De kerk IN EEN VERANDERENDE MAATSCHAPPIJ
Tasten we mis als we stellen, dat ons kerkvolk er niet veel mee op heeft om na te denken over de gevolgen van de veranderende maatschappij voor het kerkelijk leven? De hele wereld is op drift en overal moet het vertrouwde beeld van weleer plaats maken voor iets anders ... als dan de kerk tenminste haar vertrouwd aspect maar bewaart. Als we in haar dan in elk geval maar mogen terugvinden wat aan vroeger herinnert! Daarom is de gedachte aan mogelijke gevolgen van de veranderingen voor het kerkelijk leven niet aantrekkelijk en zonder overdrijving mogen we wel zeggen dat de vormen van het kerkelijk leven voor menigeen eeuwigheidskarakter dragen. Men kan en wil zich maar liever niet verplaatsen in de mogelijkheid dat de wijze waarop nu 't kerkelijke leven beleefd wordt en de kerk naar buiten treedt, wel eens tot de voorbijgaande dingen zou kunnen behoren.
Het is vaak opgemerkt dat de kerk naar haar aard iets conservatiefs heeft. Ze wil en ze moet iets conserveren, bewaren, dat de moeite van het bewaren waard is. Ze staat in een traditie en haar opdracht is en blijft het volgende geslacht de daden Gods te verkondigen. Ze zal ook in de vormen, waarin zij dat doet, een bewarend karakter hebben. Zij zal daarin een zekere distantie handhaven van de tijdgeest, want het oude gezegde blijft waar: die de tijdgeest huwt, is spoedig weduwnaar.
Vorm van deze overdracht.
Maar daarmee is natuurlijk het laatste woord niet gezegd, zodat wij kunnen overgaan tot de orde van de dag en dus ook tot ons geijkt kerkpatroon. Juist als we de opdracht ernstig nemen dat de deugden Gods overgedragen woorden aan het volgende geslacht, zal de veranderde maatschappij ons onophoudelijk voor de vraag stellen naar de vorm van deze overdracht. Van overdracht mogen we eerst dan pas spreken als er van een werkelijke communicatie, dus van een werkelijk contact sprake is. En vergissen we ons, als we menen dat het gemis aan werkelijke communicatie de oorzaak is dat het met de overdracht naar het volgende geslacht en de wereld rondom zo mager gesteld is ?
Ter illustratie van het bovenstaande geef ik u iets weer uit een boek van een Duitse pred., Hans Storck, getiteld: Kirche in Neuland der Industrie, waarin deze breed ingaat op de gevolgen van de industrialisatie op het kerkelijk leven.
Hij wijst erop dat de veranderingen van vandaag voelbaar zijn in alle levensgebieden. Niet alleen in de wereld van de arbeid. Dat het daar anders toegaat dan vroeger door de mechanisatie, behoeft geen betoog. Maar ook het gezinsleven wordt er diepgaand door beroerd. Denk alleen maar eens aan de vrijetijdsbesteding en aan de vormen der recreatie van het heden. Terwijl de ongelijke en vaak verspringende werktijdenhet gezinskarakter sterk veranderde. Dat dit het kerkelijk leven ook aangaat en beïnvloedt spreekt voor zichzelf.
Vroeger leefde men in een nagenoeg gesloten familieverband. Men was op elkaar aangewezen in zieke en gezonde dagen. Men beleefde in het gezinsverband geboorte en dood, vreugde en rouw. Men verzorgde zijn zieken en gebrekkigen zelf. Men had het kerkhof nog midden in zijn leefruimte: als men naar de kerk ging passeerde men de graven. Nu wordt veel van dit alles verschoven naar de rand van ons leven — het werkelijk betrokken zijn bij ziekte en dood wordt al maar zeldzamer. De burenhulp is verdwenen en heeft moeten plaats maken voor de georganiseerde hulpdiensten van officiële instanties. En dit alles brengt met zich mee dat men niet meer als vroeger de kerkelijke gemeenschap als vertrouwde omheining kent, waarin men, al wras het dan onbewust, een geborgenheid beleefde.
