (communie? ) samen kunnen doen, mag dat niet worden geblokkeerd, omdat mede-hervormden in Y „daaraan niet toe zijn". Dat wil ook zeggen, dat de kerk op al haar verschillende niveaux in die hele scala van „places", waar ze zich presenteert, vanaf het niveau van de huisgemeente tot aan het niveau van de synode oecumenisch handelsbevoegd zal moeten zijn; dit kan niet langer het exclusieve privilege van de „hoogste" kerkvergadering blijven. Met andere woorden, er moet ook een devolutie-naar-beneden plaats hebben: een overdracht van verantwoordelijkheid aan interkerkelijk-samengestelde-„mindere' vergaderingen. Anders blijft dat hele New Delhi program dode letter.

Tenslotte is ook een voorwaarde voor de noodzakelijke verandering: Ruimte voor het „Vrije Oecumenisme":

Om in beweging te kunnen blijven, zal er ruimte aan het „vrije" oecumenisme gelaten moeten worden; méér nog: het vrije experiment moet niet alleen zuinigjes, desnoods, worden toegelaten; het zal aangemoedigd moeten worden, zonder al die kinderachtige angst voor „verwarring". En, over „sekte" moesten we maar liever niet praten zolang we ons, als kerken, zo sectarisch gedragen.

Eigenlijk had hier alleen maar over verniewing gesproken moeten worden, maar dat is in Nederland niet opportuun nu men hier de „vernieuwingstheologie" liever bestrijdt dan leest.

In dezelfde lijn ligt ook dat wat prof. Hoekendijk opgemerkt heeft in een lezing die hij, na de Kerkbouwactie, gehouden heeft op de Algemene Vergadering van de Vereniging van Kerkvoogdijen. Prof. Van Itterzon schrijft over deze lezing in het Hervormd Weekblad, onder de titel: Van Kerken naar Kapellen? Aan dit artikel ontlenen we het één en ander.

De kerk vond de kalender van een jaar, bestaande uit 52 weken in de samenleving waarin ze geplaatst werd, aldus prof. Hoekendijk. De kerk paste zich daarbij aan. Maar moet nu de kerk niet gaan leven in het ritme van de kalender zoals de industriële samenleving die heden aangeeft? In plaats van 52 zondagen, bijv. 10 of 15 „Christusdagen" per jaar, feestelijke gebeurtenissen en daar tussen door samenkomsten op een tijdstip, dat de mensen er ook zijn.

Zo zal er ook een verschuiving moeten plaats vinden van sacrale architectuur naar het ontwerpen van een gemeenschapshuis, van „kathedraal" naar „kapel".

Hoe het precies in al die kapelletjes (wanneer ze komen!) zal toegaan weet ik niet. Misschien heel anders, dan we gewend zijn. Improviserenderwijs. Waarschijnlijk ongeveer zoals dat in Amerika wel gaat in allerlei „winkelkerken" (storefrontchurches), kapelletjes die in een winkel ingericht zijn; dag en nacht open; waar iemand present is — en dat hoeft natuurlijk niet noodzakelijkerwijs een predikant te zijn (vgl. de telefoondiensten). Is het nu helemaal ondenkbaar, dat een van de „leken" daar ook sacramenten bedient? De sacramenten zijn toch niet aan de ambten, maar de ambten aan de sacramenten gebonden?

In de Reformatie lazen we een beschouwing over het streven in onze moderne tijd om ook de gehuwde vrouw geheel of gedeeltelijk in het arbeidsproces in te schakelen. Een punt om eens over na te denken. Daartoe nemen we een gedeelte uit het artikel over:

Het is wel zaak dat we als vrouwen dit modeverschijnsel niet bagatelliseren. Ik zie het als een symptoom van de degeneratie van deze tijd. In diepste wezen is het een aanslag op het gezin, dat we altijd gezien hebben als een der grote steunpilaren der menselijke samenleving. Socialisme en communisme en revolutie kunnen nooit radicaal hun verderfelijke ideologie verwezenlijken zolang het gezinsleven nog sterk en gezond is. Dat heeft men in de communistische landen goed begrepen. Daar wordt de vrouw en moeder uit het gezin weggehaald en ingeschakeld in wat men noemt het productie-proces.

