De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

8 minuten leestijd

1 Corinthe 11 vs. 23-25a. Vervolg. (7)

Ditmaal lezen wij in vers 23 en 24 verder, wat de Heere Christus dus volgens Paulus gedaan heeft, in de nacht, in welke Hij verraden werd.

De Heere nam het brood (vs. 23) en nadat Hij gedankt had, brak Hij het. (vers 24).

Wij weten, wat de apostel bedoelt met het brood. Christus heeft op die bijzondere avond zeer begeerd met Zijn disciplen het Joodse Pascha te eten. Dit Pascha, - Paasfeest, - was eensdeels een oogstfeest. 't Begin van de oogst werd dan op feestelijke wijze gevierd; de Heere werd erkend als de Gever van alle zegeningen, ook van het veld. Anderdeels en vooral was het echter een feest, waarop het heilsfeit van de verlossing uit Egypte werd herdacht ; de Heere werd gedankt en geprezen om deze grote daad van Zijn almacht en genade. De bijzonderheden van dit Paasfeest zijn ons uit de Schrift bekend.

Daar was het slachten van het lam, waarvan geen been gebroken mocht worden en waarvan het bloed gestreken moest worden aan de deurposten en bovendorpels van de huizen, vanouds. Daar was verder het eten van dit lam, met de bittere kruiden, als herinnering aan de bittere slavernij in Egypte eens. En het eten van de ongezuurde platte broden als symbool van de haast, waarmee het volk éénmaal alles bereiden moest, omdat de Heere Zijn volk toen met haast wilde uitleiden; bovendien als symbool van het feit, dat het volk het zuurdesem van de zonde uit zijn leven moest wegdoen, opdat het als een verlost en nieuw volk ter ere Gods zou leven! Daarbij nog het drinken van de wijn, als teken van de vreugde, welke op het feest heersen mocht om de grote daden Gods. En het zingen van de psalmen, die herinnerden aan de uittocht.

Het is duidelijk, dat het Pascha, dat Jezus gehouden heeft met Zijn discipelen een bijzónder Pascha geweest is.

Immers, het Pascha, dat Israël telkens weer vierde, was dus een herinnering aan Gods machtige daden ter verlossing van Zijn volk, in het verleden, doch zo was het tegelijkertijd een zegel op het onder het volk verkondigde Woord, dat de Heere steeds was de God der verlossing. Dat Hij Zijn macht en genade op bijzondere wijze verheerlijken wilde in de bevrijding van zondaren uit de slavernij van de zonde.

Daarom wees het lam, bij het Pascha geslacht, heen naar Christus, hét Lam Gods. Geen verlossing toch, dan door Zijn bloed! Doch daarom was het bijzondere van het Pascha, dat Jezus met Zijn discipelen hield, dit, dat Hij bij het aanrichten daarvan Zich goed bewust is geweest, dat dat geweldige zo straks zou moeten plaats vinden! Dat Hij als hét Lam ter slachting geleid zou worden! Hoe ontroerend dan, dat Hij toen begeerde, dit Pascha met Zijn discipelen te eten! In alle plechtigheden, bij dit Pascha verricht, kwam de stille, doch dringende vraag uit de hemel van Zijn Vader tot Hem, om Zichzelf als dat Offer te geven. Hoe groot, dat Hij dit Pascha toch begeerde! Hoe groot tevens, dat Hij toen ook op een bijzondere wijze nog verder voor Zijn discipelen gezorgd heeft. En over hun hoofden heen eveneens voor allen, die door Zijn Woord in Hem zouden geloven, Zijn gemeente!

Israël kende dit Pascha, als inzetting Gods. Het had het nodig, om telkens herinnerd te worden aan Gods grote daden tot verlossing uit Egypte, en om telkens verzegeld te zien, dat de Heere een God was. Die steeds weer verlossingen werkt. Blijkbaar leefde het in Jezus' ziel, dat Zijn discipelen en Zijn gemeente in hun leven eveneens zulk een herinnering en verzegeling nodig hadden. Hij wist, dat Zijn discipelen het nodig hadden in dat bittere moment, waarop de Herder gesjagen zou worden en de schapen verstrooid, - en later, telkens opnieuw, wanneer zij staan zouden in deze wereld, geroepen tot een bijzondere roeping, terwijl de strijd hen niet bespaard zou worden en hun geloof vaak zwak, hun kracht vaak klein zou zijn. Hij wist, dat dit later ook van Zijn gemeente gelden zou.

Echter, wat heeft Hij zorg gedragen voor de zijnen! Straks zullen zij niet alleen Zijn Woord hebben, wat eigenlijk op zichzelf voor hen genoeg zou moe­ten zijn, maar dan zullen zij daarbij, evenals Israël een zichtbaar teken en zegel hebben van het heil, dat in Hem ontsloten is en vast ligt tot in eeuwigheid.

