Het tijdgeloof
3
De schrijvers uit de 17de en 18e eeuw vooral uit Engeland en Schotland, naast die uit ons eigen land, wijzen ons op verschillende gestalten, van wie we bijzondere dingen in de Schrift lezen; die in de kring der gemeente geleefd hebben, lange tijd veel goeds beloofden en toch afvallig werden.
Er kan berouw zijn als bij Kaïn, bij Achab, bij Saul en bij Judas. Men kan, zoals deze laatste, apostel zijn geweest of zoals Demas evangelist, men kan ingedrongen zijn in de zaal van het koninklijke bruiloftsmaal of met de dwaze maagden in het gezelschap der wijze maagden opgetrokken zijn Jezus tegemoet, men kan menen in te gaan en toch niet kunnen, men kan door dé kennis van de Here Jezus Christus de besmetting der tegenwoordige wereld ontvloden zijn en later daar toch weer ingewikkeld raken; men kan zelfs in de naam van Jezus vele krachten doen en zich daarop verlaten en toch verworpen worden met een: Ik ken u niet, vanwaar gij zijt.
Men kan op de zandgrond gebouwd hebben en het voorspoedig opgetrokken huis kan toch in elkander storten, wanneer de winden waaien en de regenstromen het ondermijnen.
Al deze waarschuwingen staan in de Schrift tot onze lering geschreven, opdat wij onszelf recht zouden beproeven en niet op dezelfde wijze bedrogen zouden uitkomen.
Eén van de kenmerkende dingen van het tijdgeloof is de oppervlakkigheid. Dat ligt ook in de gelijkenis van Matth. 13 opgesloten. Die oppervlakkigheid heerst eigenlijk over de gehele linie. Dat begint al bij de kennis van de ellende. Velen doen alsof die kennis eigenlijk helemaal niet nodig is. Want Jezus heeft toch aan het kruis de straf gedragen en alles voldaan! Daarmee is de noodzaak van een dieper graven in de bodem van het eigen hart niet meer aanwezig.
Veeleer past het de mens, zo zegt men, om, in Jezus gelovende, uiting te geven aan z'n dankbaarheid voor het werk van de grote Hogepriester onzer belijdenis.
Maar intussen heeft men de ellende van zijn eigen hart niet gepeild. Want het gaat er niet om, dat wij van de straf der zonde verlost worden en dus niet behoeven te vrezen voor het eeuwig oordeel, maar dat wij leren hoe groot onze zonden en ellende zijn.
Bij de tijdgelovigen is er wel een erkennen van het feit, dat we allen zondaren zijn en veel „te kort komen".
Maar het zondebewustzijn is oppervlakkig en heeft zelden betrekking op de innerlijke geestelijke verdorvenheid van het eigen hart. Wanneer er geklaagd wordt over de zonde, is het over een bepaalde grove zonde, zoals bij Kaïn, Saul en Judas. Maar daar is niet de hartelijke droefheid, die we bij David en bij Petrus aantreffen en die Paulus doet klagen in Rom. 7 : ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods ?
Het is niet een geestelijke droefheid, niet een droefheid over de zonde als zonde tegen God, niet een droefheid over de vele en toch zo grote zonden van onze gedachten en begeerten, niet een droefheid over ons zondaar-zijn en over het gemis aan gemeenschap met God.
Zoals in de gelijkenis van de zaaier onder de dunne laag aarde de steenachtige ondergrond verborgen zit, zo is bij de tijdgelovige het stenen hart nooit recht verbroken en veranderd in een vlezen hart.
De zonde is voor het tijdgeloof geen zaak, waar men mee te strijden heeft, z'n leven lang, en die zulk een vaste greep op ons heeft, dat we ons in eigen kracht daaraan niet ontworstelen kunnen. De tijdgelovige kent niets van de wisselende gestalten der ziel, die ons in de Psalmen getekend worden. Hij kan eigenlijk niet begrijpen, dat Heman, de dichter van Psalm 88, toch ook bij Gods kinderen behoort en dat Asaf zich vol bekommering afvraagt of God Zijn barmhartigheid door toom heeft toegesloten en vergeten heeft genadig te zijn. Psalm 116 vindt men wel een mooie Psalm en men zingt wel graag in het bijzonder in een Avondmaalsdienst : Ik lag gekneld in banden van de dood.
Maar men vindt dat lied mooi om de dramatische kracht van de tegenstellingen en men is gevoelig genoeg van aanleg om die te kunnen waarderen.
Maar 't is er mee als in een schouwburg. Men ziet daar op het toneel allerlei situaties voorgesteld. Men leeft daar gespannen in mede. Men voelt zich een held met de held en bedroefd met de bedroefde. Maar dat wil niet zeggen, dat deze zelfde toeschouwer in het werkelijke leven zulk een held is en zulk een medelevend mens.
Wanneer het werkelijke leven de proef op de som eist, dan blijkt men vaak ten enenmale tekort te schieten. De gevoelige aandoeningen waren een soort van zelfbedrog en het zou een ernstige zelfmisleiding zijn, wanneer men op grond van deze bewogenheid zichzelf allerlei karaktereigenschappen ging toeschrijven.
Ik vergelijk het tijdgeloof gaarne met het bekende panorama van Mesdag in den Haag. Men komt langs de donkere trap daarboven en waant zich aan de zee, ziet duinen, dorp, schepen, kerk en strand, en 't is sprekend of het echt is. Maar wat eraan ontbreekt is de werkelijkheid en de bewogenheid. Op die zee zal men niet omkomen en door die zee niet tot aanbidding gebracht worden van de Majesteit Gods.
Zo is het ook in het geestelijke. Men heeft een voorstelling van God en de goddelijke zaken, waarbij verstand, gevoel en verbeelding een grote rol spelen, men weet van de tegenstellingen tussen donker en licht, zonde en genade, niet omdat men die in de werkelijkheid ervaren heeft, maar omdat men er een voorstelling van heeft.
Dat is even bedriegelijk als wanneer ik een boek lees en het wordt mij levendig voorgesteld. Ik word er door meegenomen. Maar laat ik niet denken, dat ik het daardoor zelf beleefd heb.
Dat is de oppervlakkigheid van het tijdgeloof, waarbij de verbeelding zulk een grote rol speelt.
Men spreekt terecht van het gevaar van een ingebeelde hemel.
Het kost de tijdgelovige ook weinig moeite om zich in het Evangelie te verblijden, omdat hij zich in de voorstelling van de blijde tijding des heils verlustigt en ten onrechte meent, dat hij er zelf bij betrokken is.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's