De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Réveil

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Réveil

18

6 minuten leestijd

Otto Gerhard Heldring (4)

§ 4. Heldring, de christen.

We willen tenslotte enige aandacht besteden aan de mens Heldring. Of beter gezegd: aan de christen Heldring. Want van zichzelf was hij ook maar een zondaar, met vele gebreken en zonden. Maar door Gods genade heeft deze wat eenzijdige, hartstochtelijke man veel mogen doen in dienst van zijn Heiland. Door zijn practisch werk (de christelijke barmhartigheid) heeft het Réveil uitlopers tot" op vandaag. Naar Gods belofte — 1 Cor. 15 : 58 — is zijn arbeid „niet ijdel geweest in de Here".

Heldring was een rijk begaafd persoon. Hij had van God een sterke wil en een enorme werkkracht ontvangen. We worden er stil van, als we letten op de bergen werk die hij verzette, 's Morgens was hij gewoonlijk niet veel later dan om 4 uur op, en tot de late avond toe was hij bezig. Talloze binnen- en buitenlandse reizen maakte hij (vaak te voet!) om de belangen van hen, die in grote maatschappelijke nood verkeerden, te bepleiten. Zelfs als hij op reis was, stond hij nog om vijf of zes uur op om de copy van het Réveil-tijdschrift „De Vereeniging Christelijke Stemmen" te verzorgen. Ontzaglijk veel brieven heeft Heldring geschreven. Van zijn traktement van ƒ 700,00 had hij ƒ 200,00 — dus meer dan een vierde deel — nodig voor brief-porto's. Wat een tijd moet zo'n uitvoerige correspondentie ook niet gekost hebben.

Dat op 26 augustus 1845 de Réveilvrienden (ze noemden zich „Christenvrienden") voor 't eerst bijeenkwamen, was te danken aan het initiatief en doorzettingsvermogen van Heldring. Ook aan de schoolstrijd heeft hij zijn krachten gegeven. Hij heeft sterk gepleit voor christelijk onderwijs, en scholen, die liefst zo nauw mogelijk met de kerk verbonden zijn.

Het spreekt wel haast vanzelf, dat een man die zo hard werkte, verschillende malen overspannen geweest is, zodat hij in 't buitenland herstel van krachten moest zoeken. Maar God gaf hem steeds weer nieuwe kracht.

In dit alles bleef Heldring ootmoedig. Hij verhief zich niet op zijn werkkracht en successen. Toen hij, als blijk van waardering, een ridderorde ontving, sprak hij : Evenals Zacheüs is mij dit slechts ten deel gevallen door de komst van Christus in mijn leven.

Indien op iemand, dan is op Heldring wel van toepassing het woord van de apostel Paulus: „Ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen. Doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is". (1 Cor. 15 : 10).

Heldring was ook begiftigd met veel practisch inzicht. Hij was een pedagoog (opvoedkundige) bij de gratie Gods. Iemand met veel mensenkennis. Bovendien bezat hij de grote gave van humor. In alle tegenslagen en verdachtmakingen heeft hij dit ook hard nodig gehad.

In Heldring ontmoeten we een blijmoedig christen. In onze gemeenten zou hij waarschijnlijk iets „te licht bevonden" worden. En, zoals we in ons vorig artikel stelden, de theologische doordenking schoot bij hem ook wel eens wat tekort. Maar toch is de blijmoedigheid van Heldring geen oppervlakkigheid. Het hing samen met zijn karakter. En ze kwam vooral voort uit zijn kinderlijke omgang met de Here. In gebed en bijbellezen zocht Heldring zijn kracht. Maar daarna sloeg hij dan ook in vertrouwen op God met opgewektheid de hand aan de ploeg. Heldring was optimist, in meer dan gewone zin. Want hij was er heilig van overtuigd, dat God de diepstgevallen zondaar tot Zijn kind kan maken. Met die grote gedachten over Gods barmhartigheid verrichtte hij zijn vele, moeilijke werkzaamheden.

Ongetwijfeld had de christen Heldring ook zijn zwakke zijden en gebreken. Wat zijn houding tot de cultuur betreft, moeten we zeggen: Hij was bepaald niet a-cultureel. Hij had veel belangstelling voor de literatuur, al zal de tijd tot lezen hem wel eens ontbroken hebben. Hij las Vergilius, Pascal, Dickens en Shakespeare. Voor de cultuur in ruimere zin — de ordening van het maatschappelijk leven — heeft Heldring zich zijn hele leven ingespannen. We vinden bij hem niet het „kloosterlijke" van het Réveil: het zich van „de wereld" terugtrekken. Integendeel, Heldring ging met al zijn door God gegeven gaven midden in de wereld(ellende) staan.

Maar wel zouden we Heldring beperkt-cultureel kunnen noemen. Eén bepaald aspect van de cultuur — de dienst der liefde en der barmhartigheid — kreeg al zijn aandacht. Daardoor kwamen andere onderdelen van de cultuurtaak, als kunst, wetenschap en staatsieven, wel eens wat bij hem tekort. Dit is geen verwijt, want Heldring had onmogelijk meer kunnen doen, dan hij gedaan heeft. Hij was ook maar een beperkt mens, met beperkte krachten.

Van aanleg was Heldring wat slordig en wisselvallig. Daardoor was hij wel eens wat moeilijk voor zijn vrienden. Maar doordat hij graag open en eerlijk de dingen doorpraatte, en door zijn grote hartelijkheid, konden veel moeilijkheden worden bijgelegd. Een tijd lang heeft er enige verwijdering bestaan tussen Groen van Prinsterer en Heldring, over de manier waarop de schoolstrijd gestreden moest worden. Maar kort voor hun dood kwamen de beide oude vrienden weer bij elkaar. Heldring maakte de lange reis naar Den Haag, naar Groen. Biddend namen ze afscheid van elkaar: twee in de dienst van God vergrijsde dienaren — die in hun leven wel eens van opvatting verschilden — samen geknield voor één God. Ook aan het werkzame leven van Heldring kwam een einde. In 1867 werd hij emeritus-predikant, waardoor hij zich geheel aan zijn stichtingen kon wijden. Maar na het sterven van zijn vrouw, in 1873, was zijn grote kracht gebroken. Heldring heeft aan z'n vrouw zeer veel steun gehad. Er waren jaren, waarin ze alleen al aan 200 gasten voedsel en onderdak verschafte.

Na de dood van zijn vrouw kreeg Heldring, die in dit leven altijd zo hard gewerkt had, steeds meer heimwee naar de rust van het Vaderhuis. In het voorjaar van zijn laatste levensjaar wandelde hij dagelijks naar het kerkhof.

In juni 1876 hield hij z'n laatste preek over Hand. 7 : 60: „En als hij dat gezegd had, ontsliep hij".

Weldra werd hij ernstig ziek. Op 11 juli 1876 kon hij zelf niet meer uit de bijbel lezen. Op zijn verozek werd hem voorgelezen uit Psalm 42. „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? " Doch voordat de Psalm uit was, sliep hij in, en ontsliep. Na 72 jaar was er een einde gekomen aan dit leven, dat voor zovelen zoveel betekend heeft.

Zo haalde God Zijn trouwe dienstknecht Heldring thuis. Hij was een man met gebreken en eenzijdigheden. Maar de Heere heeft door zijn dienst aan onze kerk en aan ons volk veel geschonken. En naar Zijn eigen belofte heeft Christus op die 11e juli 1876 gezegd tot Otto Gerhard Heldring : „Gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten. Ga in, in de vreugde uws Heren .... Voor zoveel gij dit aan één van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat aan Mij gedaan".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het Réveil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's