Overgang naar een nieuw tijdperk
V (slot)
Ik ben den zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden. (1 Cor. 9 : 22)
„De wereld is anders geworden" is een slagzin die een werkelijkheid uitdrukt. In die wereld leven ook wij, die de rechtervleugel van onze Kerk vormen. Hoewel uit de aard van onze gebondenheid — als het goed is — aan het geloof van de Kerk der eeuwen niet zo geschokt door de veranderingen die zich voordoen, gaan deze niet aan ons voorbij. Enkele zaken werden al gememoreerd, waarin herziening van onze houding niet in aanmerking kan komen.
Waarvoor zou dit wel het geval kunnen of moeten zijn? Deze vraag wordt nu niet „atomistisch", in detail behandeld. Het gaat om algemene lijnen, een algemene houding. Steeds willen wij daarbij in het oog houden, dat wij gereformeerd zijn en willen blijven.
't Is nodig, dit nodig eens te beklemtonen. Tot nog toe betekende het niet veel goeds, als bepaalde figuren onder ons zich kerkelijk anders gingen gedragen, belangstelling toonden voor het geheel der Kerk. Zij konden dat moeilijk anders doen dan door zich meer in het grote geheel der Kerk te voegen dan de rechtervleugel over het algemeen gewend was te doen. Dat hield dan in : minder kritisch staan tegenover dat geheel der Kerk. Dat wekte niet ten onrechte wantrouwen.
Sinds de Richtlijnen van de Gereformeerde Bond, ligt dat wat anders. Deze wijzen in de richting van een grotere belangstelling voor de Kerk als geheel, niet om in dat geheel op den duur op te lossen, maar om het af te brengen van een heilloze tijdgebondenheid aan het heden, en het te benaderen met wat wij reeds noemden de steeds-actuele (en wèrkelijk-actuele) continuïteit in het leven der Kerk: de leer der apostelen.
Wij moeten dit gezamenlijk doen. Wij gaan daarbij niet op eigen houtje pionieren. Dat is vorige eeuws-individualistisch en aan de consequenties van dat individualisme hebben we de rommelige toestand van de Kerk-nu te wijten.
Wat onder ons moet worden herzien, kan worden gekarakteriseerd met: wij moeten meer extravert, naar buiten gekeerd worden. Wij ontkwamen niet aan het gevaar, te eenzijdig gericht te zijn op eigen groepsverband.
Dat is stellig onjuist. De gelijkenis van het avondmaal in Lucas 14 loopt uit op vs. 23: Ga uit en dwing ze om in te komen. Dan voelen wij met melaatsen van 2 Kon. 7:9: Wij doen niet recht, het is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Ook de Nieuw Testamentische gemeente, ook de Reformatie kenden zulk een uitgaan. Dat dit bij ons niet zo is, moet ons verontrusten. Wij zien de wereld om ons heen wegglijden in een geestelijk nihilisme: binnen in de Kerk zien wij zich het voorspel daarvan afspelen, en wij zouden maar toezien? Wij moeten gaan begrijpen dat het juist de gereformeerde, schriftuurlijke grondgedachten zijn, die in staat zijn in hun doorwerking het secularisatieproces te keren. Wij spreken hier van onszelf als groep. Niet ieder van ons zal hier gaven hebben. Ook al heeft men weet van het eerst nodige: persoonlijke godsvrucht, dan nog mogen wij geen lasten opleggen aan diegenen die ze niet kunnen dragen. Nochtans moeten wij de roeping verstaan, die ook de Reformatie verstond, en het als schuld ervaren als wij daaraan niet toekomen en als er zo ook van onze gemeenten geen werfkracht uitgaat.
Werfkracht. Dat geldt zowel in als buiten de Kerk. Wat een taak! Dat moet ons uitdrijven om de geest des tijds te leren verstaan, haar gevaren te onderkennen en te bestrijden met de geestelijke wapenen, waarop Schrift en belijdenis ons wijzen. Indien wij te weinig met deze dingen bezig of nalatig zijn, moet 't ons verontrusten". (Richtlijnen van het hoofdbestuur van de Geref. Bond, blz. 15).
Bij een meer extraverte gerichtheid binnen de Kerk kan aan het volgende worden gedacht.
De gereformeerde gezindte in onze kerk voltooie het zich losmaken van een reactie-verleden. Ging de vorige eeuw de confessionele prediking naar is aan te nemen uit reactie tegen de Doleantie met zijn sterke nadruk op de gelovige, wedergeboren mens een meer objectivistische inslag vertonen, waarin Verbond en roeping sterk werden geaccentueerd, de Geref. Bond kon, zich daartegen terecht afzettend, zich niet altijd onttrekken aan de invloed van een „gemeente-theologie" waarin de uitverkiezing teveel domineerde. Zulk een lijdelijke onderstroming is nog altijd in bepaalde gemeenten te onderkennen en remt ook een bezig zijn in en buiten de Kerk. Deze onderstroom blijve een voorwerp van zorg, en worde niet hoog hartig, maar priesterlijk-barmhartig tegengekomen.
