Het tijdgeloof
2
De vorige maal zijn we begonnen met er op te wijzen, dat de gereformeerde theologie altijd zich heeft bezig gehouden met het onderscheid tussen het waarachtig, zaligmakend geloof en een op het geloof gelijkend surrogaat, dat wel 1) onder invloed van het Evangelie ontstaat, maar toch eigenlijk niet meer is dan een voortbrengsel van het natuurlijk hart. (1) In het vorige nummer stond abusieveijk „niet". )
Ook Calvijn heeft zich hiermede bezig gehouden.
In zijn Institutie boek III hoofdstuk 2 zegt hij: De ervaring leert, dat de verworpenen soms door een nagenoeg gelijk gevoelen worden getroffen als de uitverkorenen, zodat ze zelfs niet, naar eigen oordeel, in enig opzicht van de uitverkorenen verschillen.
Calvijns gedachten gaan dan naar de waarschuwingen van Hebreen 6 en hij zegt: daarom is er niets ongerijmds in, dat hun door de apostel een smaak van de hemelse gaven en door Christus een tijdelijk geloof wordt toegeschreven: niet omdat ze de kracht van de geestelijke genade en het zekere licht des geloofs geheel en al in zich opnemen, maar omdat de Heere, om te maken, dat zij des te meer van schuld overtuigd en des te minder te verontschuldigen zouden zijn, in hun harten binnendringt, voorzover zonder de Geest der aanneming tot kinderen Zijn goedheid gesmaakt kan worden.
Calvijn spreekt van lagere werkingen des Heilige Geestes in de verworpenen, die het niet verder brengen dan een onduidelijk besef der genade, zodat ze veeleer een schaduw aangrijpen dan een massief lichaam. En even verder: „ik ontken niet, dat God hunne harten in zoverre verlicht, dat zij Zijne genade bekennen, maar dat gevoelen onderscheidt Hij zo van het bijzondere getuigenis, dat Hij Zijn uitverkorenen geeft, dat ze niet komen tot een grondige uitwerking en genieting".
Het verdwijnend gevoelen van het tijdgeloof vergelijkt Calvijn met een boom, die niet diep genoeg geplant is, ook al draagt hij gedurende enige jaren niet slechts bladeren en bloemen maar zelfs vruchten. Hierbij is niet helemaal duidelijk welke vruchten Calvijn hierbij op het oog heeft.
Een andere vergelijking, die hij gebruikt is deze, dat God de Zijnen met de kennis van het Evangelie drenkt terwijl anderen er slechts mee besprenkeld worden.
Soms, zo zegt hij, wekt het gevoel van Gods genade in de tijdgelovigen zelfs enig verlangen naar wederliefde, zoals b.v. Saul een tijdlang een vrome gezindheid heeft gekoesterd. Deze overtuiging van Gods vaderlijke liefde is, volgens Calvijn, niet stevig geworteld. Er is geen grondige wederliefde als kinderen en ook is er geen krachtig levend vertrouwen, waardoor ze met volle mond Abba, Vader roepen.
Daarom vermaant Paulus Timotheus tot een ongeveinsd geloof. Want „de tijdgelovigen matigen zich vermetel aan wat ze niet hebben".
Niet altijd is hier sprake van bewuste onoprechtheid. „Hieruit blijkt wel", aldus Calvijn, „dat sommigen het geloof niet veinzen, die toch het ware geloof missen, maar daar ze door een plotselinge drang van ijver gedreven worden, bedriegen zij zichzelf door een valse mening".
Hier ontbreekt het passende zelfonderzoek.
Calvijn herinnert aan Johannes 2 : 24, waar gesproken wordt van mensen, aan wie Christus Zichzelf niet betrouwde, hoewel ze toch in Hem geloofden. Velen vallen van het algemeen geloof, dat een grote gelijkheid en verwantschap heeft met het levend en blijvend geloof, af. Daarom vermaant Christus in Zijn Woord te blijven (Joh. 8 : 31) en waarschuwt Hij, dat alle boom, die Zijn Vader niet geplant heeft, uitgeroeid zal worden. (Matth. 15 : 13). En Paulus spreekt van degenen, die het goede geweten prijsgevende, van het geloof schipbreuk geleden hebben.
Uitvoeriger dan Calvijn besteden de mannen van de Nadere Reformatie aandacht aan het wezenlijke verschil tussen het tijdgeloof en het oprecht geloof. Ik denk hierbij om enkele te noemen aan Brakel in zijn Redelijke godsdienst, aan Petrus Immens in zijn Godvruchtige Avondmaalganger, aan W. Guthry (des Christens groot Interest), aan Van der Groe en de Erskine's, die vaak spreken van een vermetel geloof, aan vele Catechismusverklaringen uit die tijd, waarbij vaak dezelfde voorbeelden uit de Schrift en dezelfde onderscheidingen worden gebruikt.
Zij zijn er zich van bewust, dat ze te doen hebben met een moeilijke materie.
Ze merken op, dat het zeer moeilijk is, om een waarachtig gelovige, maar die in het donker leeft, te overtuigen, dat ondanks alle duisternis en bestrijding, toch de wezenlijke kenmerken van het leven des geloofs bij hem gevonden worden.
En het is ook moeilijk om de ingebeelde gelovige te overtuigen, dat hij geen deel aan Christus heeft omdat het geen waarheid in het binnenste is.
De kleingelovigen lopen gevaar te streng te oordelen en te streng te handelen tegenover zichzelf. Zij willen aan alle kenmerken tegelijk zich toetsen en nemen die kentekenen dan ook nog in een grote mate als maatstaf. Daarentegen zullen de tijdgelovigen juist uit tegenzin tegen het zelfonderzoek, tóch deze dingen vluchtig afdoen en zich aanpraten, dat zij de genoemde zaken bezitten.
Deze schrijvers spannen zich daarom uitermate sterk in, om aan de ene kant de waarachtige christen op z'n slechtst te tekenen en daartegenover de schijngelovige op z'n best. Daar is het gevaar niet denkbeeldig, dat men er niet uitkomt. Dat men in zichzelf blijft rondwroeten, en zoals iemand gezegd heeft, probeert met een ladder van kenmerken over de muur van het koninkrijk der hemelen te klimmen inplaats van binnen te gaan door de deur, n.l. door de enige Middelaar Jezus Christus.
Bovendien is er het gevaar, dat de onbevangenheid tegenover de verkondiging van het Evangelie en de spontaneïteit van het geloofsleven ernstig belemmerd worden, wanneer men altijd maar datgene wat er in het eigen hart omgaat, om en om werpt en daardoor het zicht op het voorwerp des geloofs verliest.
Dat neemt niet weg, dat deze mannen ons vele ernstige dingen te zeggen hebben, en dat wij wel zullen doen ons door hen te laten onderwijzen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's