Overheid en economisch leven 3
HET SOCIALISME
Karl Marx.
Wanneer we ons de vraag gaan stellen hoe het socialisme gedacht heeft over de organisatie van het economisch leven, kunnen we onmogelijk Karl Marx passeren.
Marx heeft aan het klassieke liberalisme de dood gezworen. Geen enkele economische orde is volgens hem tot dusverre de enig mogelijke, de natuurlijke geweest. Marx kon de door de klassieke liberalen geformuleerde wetten hoogstens erkennen voor een bepaald stadium der menselijke geschiedenis, het kapitalistische. Ook het kapitalisme, dat is de economische orde, waarin de vrije markt en de vrije ondernemer domineren, zal echter voorbijgaan en moet zelfs voorbijgaan, aldus Marx. Met dezelfde noodwendigheid, waarmee de door de klassieke liberalen gevonden wetten eens begonnen zijn te werken, zullen ze straks ophouden zich te doen gelden. De kapitalistische orde zal aan innerlijke tegenstrijdigheid noodwendig bezwijken.
Marx fundeerde zijn kritiek op het kapitalisme op zijn leer van het historisch materialisme. Volgens deze leer is de ontwikkeling van de produktietechniek de enige werkelijke onafhankelijke variabele factor in de geschiedenis. Dat wil zeggen dat de loop van de wereldgeschiedenis in laatste instantie bepaald en gedreven wordt door de economische ontwikkeling van de maatschappij. Alle andere maatschappelijke verschijnselen, waaronder begrepen : recht, godsdienst enz., worden bepaald door de ontwikkeling van de produktietechniek. Deze vormen slechts de ideologische bovenbouw van — en zijn veroorzaakt door — de materiële onderbouw (de economische ontwikkeling).
Als tweede punt in Marx' leer wil ik wijzen op zijn opvatting van de sociale gelaagdheid van de maatschappij. Hij onderscheidt twee klassen: een onderlaag, het proletariaat: de brede groep die geen bezit van produktiemiddelen had, zijn arbeidskracht moest verkopen voor loon en een bovenlaag, de bezittende klasse, die de produktiemiddelen in bezit had en rijk werd. Marx zag felle tegenstellingen tussen beide klassen, niet alleen in belangen, maar ook in mogelijkheden, denkbeelden en levensgewoonten. Deze tegenstellingen leiden tot een voortdurende strijd, de klassenstrijd. Deze klassenstrijd is volgens Marx in de loop van de geschiedenis de hefboom van de vooruitgang geweest.
Als derde element in Marx' beschouwingen dienen we te letten op zijn visie op de staat. Marx zag de staat als een instrument in de hand van de heersende klasse van de kapitalisten; z.i. kon deze staat niet hervormd worden, maar zou in de communistische maatschappij (de heilstaat) afsterven.
Wat Marx profeteerde op grond van de drie genoemde elementen was het verdwijnen van het kapitalisme. De verschuivingen in de produktie-techniek gaan door: de onderbouw verandert. De ideologische bovenbouw is star, blijft zich in oude vormen hullen, spanningen worden openbaar, de klassenstrijd verscherpt zich. Tenslotte is er geen houden meer aan, de bovenbouw bezwijkt en de morgenstond van de nieuwe klassenloze maatschappij is aangebroken, waarin zowel de staat als de religie zou ontbreken.
Het socialisme.
De beschouwing van Marx is als zodanig in het kader van ons artikel moeilijk te plaatsen. Hij verwachtte n.l. een maatschappij, waarin de overheid geheel ontbreken zou. Van een verhouding tussen overheid en economisch leven zou zelfs geen sprake meer kunnen zijn. Dat wij Marx toch voor het voetlicht gehaald hebben is vanwege zijn verbondenheid met het socialisme, dat nu onze aandacht vraagt.
