Calvijn over het Heilig Avondmaal
I
Bij gesprekken in de gemeente, bij het onderwijs op de catechisatie, en niet het minst op de belijdeniscatechisatie, komen de vragen met betrekking tot het heilig Avondmaal nogal eens op tafel.
Wat betekent het, hoe werkt het, voor wie is het ingesteld, wie mag ten Avondmaal gaan dus en nog meer, dat hieraan is toe te voegen.
Nu kan het ongetwijfeld zijn nut hebben om te luisteren naar wat de hervormer Calvijn over het heilig Avondmaal ons zegt.
Ik heb voor me liggen een oud boekje, dat tot titel heeft: „Beknopte verhandeling over het heilig Avondmaal onzes Heeren Jezus Christus, waarin de ware onderwijzing, het voordeel en de nuttigheid er van wordt aangetoond. Door Johannes Calvijn".
Dit boekje werd uit het f rans vertaald door A. van Os en uitgegeven bij A. L. de Vlieger te Leiden.
Het ligt in onze bedoeling de hoofdinhoud van dit geschriftje in enkele artikelen weer te geven. De Koning der kerk stelle Calvijns verhandeling ook op deze wijze ten zegen. Vooral ook voor hen, die iets verstaan van de strijd, de nood, de geestelijke werkzaamheden in verband met het heilig Avondmaal. We kunnen zo gemakkelijk in allerlei verkeerde opvattingen verstrikt raken. Calvijn merkte in zijn dagen op dat het heilig Sacrament des Avondmaals van onzen Heere Jezus Christus langen tijd door verschillende dwalingen was ontsierd en in de laatste tijd opnieuw door verschillende meningen en twistgierige geschillen was verduisterd met dit jammerlijke gevolg dat vele eenvoudige zielen niet goed wisten waaraan zij zich op dit punt moesten houden. Zij blijven in twijfel en verwarring, zo zegt Calvijn, laten alle geschillen daar en wachten tot de dienstknechten Gods tot enige overeenstemming komen.
Het is echter zeer gevaarlijk om niet de minste zekerheid van deze verborgenheid te hebben, waarvan de bevatting voor onze zaligheid zo wenselijk is. Om deze overweging en omdat men het hem heeft verzocht gaat Calvijn nu kort en toch duidelijk het voornaamste, wat men er van weten moet, behandelen en uiteenzetten.
Achtereenvolgens stelt hij verschillende punten in het genoemde geschriftje aan de orde, die we nu weergeven.
Doel en reden van de inzetting.
Het heeft God behaagd ons door de doop in Zijn Gemeente op te nemen. God wil Zijn Gemeente, die Zijn huis is, ook onderhouden en regeren. Hij is een eigenaar, die Zijn eigendom goed onderhoudt.
Nu heeft de Heere Zijn kerk niet alleen vergaderd om Zijn dienstknechten te zijn, maar ook om Zijn eigen kinderen te zijn.
Nu behoort het tot de plichten van een goed Vader, dat Hij ons voedt en van al datgene voorziet, wat noodzakelijk is om te leven.
Wij krijgen allen het voedsel tot onderhoud van ons lichaarh. Ook de bozen ontvangen deze gave. Dit is dus niet het bijzonder eigendom van Zijn huisgezin. Uit al de zorg voor het onderhoud van ons lichaam blijkt wel dat God een goed Vader is.
Maar het leven, waartoe Hij Zijn kinderen heeft vernieuwd is een geestelijk leven en daarom moet ook de spijs om ons in dat leven te houden en te bevestigen geestelijke spijze zijn. 't Is waar dat God ons geroepen heeft om eenmaal Zijn hemelse erfenis deelachtig te zijn. Dit moeten wij verstaan. Maar ook, dat Hij in hope ons reeds enigermate in het bezit er van heeft gesteld; dat Hij ons niet alleen het leven belooft, maar er ons reeds in overplant, ons reddende van de dood. Toen God ons tot Zijn kinderen aannam heeft Hij ons wedergeboren uit onvergankelijk zaad, dat is Zijn Woord, dat Hij in onze harten geplant heeft door Zijn Heilige Geest.