Daar worden de kinderen dan ook van hun prille jeugd af door de „staat" „opgevoed". Ik zet beide woorden tussen aanhalingstekens. Vernietiging van het gezin betekent vernietiging van de christelijke samenleving, vernietiging van de christelijke opvoeding, en daarom vernietiging van de Kerk. En is dat niet het einddoel van alle revolutie?

Laat ons oppassen dat we ons steeds principieel verzetten tegen de z.g.n. discriminatie van de gehuwde vrouw. Want daar begint het mee. Wanneer het lukt de gehuwde vrouw een minderwaardigheidscomplex te bezorgen, is de eerste aanslag op de vernietiging van het gezinsleven gelukt. De part-time-job buitenshuis is het verleidelijke aanbod, dat oppervlalkkig gezien misschien nog zo erg niet lijkt. Laat ons echter aan deze verleiding weerstand bieden. Om der wille van Gods zaak en Zijn Koninkrijk in deze wereld. De gehuwde vrouw heeft een full-time-job (laat ik nu óók eens een Engels woord gebruiken, dat we allemaal wel verstaan) in haar huis. God geeft haar daar een roeping, een volle dagtaak. En wanneer zij geen kinderen te verzorgen heeft, dan kan zij haar eventuele vrije tijd op honderd en één manier gebruiken in Gods Koninkrijk. Discriminatie van de gehuwde vrouw is een duivelse aanslag op het mooiste dat God de vrouw heeft willen schenken.

Tenslotte nog enkele opmerkingen die het overdenken zeer zeker ook waard zijn. We nemen deze opmerkingen over uit de bespreking van het boek van dr. Buskes: Waarheid en leugen aan het ziekbed. Ds. J. v. d. Wiel bespreekt dit boek in In de Waagschaal en hij schrijft o.a.:

M.a.w. de hele kwestie van leven en sterven wordt geen stap verder gebracht, wanneer niet het evangelie van schuld en vergeving, van zonde en genade wordt gepredikt en geloofd. Onthutsend is wat Buskes vertelt over zijn ervaring, dat zoveel mensen leven en sterven zonder schuldbesef; ook dat heeft met de leugen te maken. Zoals het met leugen te maken heeft, dat de vraag naar het verloren gaan, niet meer of nauwelijks aan de orde kan komen. Ik weet wel, dat er altijd „orthodoxe" lieden zijn, die instemmend het hoofd neigen; ze hebben het altijd al en nog gezegd. Maar daar hebben we niets aan. Wij zijn er nu zo aan toe, dat we het alleen nog maar horen kunnen van de mensen, die het ook kwijt zijn geraakt en nieuw hebben ontvangen. Niets is zo wormstekig als de kruik met manna, als de theologie, die altijd aan de waarheid is trouw gebleven. Wij blijven aan geen waarheden trouw, daarmee maken we er een eigen artikel van. De waarheid blijft ons trouw, en dat is een genade, die God belieft.

Dat klemt, dacht ik, nogal sterk in deze vragen. Geef ons maar niets uit de voorraadschuur van de mensen, die aan het pand vastgehouden hebben. Ook de stem spreekt mee in de waarheid, en wat moeten we met een stem, die niet de sporen van de angst en aanvechting en ontlediging van onze wereld draagt.

Buskes spreekt weer over verloren gaan en behouden worden, over hel en hemel; en het wordt ons aan het verstand gebracht, dat de ontkenning van verlorenheid en hel in omstandigheden de grootste ón-barmhartigheid kan zijn, die denkbaar is.

En verschillende keren keert het als een bezwering terug, dat we niet verloren gaan vanwege onze zonden maar vanwege ons ongeloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's