Wij kunnen als algemene opmerking voorop stellen dat het socialisme primair gezien moet worden als reactie op het 19e eeuwse liberalisme. Nu is echter het socialisme niet eenduidig van opvatting. Dit blijkt onmiddellijk reeds bij de houding die t.a.v. de socialisatie (het aan de gemeenschap brengen van de produktiemiddelen) wordt ingenomen.
Enerzijds kan men volledige socialisatie zien als socialistisch dogma voor de centraal geleide volkshuishouding, een volkshuishouding, waarin de centrale leiding de beschikkingsmacht over de produktiemiddelen heeft. Deze vorm wordt aangeduid met „staatssocialisme" en is, gecombineerd met een autoritaire staatsvorm, in 't Russische communisme in praktijk gebracht. Wat betreft radicaliteit en felheid van kritiek op het kapitalisme is deze vorm het sterkst aan Marx verwant.
In het democratisch-socialisme dat wij in West-Europa kennen, wordt de volledige socialisatie niet meer als norm gehanteerd. Socialisatie van bepaalde sectoren van het economisch leven kan wenselijk zijn, niet als principe, maar vanuit doelmatigheidsoverwegingen.
Socialisatie wordt dus als middel gezien om bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Wat zijn die doelstellingen? Het democratisch socialisme wil, in tegenstelling tot het kapitalisme niet de macht over en de winst uit het produktieproces vanzelfsprekend aan de eigenaar van dé produktiemiddelen laten toevallen, maar aan de factor arbeid, die geleverd wordt zowel door arbeiders als door intellectuelen, en de beschikkingsmacht organiseren in vormen, waarbij de gemeenschap en haar levensbelangen tot gelding komen. Socialisatie van de beschikkingsmacht, althans van de z. g. sleutelbedrijven, wordt daartoe een bruikbaar middel geacht. Waar dit op neer komt kan geïllustreerd worden met een citaat uit het Rapport van de Plancommissie van de Partij van de Arbeid, getiteld: „De weg naar de vrijheid".
„Bezien wij nu de gewenste ontwikkeling op langere termijn, dan komen voor de socialisatie in de Ie plaats, de basis-industrieën in aanmerking, dus in ons land de particuliere mijnen, de zout- en oliewinning, de steenindustrie, het hoogovenbedrijf, de vliegtuigindustrie en eventueel een deel van de machine industrie. De directe beheersing van de investeringen in deze industrieën door de overheid is uit een oogpunt van conjunctuurbeheersing van zeer groot belang. Bij enkele van deze industrieën, zoals de olie- en steenkoolwinning, vormt de noodzaak van gemeenschapszeggenschap over omvang en aanwending van de produktie de doorslaggevende factor. Daarnaast zijn er enkele bedrijfstakken, die door hun sleutelpositie tussen een veelheid van leveranciers en van afnemers, voor socialisatie in aanmerking kunnen komen, zoals de bloem- en suikerindustrie. Voor een aanmerkelijk deel van het bankbedrijf en het verzekeringswezen, waar door socialisatie grote besparingen voor de gemeenschap kunnen worden verkregen, bestaat mede uit hoofde van hun machtspositie in de financiële sfeer, stellig een noodzaak voor socialisatie".
Uit dit citaat blijkt dat de socialisten bang zijn voor monopolievorming. Wat verwachten ze nu van socialisatie ? In socialistische kring worden de voordelen van bedrij f sconcentratie en de samenwerking tussen bedrijven ter vergroting van een doelmatig bedrijfsbeheer erkend. Het bezwaar acht men, dat particuliere ondernemers deze grote lichamen beheersen. Zij laten zich immers leiden door het winstmotief en stellen het algemeen belang op een tweede plaats. De socialisten denken nu met socialisatie te bereiken dat de voordelen van het grootbedrijf behouden blijven, terwijl de monopoliewinst of verdwijnt óf ten goede van de gemeenschap komt.
Beoordeling.
Het behoeft geen betoog dat het socialisme een geleide economie voor staat. De leiding wordt in handen van de overheid gedacht. De mate van leiding is bij het democratisch socialisme een beperkte, bij het staatssocialisme een volledige.
