De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Réveil

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Réveil

20

8 minuten leestijd

Guillaume Groen van Prinsterer (1801—1876) II

Een grote steun had Groen in zijn vrouw, Elizabeth van der Hoop, een dochter van de burgemeester van Groningen. Na hun huwelijk vestigden zij zich te Brussel, waar Groen de koning moest assisteren bij alle staatsstukken. In Brussel ondergingen zij de invloed van de hof predikant ds. Jean Henri Merle d' Aubigné. Deze was afkomstig uit Geneve, en vertegenwoordigde het Zwitserse reveil. Daarnaast heeft ook Willem de Clercq veel voor hen betekend. Groen en zijn vrouw leefden teruggetrokken en deden niet mee in de uitgaande wereld. Hier in Brussel komt Groen tot een geestelijke ommekeer die beslissend was voor zijn hele leven. Zijn vrouw was hem daarin tot een lichtend voorbeeld. Bij mevr. Groen was haar geloofsovertuiging in de geest van het reveil al eerder met grote vrijmoedigheid en beslistheid tot doorbraak gekomen.

Groen vertelt: „Te Brussel zou ik komen in de atmosfeer der revolutie. Voor mij was het tegengif daar. Inzonderheid ook in de prediking en vriendschap van Merle d' Aubigné. Spoedig leerde ik aldus de betekenis van het zogenaamde Reveil. Christelijke wederontwaking. Reformatorische terugkeer tot het Evangelisch A.B.C." „Het werd mij duidelijk dat het liberalisme niet anders dan de revolutionaire theorie is". We zien Groen's geestelijke ommekeer doorwerken in de uitgave van zijn periodiek. „Nederlandsche Gedachten", waarin hij zijn beginselen ontvouwt ten aanzien van staat, godsdienst en natie.

Inmiddels is de fam. Groen weer verhuisd naar den Haag, waar zij deel uitmaken van de Haagse reveilkring. Zij leven in nauw contact met Willem de Clercq, da Costa en Caipadose, de van Hogendorps, ds. Secretan en ds. Molenaar. Groen's toetreden tot het reveil betekende voor hem een duidelijke breuk met het verleden, die hij zich gaandeweg meer bewust werd. Allard Pierson merkt op: „Groen is gekomen, waar hij is gekomen aan vrouwelijke hand". Groen zelf spreekt over „Leiding langs een providentiële weg". Het blijkt uit de briefwisseling, hoezeer mevr. Groen met grote dankbaarheid het groeiend geloofsleven van haar man volgt. „Zonder dat ik hem er ooit toe aanmaande, gaat Wilem altijd bij Molenaar, spreekt niet meer van de voordracht, maar alleen over de preek, die hij allerbest vond, toen ik veel herhalingen had gehoord .... Hoe verandert God alles, waaraan wij menschen niets zouden kunnen doen".

De volledige overgang tot het reveil valt in de jaren 1832/1833. Tot nu toe was Groen's christendom eerder een overtuiging van het verstand dan een geloof van het hart. Eerst het sterven van zijn moeder eind 1832 en - begin januari 1833 zijn eigen ernstige ziekte brengt dit latente geestelijke, conflict tot doorbraak. Groen heeft heel wat aarzelingen moeten overwinnen en in zijn brieven treft een grote mate van terughoudendheid als het over zijn geloofsleven gaat. Dit hangt wel samen met een verschil tussen het karakter van Groen, hij was een scherpzinnig, wijsgerig geschooid intellectueel en tussen het grote accent op het gevoelige en gemoedelijke element in de reveilvroomheid. Het reveil kende niet de nuchtere correlatie roeping-gehoorzaamheid (Calvijn), maar schoof overal het gevoel tussen, zowel in de roeping als in de gehoorzaamheid. Groen klaagt in deze jaren steeds dat hij nog zo weinig gevorderd is. En dan bedoelt hij niet zozeer het opwassen in de kennis en de genade van Christus, maar dat hij zo moeilijk kan komen tot die algehele gevoelsovergave. Hij schrijft aan zijn reveilvriend Messchert: „Ik heb nog zóó de opwekking noodig van vrienden, die meer gevorderd zijn dan ik. Mijn geloof is nog te speculatief, heeft zoo heel weinig invloed op mijn gedrag en gemoed. Dat is met U, de Clercq en anderen, zóó niet". Als Koenen komt logeren, schrijft Groen: ,,ik moet u melden dat ik de huisgodsdienst, waaraan gij reeds gewoon zijt, niet waarneem. Mijn vrouw doet zulks met haar twee vrouwelijke dienstboden, 's Avonds en — zolang ik niet vroeg uitga — ook 's ochtends lezen wij samen in de bijbel". „Dit is zeker dat ook de vrijmoedigheid mij ontbreekt".

