De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

12 minuten leestijd

Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in de schuld des doods, bedroeven de Heilige Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hun consciëntie en verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade; totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg wederkeren, het vaderlijk aanschijn opnieuw verschijnt.

Hoofdstuk 5, artikel 5.

Het gevoel der genade.

De vorige keer schreef ik over het gevoel der zonde. Is er nu ook een gevoel der genade ? Ons belijdenisgeschrift gaat daarvan uit, als het spreekt over een verliezen van het gevoel der genade.

De geloofswerkzaamheden gaan niet buiten het gevoel om. Ten eerste verwekt het geloof der Wet een grote schrik en ontroering. Boston schrijft in zijn ,,Verbond der genade": „Al wie dan in het Verbond wil treden, moet in de eerste plaats een geloof van de Wet hebben, om welke oorzaak het nodig is, dat de Wet, zowel als het Evangelie, aan de zondaren gepredikt wordt. En dat geloof van de Wet bestaat in een geloof van deze drie dingen.

Primo. Daardoor gelooft een mens dat hij een zondaar is. De heilige Wet verklaart hem schuldig. En hij gelooft het bericht van de Wet, ten aanzien van zichzelf in het bijzonder. Zijn bezwaard en bedroefd hart weergalmt door dit geloof op de stem der Wet: schuldig, schuldig. (Rom. 3 : 19). Dit geloof steunt niet op het getuigenis van een mens, gesproken of geschreven, maar het is een Goddelijk geloof, gesticht op het getuigenis Gods, in zijn heilige Wet, bewezen door de Geest der dienstbaarheid, de stem des eeuwigen Gods, en de stem van dien God aan hem in het bijzonder.

Secundo. Daardoor gelooft een mens, dat hij is een verloren en bedorven zondaar, onder de vloek der Wet, aan de wraak onderhevig, overeenkomende met het Goddelijk getuigenis uit Gal. 3 : 10: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het Boek der Wet om dat te doen". Hij kan die vloek niet meer aanzien als een vreemde zaak, die alleen aan enige monsters van goddeloosheid en niet aan hem behoort. De Geest des Heeren past die immers direkt op hem toe, alsof Hij zeide: Gij zijt die man. En gelijk iemand, die ter dood verwezen is, zo roept zijn geloof er van uit, onder de drang van hetzelve: Ik verga. (Luc. 15 : 17).

Tertio. Daardoor gelooft een mens zijn gehele onmacht en onbekwaamheid om zichzelf te herstellen. Hij gelooft, dat hij door geen doeningen of lijden van zichzelf de vloek der Wet van zich kan weren, noch zijn eigen natuur, hart en leven kan veranderen zodanig, dat die Gode welbehagelijk zijn. „Zal ook een moorman zijn huid veranderen? (Jer. 13 : 23). Hij is in zijn eigen ogen als in het gezicht van God, een geestelijk dood mens: wettelijk dood en zedelijk dood gelijk de Apostel van zichzelf in dat geval getuigt. (Rom. 7 : 9).

Dit is het geloof van de Wet. En de uitwerking ervan is een wettelijke bekering, waardoor een zondaar, uit vrees en schrik voor de toorn Gods, gebroken en verbrijzeld wordt, over de zonde bedroefd is en treurt, als een bedervend en verderfelijk kwaad en derhalve daarvan wezenlijk tracht bevrijd te worden, bij zichzelf aan de zaligheid wanhoopt en ernstig naar een andere weg van vertroosting uitziet".

Over dit gevoel der ellende hebben we voorts getuigenis uit het leven van Augustinus, Luther en zeer veel andere kinderen Gods.

Maar nu het gevoel der genade. Waar bestaat dit in ? De Schrift spreekt van een gevoel van vrede. De Heilige Geest brengt deze vrede tot het hart van de gelovige. Dat is echter niet een gevoel, waar de mens zelf over beschikken kan. De Heere brengt de mens tot het geloof en verwekt zo vrede in de consciëntie. Dat is niet het werk van één bepaald ogenblik, maar van een gedurige bear- . beiding. Daarom schreef Paulus aan de gelovigen: „De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap, en vrede in het geloof".

Deze vrede is alleen voor de gelovigen. De onbekeerden en goddelozen hebben in de regel een dode en ongevoelige consciëntie en omdat hun geweten hen niet bijt, beelden zij zich in, dat zij bij God wél staan en vrede met God hebben. Dit is een vergissing. Daarom mag ieder zich wel afvragen of hij het gevoel der ellende gekend heeft en nog kent, als hij meent het gevoel der genade te hebben. Van de onbekeerden zegt Jesaja 57: „De goddelozen zijn als een voortgedrevene zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geven vrede". Toch beelden zij het zich vaak in. De vrede is een schat, die God uitdeelt door de dagen en nachten heen. De Heere laat er zijn kinderen zoveel van smaken als hun het best is volgens de belofte uit Jes. 18, 19: „ik zie hun wegen en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden en hun vertroostingen wedergeven, n. l. hun treurigen. Ik schep de vrucht der lippen: vrede, vrede dengenen, die ver zijn, en dengenen, die nabij zijn".

