Overgang naar een nieuw tijdperk
III
Omdat zij de woorden Gods hadden weerstreefd en den raad des Allerhoogsten versmaad, had Hij hun hart door moeite vernederd; zij struikelden, en er was geen helper. (Psalm 107 : 11 en 12).
Het levensgevoel van deze tijd is gekenmerkt door een afkeer van overgeleverde zekerheden, zo werd de vorige maal opgemerkt. De invloed daarvan op de Kerk is terug te vinden in een duidelijk functieverlies van de Schrift en van de belijdenis.
Dit grijpt sterk in het leven van de Kerk in, zoals we aan enkele punten hopen duidelijk te maken.
De Kerk werd vatbaar voor het relativisme. Als in het moderne levensgevoel de autonome mens op zichzelf en zijn eigen bestaan wordt teruggeworpen, en normen van-buiten-af aan geldigheid inboeten, dan is elke mening van ieder mens toch alleen maar geldig voor die mens; een ander die iets anders beweert heeft evenveel recht van spreken: ieder heeft niet helemaal gelijk en niet helemaal ongelijk. De belijdenis der Kerk wordt van reflectie (n.l. van de openbaring Gods) tot een „projectie" (vanuit het innerlijk van mensen uit de Reformatie-tijd). Die belijdenis heeft óók niet helemaal ongelijk, en daarom mag hij rustig in art. X van de kerkorde blijven staan; maar ook niet helemaal gelijk, en daarom mag men tegenwoordig best wat anders be weren. — De z.g. „zwijgteksten" in verband met de vrouw in het ambt? Dat zei Paulus in zijn tijd. Maar wij leven nu in de onze. — Vóór het relativisme hoogtij vierde waren in de kerk ook al uiteenlopende meningen: deze werden door tegenover elkaar staande richtingen vertolkt. Nu echter zijn dit naast elkaar levende modaliteiten geworden. De leidende theologie kan zich niet voorstellen waarom die elkaar niet zonder uitzondering vreedzaam verdragen; de verschillen zouden immers maar betrekkelijk, relatief zijn?
Functieverlies van de Schrift en het relativisme, bevorderden een snel om zich heen grijpende onkerkelijkheid. De hedendaagse mens, die heimelijk of openlijk autonoom wil zijn, zal alleen daardoor al moeilijk door het Evangelie worden geraakt. Wij spreken menselijkerwijs: de Geest Gods doorbreekt alles als het erop aankomt. Maar hoe zal. hij horen „zonder prediking", d.i. als de Boodschap niet geladen wordt met het gezag waarop ze aanspraak kan maken. En nog minder als er een veelheid van meningen wordt vernomen die elkaar nog verdragen óók!
Als verborgen onderstroom is er in 't huidige levensgevoel nog wel verlangen naar zekerheid te herkennen, een afkeer van zichzelf en een vage hang naar ietsvan-buitenaf dat de verborgen onvrede doorbreekt en tot rust brengt. Men leze de belangrijkste moderne literatuur er maar op na. Maar de Kerk geeft dit iets niet, althans niet zó dat dit als een bevrijdende oplossing wordt gevoeld. Daarvoor neemt zij te weinig afstand van dit levensgevoel, identificeert zij zich te veel met deze moderne mens, en juist daarom spreekt zij er niet op aan. De vorige maal werd het pessimisme genoemd als een draad in het levenspatroon van deze tijd. De kerk voelt wel: dat kan niet. Zij heeft het Evangelie, de blijde Boodschap, uit te dragen. Zij doet het licht des Evangelies evenwel schijnen in een duisternis, die te vaak als zodanig niet wordt aangewezen, immers: die duisternis wordt niet in bijbelse zin als schuld, maar in hattemistische zin als lot opgevat. Daardoor moet de diepste betekenis van het Evangelie aan hen, tot wie de Kerk zich aldus richt, ontgaan. De genade is „billige Gnade", goedkope genade geworden, „goedkoop aangeboden, goedkoop aanvaard, goedkoop afgewezen" (prof. Berkhof, Crisis der middenorthodoxie, Nijkerk z.j., blz. 34). „De kinderen van de huidige generatie zullen verwonderd aan hun ouders vragen, wat ze eigenlijk met dat Evangelie wilden en ze zullen er van overtuigd zijn, niets wezenlijks te verliezen, wanneer ze zich om dit stuk der ouderlijke traditie verder niet bekommeren" (blz. 33).
De Kerk beseft wel, dat zij nu niet bepaald een greep op de tegenwoordige mens heeft. Deze situatie is benauwend.
De Kerk gevoelt dat en tracht die situatie weer wat in de hand te krijgen.
Zo heeft zij een open oog voor de vereenzaming van de moderne mens. De benadering van deze vereenzaming is echter meer psychologisch dan geestelijk (pneumatisch). Zulk een pneimiatische benadering zou met name uitgaan van het „Ik ben met u" van Matth. 28 : 20, uitgewerkt in Joh. 14 : 16—29. De prediking des Woords naar de mening van de Heilige Geest geeft een band van de gemeente met Christus en daarom ook met elkaar.
Deze samenbinding kan bezwaarlijk worden verwacht van vormen van het kerkelijk leven, die te psychologischopzettelijk het gemeenschap-zijn van de Kerk willen uitdrukken, van een geforceerd met de neuzen op elkaar drukken, buiten zulk een prediking om. In deze lijn ligt een zekere neiging tot liturgisme, een verrijking van liturgische vormen, uit vrees voor de leegte daar waar de Heere met Zijn Geest niet meer in een vermagerde en bloedeloze prediking present is. Wie in Scandinavië diensten meemaakt met een liturgie van een uitgebreidheid die het zweet doet uitbreken, en dan in een kapitale kerk in Kopenhagen in een morgendienst nog geen vijftig mensen bij elkaar ziet waarvan — dat schijnt daar oirbaar! — een deel nog tussen de preek en de liturgie - daarna wegloopt, die gelooft niet meer aan dat samenbindend vermogen van een objectief, mede in gebaren en gewaden voorgesteld heil.
Een gebruikelijke lijn in de huidige prediking is, dat met het verkondigen van het heil alles al is gebeurd. In het hart van de mens hoeft niets meer te gebeuren. Dit geeft aanleiding tot een overaccentueren van het Verbond, dat soms wel tot de hele wereld schijnt te worden uitgebreid. Daar vloeit een overspannen apostolaatsactiviteit uit voort, die met de „billige Gnade" gaat leuren uit vrees, mensen te verliezen of niet te winnen die bij het horen van de mogelijkheid van een niet-delen in het heil zouden weglopen of weg blijven. Dat men diegenen tracht te bereiken die het contact met de kerk verloren, kan op zichzelf niet anders dan geprezen worden. Dit te doen binnen een kader, waarin de bijbelse verzoening verwrongen wordt, is echter onverantwoord voor God en voor de mensen die men op het oog heeft maar niet wezenlijk bereikt.
Het relativisme in de Kerk draagt stellig ook bij tot de — stellig door het toenemend contact tussen de volkeren gestimuleerde — grote belangstelling voor de oecumene. Dat andere landen en kerken uit de schatkamer van de Schrift dingen naar voren kunnen halen die onder ons niet of niet meer zo de aandacht hadden, ligt in de aard van de rijkdom der Schrift; dat zij dat in de oecumene werkelijk doen is een goede zaak. Maar dit mag niet leiden tot een dubieus stellen van wat, gezien de continuïteit in het leven der kerk dat in zekere zin hangt aan de leer der apostelen, onder ons volkomen zekerheid moet hebben.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's