Godsdienstige, bijeenkomsten, zoals da Costa zondagsavonds hield, meest met de eenvoudigen naar de wereld, werden bij de Groen's niet gehouden. Mevr. Groen hield niet van zulke bijeenkomsten. De spontaniteit ging verloren „en als men dan gevoelt: ik moet nu iets zeggen, ik moet nu instemmen, dan gaat het kinderlijk gevoel, niet meer zoo geheel en direct uit het hart en tot den Heiland op"! Zij wilde „stil bij God zijn".

De Groen's bleven kinderloos. Zij hebben daaronder geleden, hoewel zij daar geen uiting aan gaven. Maar de wens leefde een kind te hebben „opdat het door een in mijn oog zoo voortreffelijken vader zou worden opgevoed". Zo een enkele maal schrijft mevr. Groen erover, maar tegelijk getuigt zij van haar geloof. Zij weet dat Gods liefde haar genoeg is. En op nog meer mag zij geen aanspraak maken. Maar zelf zonder kinderen, gaven zij zich beiden met veel belangstelling aan de kinderen van hun vrienden, voor wie zij veel betekenden. Mevr. Groen deed ook veel voor de behoeftigen. Als een ware diacones ging zij zelf in de huizen der armen. Dat zij met haar vriendin Gravin van Hogendorp in de achterbuurten kwam, wekte verbazing en ergernis. Zij was regentes van het Franse armhuis. Zij stichtte een hofje voor behoeftige oude vrouwen en kocht een beruchte dansschool op, die werd omgebouwd tot een evangelisatiegebouw met een naai- en breischool. In Wassenaar, -waar zij veel waren op hun buitengoed „Oud-Wassenaar", was mevr. Groen een zeer geziene persoonlijkheid door haar eenvoud en hartelijkheid. Ook daar trok zij zich het lot van de armen aan. Daarnaast was zij een trouwe steun voor haar man en fungeerde veelal als zijn secretaresse. Zij was een vrouw met grote gaven van hoofd en hart, die geestelijke adeldom van haar deed uitstralen. Zij getuigt van zichzelf door het gedurig denken aan de eenige Volmaakte, valt al onze deugd weg, en wij zijn onnutte dienstknechten en hebben niets meer gedaan dan wij behoorden te doen".

Toen Groen eenmaal benoemd was bij het huisarchief van Oranje, had hij een functie waaraan hij zich helemaal kon geven en waarin hij zich kon uitleven. Hij kon zich aan de studie van de geschiedenis wijden en dat vlak bij een zeer belangrijke bron. Hij kreeg inzage van de correspondentie van de vroegere staatslieden en nederlandse helden, een bron die tot nog toe gesloten was geweest. Groen stelde al gauw de belangrijkheid vast en besteedde een groot stuk van zijn leven aan de uitgave „Archives ou correspondance inédite de la maison d' Orange Nassau", met' een inleiding van zijn hand. De uitgave noopte hem een onderzoek in te stellen in de archieven in Frankrijk en Duitsland, waardoor hij met zijn vrouw ook in het buitenland met het reveil in contact kwam en zich vele vrienden maakte. Zo te Parijs César Malan en Frederic Monod.

Zijn naam als historicus was nu voorgoed gevestigd. Hij publiceerde tal van geschriften over de vragen van de dag, adviezen, kleinere historische studiën. Vooral moet genoemd worden 't „Handboek der geschiedenis van het Vaderland", dat nog steeds waardevol is. Van meer politieke interesse getuigt het bekende „Ongeloof en Revolutie".

Kenmerkend voor Groen is, dat hij eerst, ontdekt voor het kwaad van het liberalisme, de betekenis van de christelijke beginselen erkende voor de objectieve grootheden in staat en maatschappij en pas langzamerhand werd o vergebogen tot een persoonlijke beleving daarvan in de trant van het reveil. Daarin is Groen voor het reveil van veel betekenis geweest. Het reveil zou niet blijven steken in een ingekeerde orthodoxie des harten, maar zoeken naar plaatsbepaling in het politieke en maatschappelijke leven. Het reveil ging proberen de nieuwgewonnen of herontdekte beginselen vruchtbaar te maken voor kerk, volk en staat. Dat betekende een grote worsteling met de geest van de tijd en daarin stond Groen vooraan. Op het politieke vlak was het een tweekamp met Groen aan de ene kant, en Thorbecke aan de andere kant als kampvechter van het liberalisme. Ook in het leven van Groen bracht Christus niet de vrede, maar het zwaard. De oude vriendschappelijke verhouding met medestudenten als van Rappard en Thorbecke verkoelde en zelfs rrlet zijn vader kwam het tot een breuk.

Groen was de belangrijkste denker van het reveil, een voorbeeld van beginselvastheid, die zijn talenten in dienst van zijn beginselen had gesteld. Hij zou de lijnen trekken, die voor de toekomst van het grootste gewicht zouden blijken, zowel voor de komende kerkelijke als politieke gestalten in de tweede helft van de negentiende eeuw. Zo heeft hij gestreden in de kerk, in het parlement, in de schoolkwestie, getrouw aan zijn levensdevies „Een staatsman niet, een evangeliebelijder".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het Réveil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's