Om dit nieuwe, geestelijke leven te onderhouden behoeven we ons niet met spijs te vullen die bederft en vergankelijk is. Onze zielen moeten met beter en kostbaarder voedsel gesterkt worden.
Wanneer we de Heilige Schrift opslaan zien we dat deze Schrift getuigt, dat het geestelijk brood, waardoor de Heere onze zielen onderhoudt, hetzelfde Woord is, waardoor de Heere ons heeft doen wedergeboren worden. Maar de heilige Schrift voegt er tevens aan toe, hoe dit kan.
De Schrift leert ons namelijk dat in haar Jezus Christus, ons enig leven, ons is gegeven en tot ons komt.
Laat toch vooral niemand menen, dat er buiten God, waar dan ook, leven is. Integendeel. Ieder moet aannemen, dat God de ganse volheid van het leven in Jezus heeft gesteld, opdat het door Hem ons zou worden meegedeeld. Dat Woord nu heeft God verordend als een middel, waardoor Jezus Christus met al Zijn zegeningen ons eigendom wordt.
Dit is derhalve altijd waar, dat onze zielen geen ander voedsel hebben dan Jezus Christus. Omdat onze Vader in de hemel nu voor onze voeding moet zorgen, geeft Hij ons geen andere spijs dan deze Christus. En Hij beveelt ons aan alléén bij Jezus Christus volkomen verzadiging te zoeken. We moeten dit zó doen alsof we ons aan een welvoorziene dis plaatsen die wij niet kunnen missen en boven welke geen andere te vinden is.
We zagen reeds hoe Jezus Christus het enig voedsel onzer zielen is. Deze Christus nu wordt ons door het Woord des Heeren, dat hiertoe als middel gegeven is, deelachtig gemaakt. Daarom wordt ook het Woord Gods brood en water genoemd.
Omdat het Woord Gods zó genoemd wordt, kan dit ook van het sacrament des Avondmaals gezegd worden. Want God heeft ook dit sacrament gegeven als een middel tot de gemeenschap met Jezus Christus.
Nu is het met ons echter zó gesteld, dat wij zó onbekwaam zijn, dat wij Hem niet met waar vertrouwen des harten kunnen aannemen, wanneer Hij ons door eenvoudig onderwijs en vermaning wordt aangeboden. Dit onderwijs en deze vermaning moest ons wel genoeg zijn. Want God is betrouwbaar en Zijn Woord is vast.
Maar onze „grovigheid en zwakheid" staat ons hier in de weg. Nu toont de Heere echter duidelijk dat Hij de Vader van alle barmhartigheid is en dat het Hem nooit te veel is hier op aarde aan onze zwakheid tegemoet te komen. Daarom heeft Hij aan Zijn Woord nog een zichtbaar teken willen toevoegen. En in dat teken vat Hij al Zijn beloften samen. Met welk doel? Om ons te bevestigen en te versterken en op deze wijze ons van alle twijfel en onzekerheid te verlossen. Want het is toch een hoog verhevene en diepe verborgenheid, dat wij deel hebben aan het lichaam en bloed van Jezus Christus. En wij nu zijn van onszelf zó onbevattelijk, dat wij zelfs de mindere dingen Gods niet kunnen begrijpen.
Daarom heeft Hij ons vermogen om te kunnen verstaan vergroot, naarmate onze kracht het kan dragen.
In dit verband nu geeft Calvijn drie redenen, waarom de Heere Zijn Avondmaal voor ons heeft ingesteld.
Ten eerste om in onze gewetens de beloften, vervat in het Evangelie, te tekenen en te verzegelen. Om ons deel te doen hebben aan Zijn lichaam en bloed en ons waarborg en zekerheid te geven, dat daarin ons waar geestelijk voedsel te vinden is, opdat wij door het bezit van zulk een onderpand het recht vertrouwen op de zaligheid zouden ontvangen.
Ten tweede wil God er ons door opwekken Zijn grote goedheid over ons te erkennen om Hem meerder en beter te prijzen en te verheerlijken.
Ten derde om ons aan te sporen tot alle heiligheid en reinheid, omdat wij leden zijn van Jezus Christus. Bijzonder worden we aangespoord tot eendracht en broederlijke liefde, gelijk deze er dan ook bijzonder in worden aanbevolen.