Het moet ons, telkens weer, wanneer wij hieraan denken, ontroeren, dat Christus, Die toch aan dat laatste Pascha wel genoeg met Zichzelf te stellen had, vol tere zorg dacht aan en bezig was ten goede van Zijn discipelen en van Zijn gemeente.

Intussen, - zo heeft Hij er dus voor gezorgd, dat ook Zijn gemeente dit zichtbare teken en zegel heeft ontvangen. Israël kende haar sacramentele maaltijd. Christus' gemeente heeft iets dergelijks ontvangen. Alleen, bij die maaltijd van Israël vloeide bloed; - die van Zijn gemeente is van het begin tot het einde zonder dat. Omdat, Christus' eigen bloed gevloeid heeft, en waar dat eenmaal geschied is moet de schaduw ervan vervallen. Waar het lichaam en de werkelijkheid zelf verschijnen, moet de schaduw wijken.

Zo deed Jezus het Israëlietische Pascha overgaan in het Nieuw-Testamentische Avondmaal. En zo nam Hij dus, volgens de woorden van de apostel in onze tekst, hét brood van dat Pascha en als Hij gedankt had, brak Hij het. Het offerlam en het bloed van dat lam mochten plaats maken voor het blanke brood en straks voor de drinkbeker met de wijn. Dit brood en deze wijn kunnen voortaan op een bijzondere wijze fungeren als zichtbaar teken van Zijn offerande en als zegelen van het heil, in die offerande voor de Zijnen gelegen. Noemde Hij Zichzelf niet hét Brood des levens én de ware Wijnstok?

De apostel schrijft nog, dat Jezus dankte, toen Hij hét brood nam. Wellicht sloot Christus hier aan bij de gewoonte onder Israël, om bij het Pascha den Heere te danken. Israël prees daarin de Heere als de Gever van de zegeningen in de natuur, in de oogst ontvangen, maar vooral als de Werker van de verlossing uit Egypte.

Wij vragen: toen Jezus dankte voor dat brood, had dit toen niet een diepe zin?

Zal Hij in Zijn ziel de Vader niet geprezen hebben om het feit, dat Deze Hem dit brood gaf en Hem in de gelegenheid stelde, dit voor dit bijzondere doel aan te wenden, en het te maken tot een zichtbaar teken van Zijn overgave en tot een zegel van de zaligheid, daarin gelegen? Maar hoe kon dit prijzen in Zijn ziel gevonden worden, als Hij niet tevens de Vader geprezen heeft om het feit, dat Deze nu het moment liet aanbreken, waarop de eigenlijke zin en de wezenlijke bedoeling van Zijn vleeswording duidelijk mochten worden. Zijn overgave tot het volmaakte Offer voor de verlossing van al de Zijnen!

En wat zal er in Jezus' ziel zijn omgegaan, toen Hij dat brood brak? Dit heeft immers eveneens een diepe zin gehad! Er werd toch door aangeduid, hoe Hij Zelf door de dood als gebroken zou worden. Niet, dat Zijn lichaam aan het kruis letterlijk dit lot zou ondergaan. Integendeel, Hem zou geen been gebroken worden. Toch zou Zijn sterven zijn een gebroken worden van Zijn aardse leven. Dit laatste zou op een heel bijzondere wijze gebroken worden!

Wel vragen wij hierbij: heeft dit breken van het brood, het verdelen hiervan in stukjes, ook niet dié andere betekenis, dat het zichtbaar wil maken, hoe de zegen van het Offer van Christus, straks gebracht, het deel wordt van velen? Velen, van Noord en Zuid, van Oost en West, zullen daaraan deel krijgen! Maar wat is dan het brengen van dit Offer, dat bedoelt tot een zegen te worden voor vélen, het volmaakte tegenbeeld van de zonde, welke de apostel in de Corintische gemeente moest signaleren! Dat men daar te veel zocht een bevrediging van zichzelf, ten koste van de anderen!

Nog éénmaal komen wij terug op het feit, dat Jezus dus bij de instelling van het Avondmaal brood en wijn maakte tot Sacramentele tekenen en zegelen. Welk een bereiding gaat daaraan vooraf, voordat het brood waarlijk brood is! Het graan sterft in de akker, de vruchten moeten geoogst, gedorst, geslagen. En welk een bereiding gaat daaraan vooraf, voordat de wijn waarlijk wijn is! Hoe moeten de druiven geperst! Het spreekt alles van het feit, dat er geen leven is, dan door de dood heen. Ook het breken van het brood en het uitgieten van de wijn spreken éénzelfde taal. Het verkondigt alles, dat Christus, omdat Hij in geheel bijzondere zin de weg van het sterven wilde gaan, een volkomen verzoening is voor al de zonden der zijnen.

Er ligt ook in het brood een voedende kracht, in de wijn een opbeurende en vrolijk stemmende kracht. Christus geeft de zijnen een leven, dat triumpheert zelfs over de dood en, als tegenhanger van de droefheid om de zonde, een vreugde, die alle verstand te boven gaat!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's