Naarmate de gesocialiseerde sector van de economie groter is, wordt de macht die in overheidshanden gelegd wordt groter. Ook de socialisten zelf zien hier de gevaren van in. Zij zeggen o.a.: „Het probleem van de in handen van enkelen samengetrokken machtsuitoefening blijft bestaan en vertoont bij in handen zijn van de overheid, arbeidsorganisaties of publiekrechtelijke bedrijfsorganen zelfs voor een deel dezelfde karaktertrekken als bij de machtsuitoefening in de particuliere concerns". De democratisch-socialisten nemen hier een gematigd standpunt in. Hoewel er onmiddellijk bij gezegd moet worden dat het eerder gegeven citaat een zodanig socialisatieprogramma ontvouwt, dat het gevaar van het afglijden naar staatssocialisme niet denkbeeldig is. Bij het staatssocialisme is de gesocialiseerde sector van het economisch leven dominerend. Aan de publieke sector wordt een zodanige positie toegekend en een zo sterke economische macht gelegd in handen van de overheid, dat in de verhouding individu/ gemeenschap het accent op de collectiviteit zo sterk wordt, dat er voor de persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid geen plaats overblijft. Vanuit christelijk standpunt moet dan „neen" gezegd worden.
Als wij op dit punt nog even het klassieke liberalisme en 't staatssocialisme (collectiviteit) tegenover elkaar stellen, kunnen wij vaststellen dat beide stoelen op dezelfde wortel, n.l. op het geloof in de goedheid van de mens. Zij komen wel tot totaal tegengestelde uitkomsten, maar beide zijn in wezen gedachte natuurlijke harmonieën, waarin óf het accent op het individu óf op de collectiviteit valt. Het individualisme van het klassieke liberalisme kent alleen de individu, volgens welk elk samenlevingsverband uit individuen is geconstrueerd en niet anders is dan een aggregaat van individuen, dat geen enkele zelfstandigheid en dus ook geen eigen structuur kent. Het universalisme van het collectivisme daarentegen, kent alleen maar de volle totaliteit, het verband en meent alleen daaruit het individu te kunnen begrijpen. Dit dilemma individualisme-universalisme is voor een christen onaanvaardbaar. De mens is niet te vangen binnen de tijdelijke samenlevingsverbanden, kan dus ook nooit in één dezer verbanden geheel opgaan. Maar evenmin is de mens te zien als een grootheid, die buiten het verband der maatschappelijke samenlevingsverbanden zelfstandigheid zou hebben.
Wat nu?
Wanneer wij nu onze aandacht op de praktijk van het economische leven richten, kunnen wij vaststellen, dat beide extremen, n.l. de vrije economie van het klassieke liberalisme en de centraal geleide economie van het staatssocialisme, welke we zojuist vanwege hun uitgangspunt hebben afgewezen, niet voorkomen, althans niet in 't vrije Westen. De vrije economie is een verdwenen grootheid (voor zover zij ooit bestaan heeft), het staatssociaUsme komt alleen voor in enkele dictatoriaal geregeerde landen.
Tussen beide extremen in staan het neo-liberalisme en het democratischsocialisme. Beide dragen sporen van hun afkomst, maar verschillen wezenlijk niet zoveel wat de opvatting over de economische orde betreft. In beide stelsels wordt een economie geaccepteerd, waarin de overheid een leidende (zij het een beperkte) rol speelt. Het verschil tussen beide opvattingen is terug te voeren tot de mate waarin de overheid leiding aan het economisch leven moet geven.
Wie de moeite neemt om de sociaal-economische programma's van de V.V.D. en de P. v. d. A. met elkaar te vergelijken, zal ontdekken dat de verschillen tussen beide niet groot zijn. De vraag die in het volgende artikel aan de orde zal komen is: „Hoe is en wordt in rooms-katholieke en prot. chr. kring over de onderhavige problematiek gedacht? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1964
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1964
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's