Wanneer wij wat tot nu toe opgemerkt is, goed begrepen hebben, dan hebben wij reeds een begin gemaakt om wel te verstaan, welk voordeel er voor ons in gelegen is en hoe het onze plicht is om het recht te gebruiken. Daarom gaat Calvijn nu over tot zijn tweede punt, nl. welke vrucht en welk nut het ons aanbrengt.
Op onze armoede letten.
Om het nut van het heilig Avondmaal te kennen is het nodig te letten op onze armoede, waarin het heilig Avondmaal voorziet. Wij moeten bedenken wie we zijn en onderzoeken wat er van ons is geworden. Wanneer we dat doen, dan kan het niet anders of onze ziel komt in wonderlijke beroering en kwelling. Want niemand van ons kan de minste zweem van rechtvaardigheid in zichzelf ontdekken. Integendeel. Zo vol zijn we van zonde en ongerechtigheid dat er geen andere aanklager nodig is om ons te beschuldigen en geen andere rechter om ons te veroordelen dan ons geweten.
Hieruit volgt, dat de toorn van God op ons rust en niemand de eeuwige dood kan ontkomen. Weet ge hoe erg dit is? Wel, als we niet ingeslapen of verstompt zijn, kan het niet anders, of deze verschrikkelijke gedachte zal ons een eeuwigdurende hel zijn om ons te folteren en te kwellen. Nooit kunnen we aan de gerechtigheid Gods denken, of wij zien onze veroordeling er uit volgen. Wij zijn dus reeds in de afgrond des doods, tenzij onze genadige God er ons uit redt. Ja, 't is nog sterker. Hoe kunnen wij de hope der opstanding koesteren als wij op ons vlees zien, dat enkel tot verrotting en ongedierte overgaat? Als wij in onszelf blijven zijn wij zowel naar het lichaam als naar de ziel meer dan ellendig. . En het kan niet anders of wij verkeren door het gevoel van onze diepe ellende in grote smart en angst der ziel.
Neen, Calvijn stapt niet oppervlakkig en lichtvaardig over de schuld en verdorvenheid van ons leven heen. Wij worden er duidelijk, op grond van de Schrift bij bepaald, dat wij midden in de dood liggen en dat de redding en de zaligheid nooit uit ons is, zelfs niet voor het geringste deel. De zaligheid moet gezocht worden buiten onszelf in de Heere Jezus Christus. Want Hij is de Redder van zulke verbrijzelde, door schuld verslagen, voor Gods Woord bevende zielen. Om ons dat als 't ware te laten zien geeft de Heere ons het Avondmaal als een spiegel.
Een spiegel,
waarin wij onze Heere Jezus Christus aanschouwen, gekruisigd om onze zonden en schuld te vernietigen, verrezen om ons van dood en verderf te verlossen en ons in hemelse onsterfelijkheid te herstellen.
Daar hebt ge dus een bijzondere vertroosting, die wij door het Avondmaal ontvangen, n.l. dat het ons leidt tot het kruis en ons oog richt op de opstanding van Jezus Christus. Door het Avondmaal wil de Heere ons verzekeren, dat, welke ongerechtigheid er ook in ons zij, de Heere ons niet nalaat om ons voor rechtvaardigen te erkennen en aan te nemen. Ja, de Heere geeft in het Avondmaal deze vertroosting, dat hoe wij ook in de dood liggen Hij niet ophoudt ons levend te maken en dat welke ondeugd ook in ons moge wonen, de Heere niet ophoudt ons te vervullen met alle gelukzaligheid. Is er een rijker een wonderlijker vertroosting denkbaar voor het hart dat heeft leren belijden: Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees geen goed woont? Dat in de spiegel van Gods Woord enigermate zichzelf heeft leren zien in zijn gruwelijke melaatsheid en verlorenheid? Dat moet belijden geen greintje gerechtigheid van zichzelf te hebben en het oordeel Gods dubbel waardig te zijn? Als dan gezien mag worden in de spiegel van het heilig Avondmaal en het Lam Gods wordt ons getoond, dat de zonde der wereld wegdraagt, dan wordt de benauwde van Geest vertroost en de bedroefde mag opspringen van vreugde in de Heere.
Christus nam mijne zonde en Hij gaf mij Zijn gerechtigheid.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's