Daarnaast rekene de prediking ermee dat de mens zo niet altijd al, dan zeker in de tegenwoordige maatschappij gemangeld wordt, en dan op zondag werkelijk „gesterkt" wil worden, „teerkost" wil ontvangen. De prediking moet daarom niet, zoals soms gebeurt, abstract blijven. Behalve dat wij er dan zelf meer aan hebben, zal hij ook anderen eer aanspreken.
Wij moeten niet alleen de eigen groep, maar de hele Kerk in het oog houden, hoe moeilijk ons dat ook valt. Het gaat er niet om, onszelf in de Kerk de grootste en beste plaats te bezorgen, maar de hele Kerk tot de gebondenheid aan Schrift en belijdenis te brengen, die eerste voorwaarde is voor haar werkelijke bloei en haar functioneren als openbaring van 't lichaam van Christus. Daartoe moeten wij minder antithetisch worden, ons minder afzetten tegen „de anderen", en meer thetisch: de gegevenheden uit de Reformatie en van het heden zó doorlichten, dat die „anderen" er toe kunnen komen dat zij „met ons gaan en doen als wij". Een werk des Geestes, ongetwijfeld; maar wij moeten middel willen zijn. Wij moeten minder reflectief zijn, d.i. niet pas in het geweer komen als een ander wat vreemds zegt, maar uit onszelf eens wat bedenken en zeggen.
De gerichtheid op de gehele Kerk is ook zo belangrijk met het oog op de naoorlogse migratie van de bevolking: gereformeerde minderheden hebben waar en indien mogelijk een zoutend zout te zijn, en niet-gereformeerde minderheden moeten zich in onze gemeenten niet als een kat in een vreemd pakhuis voelen anders dan om de leer; wij moeten beweeglijker zijn in het opvangen van deze mensen. Overigens alle respect voor de moeite die men zich nu al in gemeenten met een gereformeerde meerderheid geeft; en dat nog wel tegen de hindernis van de scheurgemeente in, een hindernis n.b. door de leiding der Kerk zelf opgeworpen.
Buiten de Kerk gelden overeenkomstige overwegingen. De natuurlijke mens verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn — daaruit distilleren wij een onoverbrugbare kloof tussen ,,de wereld" en ons, alsof die natuurlijke mens niet bij ons en in ons gevonden werd. Wij camoufleren daarachter ons onvermogen — en onze onwil of gemakzucht? — om de moderne mens uit te halen uit zichzelf en hem zijn eigen staat voor God èn het heil zoals dit in Christus als het vleesgeworden Woord is geopenbaard zó te laten zien, dat hij ook in deze inderdaad andere wereld wordt binnengeleid, en daarvan zo de Heere wil door de vruchtdragende werking des Geestes iets gaat verstaan en komt tot de vreze des Heeren. Wij wijzen er te vlot op, dat dit het werk is van de Heilige Geest, wat zo is, maar ons niet van verantwoordelijkheden ontslaat.
De reformatorische gegevenheden hebben een blijvende actualiteit en kunnen dus bij uitstek ook de moderne mens aanspreken, die in spanning en onzekerheid verkeert door het zich overgeleverd weten aan „de machten", terwijl toch Christus de enige werkelijke Machthebber is. (Matth. 28 : 18). Zo is , er aanleiding voor een wervend inwinnen ook van de mens, die van God vervreemdde mede door de schuld der Kerk en daarin ook door ons.
Wij hadden altijd, sociaal gezien, een wat beperkte basis. Dat trekt andere bevolkingsgroepen niet aan. Hopelijk zal het ons worden vergund ons aan deze sociale eenzijdigheid te onttrekken, wat meer oog te krijgen voor wat er in de wereld te koop is en wat beter in staat te zijn, de moderne mens in zijn leegheid, zijn weeldebelustheid, zijn onzekerheid, zijn geen raad weten met de dood, zijn moeheid-van-alles tegen te komen en in aanraking te brengen met die God, die het leven is en leven geeft aan ieder, die zijn schuld voor Hem heeft leren kennen en belijden.
Nogmaals: wat een taak ! Wat zijn wij van de vervulling ver verwijderd. Wij moeten willen en kunnen, al is dat natuurlijk niet in eigen kracht. De Heere geve ons wel in de allereerste plaats Zijn heil te zien en te ervaren, want zonder Hem kunnen wij niet optrekken. Wijsheid hebben wij in ruime mate nodig. Dat wij ze van Hem begeren!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's