De boom des vredes heeft verschillende takken. De apostel schrijft van Jezus: „Hij is onze vrede". Niet alleen sterkgelovigen, doch ook zwakgelovigen hebben soms iets van dit gevoel der genade. Dit gevoel is wisselend. Bij de een is het een gestadige regen, bij de ander is het zwakker of sterker, doch meer bij tijden. Die vrede of dat gevoel der genade kan bestaan in een stille bedaardheid der ziel. Menigeen van Gods uitverkorenen moet door een onstuimige zee van diepe moedeloosheid heen. Hij vindt geen vertroosting. Maar dan kan het gebeuren, dat de stille stem van het Evangelie doordringt. Het bulderen van de Wet houdt even op. Het Evangelie dringt krachtig door in de ziel. De hoop op genade krijgt de overhand. De ontroerde, de biddende, de op Christus ziende ziel krijgt niet altijd een vaste verzekering, dat ze in vrede met God staat, maar krijgt toch soms moed, dat God, Die het goede in haar begonnen is, haar verder en verder zal helpen. Een klein beetje vrede.

Het kan ook gebeuren, dat een aangevochten mens verblijdt wordt door de mogelijkheid, die hij daarin ziet, dat er vrije genade is en dat zij verheerlijkt wordt aan de doemwaardigste der zondaren.

En wat een gevoel van blijdschap vervult Gods volk als het inwendig verjicht wordt en de onuitputtelijke zaligheid mag zien, die er is in de Verbondsgod. Dat gaat niet buiten het gevoel om. Daar zijn tijden in het leven van Gods kinderen, dat zij een oceaan van barmhartigheid in God zien en een onuitsprekelijke vrijheid voor de ellendigen om er gebruik van te maken. Als we in de kerk zingen: „Hier wordt de rust geschonken", dan is dat geen wensdroom, maar dan hebben Gods kinderen die rust ervaren. Waarin bestaat dan die rust ? In een gelovige en gevoelige gewaarwording van de genadige vergiffenis van al zijn zonden, alleen om de genoegdoening van Jezus. De schuldige ziet, dat zijn zonden uitgedelgd zijn als een nevel en dat God ze ver van Zich heeft weggedaan. De banden des doods worden losgemaakt, de gevangenis gaat open. De aanklagende consciëntie is stil. Dan gebeurt het ook, dat Gods liefde in de ziel wordt uitgestort door de Heilige Geest. Dit is allemaal gevoelige genade. In deze tijd kan het wezen, dat de getrooste zondaar zo gemakkelijk bidden kan. Hij merkt God aan als zijn Vader en nadert als een kind tot God. Zulken hebben ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader. (Rom. 8 : 15). Wat kan de verzoening met God een blijdschap geven. De mens verheugt zich, dat zijn zonden vergeven zijn en dat de Heere hem tot Zijn gunstgenoot heeft aangenomen. De profeet zegt: „Ik ben zeer vrolijk in den Heere; mijn ziel verheugt zich in mijn God; want Hij heeft mij bekleedt met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan". (Jes. 61 : 10).

Alzo blijkt, dat het herstel in de rechte verhouding tot God de hele mens raakt. Het verstand wordt verlicht, de wil overgebogen, het gevoel bewogen. Bunyan heeft dit op twee wijzen in zijn Christenreis beschreven. Eerst bij Christen: „Nu zag ik in mijn droom dat de straatweg, dien Christen op moest gaan, aan beide kanten begrensd was door een muur, die de „muur der verlossing" heette. Christen sloeg deze weg in, maar vorderde slechts langzaam, omdat de zware last nog altijd op zijn schouders drukte.

In de verte zag hij een heuvel en op de top van die heuvel stond een kruis, terwijl beneden in het dal een wijdgeopend graf lag. Toen Christen dit kruis bereikt had en er vol bewondering naar opzag, gleed het pak plotseling van zijn schouders af. Het viel op de grond. Het rolde al lager en lager de heuvel af en verdween eindelijk geheel in de duisternis van het geopende graf.

Christen voelde zich zeldzaam verlicht. Hij juichte: „Christus heeft mij rust gegeven door Zijn kruis. Hij heeft mij het leven bereidt door Zijn sterven. Een ogenblik stond hij stil, verwonderd en diep verrast. Hij kon niet begrijpen, dat één enkele blik op het kruis hem zoveel verlichting had geschonken. Hij bleef lang op het kruis staren. Hij omhelsde het met zijn blikken. Tranen van dankbaarheid welden op in zijn ogen . . . . Het verstand wordt dus getroffen door het zien. De wil blijkt overgebogen, want hij bewondert het kruis. Zijn gevoel wordt heel sterk getroffen. Het gevoel der genade is hier duidelijk beschreven.

