Overheid en economisch leven
2
HET LIBERALISME
Het 19e eeuwse liberalisme.
Het klassieke liberalisme uit de 19e eeuw is een wijsgerige maatschappijopvatting met als grondgedachte de leer van de natuurlijke orde. In deze leer wordt het maatschappelijk leven gezien als een geordende kosmos. Deze ordening is niet een bewust gecreëerde, maar een spontane. De Voorzienigheid heeft deze orde gewild en ingesteld. Het ordenend beginsel is het individuele belang. Ieder individu kent en volgt alleen zijn eigen belang. Door dit eigen belang na te streven, resulteert daaruit vanzelf de best mogelijke behartiging van het algemeen belang. Het gaat in het klassieke liberalisme om het individu en zijn gedrag, de gemeenschap is een zaak van de tweede orde.
Wij dienen te bedenken, dat het individualisme van het liberalisme een zaak is van methode niet van ethiek. Veelal wordt n.I. van het liberalisme een karikatuur gemaakt, alsof het liberalisme een pleidooi zou zijn voor egoisme. Liberalisme en egoïsme hebben als zodanig niets met elkaar gemeen.
Het liberalisme is in wezen een levens- en wereldbeschouwing, die de Openbaring verwerpt, maar het Godsbestaan erkent en waarop de gedachte van een individualistische maatschappij geënt is. Zolang elk individu binnen zijn eigen beperkte kring, die hij kan overzien, zijn eigen belang navolgt, wordt voor het geheel (de maatschappij) het beste resultaat verkregen. In het vaststellen van dit eigen belang is het individu vrij, hij kan zich egoïstisch gedragen, maar ook onbaatzuchtig als hij dat beter vindt.
Wat is nu het resultaat van de maatschappij-opvatting van het klassieke liberalisme voor de organisatie van het economisch leven? Het zal niet moeilijk zijn om in te zien dat de vrije economie met het prijsmechanisme als „de onzichtbare hand" die het economisch leven bestuurt, typisch past in de gedachte van het klassieke liberalisme. De consumenten beslissen individueel wat zij zullen consumeren en sparen, de producenten beslissen zelf wat en hoeveel zij zullen produceren. Het prijsmechanisme maakt dat ingewikkeld netwerk van al deze onafhankelijke beslissingen tot een geordend geheel. Plaats voor een rol van de overheid in het economisch leven is er in deze gedachte niet. Immers de beste economische politiek die de overheid volgens het klassieke liberalisme kan voeren is onthouding van economische politiek. De overheid moet zorgen voor het handhaven van openbare orde en goede zeden, van het economisch leven moet zij afblijven, het „natuurlijk" proces mag niet verstoord worden door het ingrijpen van de overheid. Deze non-interventie politiek van het 19e eeuwse liberalisme wordt wel genoemd de „laissezfaire" politiek.
Het falen van het liberalisme.
Het is ontegenzeggelijk dat de opvatting van het klassieke liberalisme aantrekkelijke kanten heeft. Het geheel is simpel te volgen en er wordt een positief resultaat verkregen zonder dat de overheid enige ingreep hoeft te doen. Toch heeft het liberalisme gefaald, ondanks haar aantrekkelijkheid.
De oorzaken van dit falen zijn enerzijds te vinden in een onjuiste interpretatie van de economische werkelijkheid en anderzijds in de onjuistheid van de onderliggende levens- en wereldbeschouwing.
De leer van de natuurlijke orde is n.I. wezenlijk een misvatting van de aard van de mens. De gedachte waar het klassieke liberalisme vanuit ging was n.I. dat alles wat „natuurlijk" was, goed was, ook de mens. Daarom geen overheid, die de mensen leidt, maar een onpersoonlijk prijs-mechanisme. In wezen is dit een heidense opvatting, die fundamenteel verschilt van de christelijke visie, dat de natuur onder het oordeel ligt. Gods Woord vraagt geen natuurlijke orde, geen natuurlijke harmonie, maar liefde tot God en tot de naaste. Het klassieke liberalisme overschatte sterk het individu en verwaarloosde volkomen de gemeenschap als zelfstandige grootheid.
Bovendien was er van een groot gebrek aan overeenstemming sprake tussen de praktijk van het economisch leven en de theorie van het klassieke liberalisme. De sterke ongelijkheid in het inkomstenniveau en de sociale ellende in de 19e eeuw waren een aanfluiting van de idee van een harmonische orde.