Als we hier dan nog bijvoegen dat in een geïndustrialiseerde maatschappij de meerderheid der gemeenteleden niet meer werkt waar ze woont, zodat datgene, wat ze beroepsmatig beleven, eigenlijk buiten het gezichtsveld van de gemeente blijft, dan is de gevolgtrekking niet ver gezocht dat het al maar moeilijker wordt in 'n dergelijke maatschappij het kerkelijk leven nog vanuit de dorpsgedachte van vroeger te leiden. Storck concludeert: de pastorie en de dorpsgemeente (maar het geldt ook voor de wijkgemeente) kan daarom veel minder dan vóór 150 jaren deelnemen aan de beslissende gebeurtenissen in het leven der gemeenteleden. Zijn deelname gaat zich beperken tot geboorte, huwelijk en dood, maar dat ingrijpende stuk leven, dat in de fabriek beleefd wordt, wordt een vreemde zaak.
Dorp in de stad?
Dit zijn realiteiten, die m.i. maar één conclusie wettigen, dat we radicaal mistasten als we menen dat het „dorp in de stad", zij 't dan op vergrote schaal, de vorm is waarin de kerk zich heeft te presenteren. En tevens dat we af moeten van de voorstelling van een ds., die, in het kader van de dorpsgemeente, als een herder de schapen nog om zich heen heeft. Zodra ze in het arbeidsproces worden opgenomen, verdwijnen ze uit het gezichtsveld en kan hij ze niet eens meer volgen in hun beroepsmatige vreugden en zorgen, nederlagen en successen. Gevolg is dan ook dat het hem al moeilijker wordt, predikende de herkenning op te wekken, dat de aangesprokene in de gaten krijgt: het gaat over mij, dit is mijn leven en mijn situatie.
Herkenning.
Hierboven gebruik ik het woord herkenning. Hier gaat het om het feit dat de man in de kerk en buiten de kerk zich in de prediking der kerk ook werkelijk aangesproken weet en gevoelt.
Dat het appelleert aan wat hij als realiteit in zijn leven ervaart. Ik meen dat de H. Schrift ons duidelijk laat zien dat de prediking der apostelen in de begintijd der Christelijke Kerk Jood en Heiden uitdaagde. Ze konden er niet omheen, omdat de prediking inging in de werkelijkheid van hun denken en leven. Vanuit het Evangelie werd hun bestaan doorlicht. „Wij moeten niet denken", merkt Storck op, „dat dit geschiedt waar men in een overdreven en vaak gewild modem-zijn een soort existentialistische saus over de prediking giet. Het probleem ligt veel dieper. Het ligt in de opdracht vanuit het evangelie, te laten zien wat de mensen en groepen van vandaag beweegt. In de prediking, recht verstaan en recht gebracht, heeft een worsteling plaats, n.l. de worsteling Gods om de ziel van volk en enkeling. Ik denk aan de beroemde „Invocavitpreken" van Luther, na zijn terugkeer op de Wartburg naar Wittenberg, dat beroerd werd door allerlei anarchistische troebelen. Daar was nu werkelijk sprake van een goddelijke worsteling met het volk. Maar daar had ook ieder het gevoel dat het over hem ging.
Als wij doen alsof er niets veranderd is — want het Woord Gods verandert toch niet en de mens blijft in zijn aard dezelfde — waarom moet er dan over verandering gepraat worden ? Waarbij men echter vergeet dat ook de oude vormen, en dat geldt ook voor de preekstijl, aan een eenmaal heersend cultuurpatroon verbonden waren — zal de rekening ons steeds nadrukkelijker gepresenteerd worden in het oordeel dat de kerk weinig meer is dan een instituut voor een verouderde moraal, die wegsterft met een stervende cultuur en maatschappij. Dan spreek ik natuurlijk over de kerk in haar historische verschijningsvorm en niet over de Kerk, gelijk deze bij God gekend is.
(Overgenomen uit. Herv. Rotterdam).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's