„Hoop" vertelt zijn ervaring met de volgende woorden: „Ik vroeg: „Maar, Heere, kan zo een groot zondaar als ik ben, wel door U aangenomen worden, wilt Gij hem ook zalig maken? Toen hoorde ik het woord: „die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen". (Joh. 6 vs. 37). En ik zei de: maar, Heere, hoe moet ik U beschouwen om U op waardige wijze aan te nemen? Hij zei de: „Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken". (1 Tim. 1 : 15). Hij is het einde der Wet tot rechtvaardiging van een ieder, die gelooft. (Rom. 1 4' : 4). Hij is gestorven voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. (Rom. 4 : 25). Hij heeft ons liefgehad en ons van onze zonden gewassen in Zijn bloed (1 Tim. 2: 25). Hij leeft altijd om voor ons te bidden. Uit al deze woorden werd het mij duidelijk, dat ik de ware gerechtigheid in Zijn persoon en de vergeving in Zijn bloed moest zoeken. En ik geloofde, dat alles wat Hij gedaan had om de Wet Gods te vervullen en de vloek te dragen, niet was geweest voor Hemzelf, maar voor degenen die door het geloof Zijn verdiensten zouden aannemen. En toen vloeide mijn hart over van blijdschap, mijn ogen van tranen. De diepste roerselen van mijn ziel werden door Jezus' liefde gelokt om voortaan voor Hem te leven en niets anders meer te beminnen dan Zijn naam. Zijn volk en Zijn wegen".

Het kind Gods ervaart in meerder of minder mate dit gevoel der genade. Maar nu zegt ons, artikel, dat de grove zonden dit gevoel doen verdwijnen, al nemen ze de genade niet weg. Waarin bestaat dat verliezen van het gevoel der genade? Dan verbergt God Zich en het is voor de gelovige alsof er voor hem geen Vader meer is. In Jes. 57 : 17 lezen we: „Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verbergde Mij". Dan is het net alsof er geen Christus is. Petrus schreef: „U dan die gelooft is Hij dierbaar". Maar deze — als zij weer naar de Heere Jezus gaan vragen, vinden geen Heiland. Hij is voor hen weg. Dat deed de Psalmist vragen ten opzichte van God: „Hoe lang zult Gij uw Aangezicht van mij verbergen? " Voorts houdt de Heilige Geest op met Zijn invloeden. Daardoor is er niets dan leegheid, onrust, gejaagdheid. De profeet klaagt: „Waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden? Het gerommel uws ingewands en uw barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in". (Jes. 63 : 15). Dan loopt een mens verlaten rond. Het is duisternis van buiten en van binnen. Hij is van kracht beroofd en radeloos, want de Heere Jezus weigert hem raad te geven. Neemt zon gevoelloze gelovige zijn toevlucht tot het Woord Gods, dan is 't voor hem een gesloten boek. Hij vindt er voor zichzelf niets in.  De mooiste woorden uit de Schrift verschrikken meer dan dat zij verkwikken. Het Woord klemt niet en heeft geen kracht op hem. Immers de Geest is er niet bij. Die werkt er niet door, daarom heeft het geen kracht. Zo sluit de moedeloosheid het hart toe en de geest is als de akker in een barre winter. Want de Heere Jezus en de Heilige Geest, die 't hart brandende plachten te maken, verwarmen hem niet meer.

Wat denken deze ongevoeligen nu ? Zij denken dat zij nu verworpen zijn en dat zij nooit genade gehad hebben en dat hun ondervindingen maar uiterlijke verlichtingen zijn geweest. De gedachte wordt al sterker, dat God hen nu in Zijn toorn verworpen heeft en dat de Heere hen nooit Zijn genade zal bewijzen. Soms wordt deze man door hopeloosheid zo dood en ongevoelig, dat geen ding hem meer kan ontroeren. Het is echter of hij bij tijden een doodsteek in zijn hart krijgt. Waar loopt dit op uit? Er is een volharding der heiligen, d.w.z. God volhardt met hen genadig te zijn. Deze arme mens kwijnt als een verlaten vrouw. Zijn leven verteert van droefheid. Maar God ondersteunt dezulken heimelijk. Door Zijn onveranderlijke genade jegens hem zal Hij deze wereld herstellen. Hij zal naar zijn hart spreken en hem vertroosten. De ongevoeligheid, het missen der genade blijft niet altijd. De Heere spreekt : „Ik zal niet eeuwiglijk twisten en zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de Geest zou van voor mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb. Ik zie hun wegen en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, nl. aan hun treurigen". (Jes. 57 : 16, 18).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's