De „onzichtbare hand", het prijs-mechanisme, bleek in de praktijk niet zo te functioneren als het klassieke liberalisme zich voorstelde. Het prijs-mechanisme kan alleen maar een evenwicht tussen vraag en aanbod tot stand brengen, indien geen enkele individuele vrager of aanbieder die prijs beïnvloeden kan. Zo'n situatie doet zich alleen voor als er veel aanbieders zijn, die elk slechts 'n klein deel aan te bieden hebben van het totale aanbod. Dan alleen kan het gedrag van een individuele aanbieder op zichzelf genomen de gang van zaken en met name de prijs, niet beïnvloeden. Als voorbeeld kan de aardappelmarkt genoemd worden. Een boer, kan óf zijn aardappelen verkopen tegen marktprijs óf hij kan ze niet verkopen, de prijs van de aardappelen zal hij hierdoor niet beïnvloeden. Geheel anders wordt het indien er een klein aantal aanbieders zijn of in het extreme geval er slechts één aanbieder is, dan is er sprake van een monopolie. Er is dan geen sprake van een marktprijs. De prijs wordt door de producent(en) zelf vastgesteld. Dit betekent in wezen een aantasting van de vrije economie. Met andere woorden : indien monopolistische verschijnselen op de markten de overhand krijgen, heeft de vrije economie afgedaan. De concentratiebeweging van ondernemingen die wij sinds het begin van deze eeuw kennen, met name die van industrieën, heeft bedrijfstakken doen ontstaan met slechts enkele ondernemingen. De voornaamste oorzaak van deze concentratie is de ontwikkeling van de techniek, die tengevolge had dat een groot bedrijf veelal goedkoper kan produceren dan een kleine onderneming.
Een markt waar met name het prijsmechanisme grote weerstanden ontmoette, is de arbeidsmarkt. Volgens de theorie zou men immers bij werkloosheid de lonen moeten verlagen. Het behoeft geen betoog, dat er sterk verzet ontstond tegen deze gedachte en m.n. moet het ontstaan van de vakbonden (monopolie ! !) in dit licht gezien worden.
Samenvattend, kunnen we stellen, dat de vrije economie met het prijs-mechanisme als regulator een theoretische gedachte is geweest van het klassiek liberalisme, dat nimmer in de praktijk volkomen heeft bestaan. Aanvankelijk leek het erop, dat in de 19e eeuw de vrije economie in de praktijk zou worden verwezenlijkt, echter aan de te stellen noodzakelijke voorwaarde bleek steeds minder te worden voldaan. Met name de industriële ontwikkeling leidde tot structurele verandering van de marktvormen. Concentratie- en combinatiebewegingen hadden tot gevolg, dat van vrije concurrentie steeds minder sprake was.
De conclusie waartoe we komen is, dat de vrije economie een gedachte is, die in de praktijk slechts benaderd kan worden. Een echte vrije economie zonder enig menselijk ingrijpen van bovenaf- heeft nooit bestaan. Met andere woorden de economie is in de praktijk steeds meer of minder een geleide economie geweest. Nu is er verschil in de mate van leiding. De economie waar wij in leven wordt minder geleid dan die van Sovjet-Rusland, toch zijn het beide geleide economieën. Er is echter een groot verschil in vrijheidsgraad. Het zal na het voorgaande duidelijk zijn, dat het bij een benadering van de vraag naar de gewenste organisatie van het economisch leven, niet meer gaat om de vraag: vrije of geleide economie, maar om de mate van leiding die in het economische leven wenselijk geacht wordt.
Het neo-liberalisme.
Het vraagstuk van de organisatie van het economisch leven is dus na het afgedaan zijn van het klassieke liberalisme geworden: Wie moet het economische leven - leiden, op welke wijze en naar welk doel? De opvatting die het dichtst staat bij 't klassieke liberalisme is die van het z.g. neo-liberalisme, een beweging die ontstaan is in de tijd van de tweede wereldoorlog.
Het neo-liberalisme verwerpt de noninterventiepolitiek (laissez-faire) van het klassieke liberalisme, zij meent dat de overheid wel degelijk in moet grijpen, zij moet n.l. de voorwaarden scheppen waarbinnen het economische proces zich in volledige vrijheid kan afspelen. Het voornaamste onderdeel van de overheidspolitiek zou dan moeten zijn: bestrijding van monopolie-vorming. De overheid wordt dus als „leider" geaccepteerd, maar niet verder dan om te zorgen dat „het spel gespeeld kan worden". Het neo-liberalisme verschilt niet van het klassieke liberalisme, in de zin dat de gedachte van de natuurlijke orde blijft domineren. Het is zeker te simpel voorgesteld, dat de overheid op alle terreinen monopolies zou kunnen bestrijden: „Philips en de A.K.U., de Hoogovens en de B.P.M, kunnen economisch niet tot de status van kippenboeren of tarweboeren worden teruggebracht, die van een anonieme markt hun prijs thuis gestuurd krijgen. En — moet ik er bij zeggen — het zou ook bepaald zeer onwenselijk zijn", aldus merkt prof. Zijlstra terecht op. Ook wat de praktijk van het economisch leven betreft staat het neo-liberalisme te weinig met beide benen op de grond.
In een volgend artikel hopen wij het socialisme aan de orde te stellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's