De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING

31

13 minuten leestijd

§ 5. KERK EN STAAT, (vervolg).

B. Praktijk.

Mijn zoon, vrees de Heere en de koning, vermeng u niet met die naar verandering staan. (Spr. 24 : 21). 

2. Kerk, wat nu? (vervolg).

Groot is in onze dagen de invloed, die er uitgaat van onze moderne cultuur. De individuele mens weet zich door die cultuur a.h.w. van alle zijden omringd en ingesponnen, ten prooi aan een „spel", dat hij niet doorziet.

Zijn cultuur immers bepaalt — meer dan men zo op het eerste gezicht wel denkt — zijn vrijheidsbegrip. Het omgekeerde lijkt niet waarschijnlijk: de individuele mens heef t niet meer het gevoel, dat hij nog in staat zou zijn die cultuur noemenswaard te beïnvloeden. Hij berust dan ook met een zekere gelatenheid in het cultuurpatroon van zijn milieu. Dat hij van Godswege geroepen zou zijn tot een opdracht met betrekking tot die cultuur, gelooft hij amper. Aan de wijze waarop hij dagelijks zijn werk verricht, lezen wij veeleer het tegendeel af: het is eer de uitzondering dan de regel, die nog gelooft, dat er aan zijn arbeid een ideëel motief ten grondslag zou kunnen zijn en/of worden gelegd. Het is om der wille van „zijn" vrije tijd (Ef. 5 : 16!) dat hij leeft

Sommigen maken zich hierover in 't geheel niet druk; zij schikken zich naar die cultuur op dezelfde wijze als waarop in voorbije dagen een molenaar dat deed naar de wind.

Anderen menen er goed aan te doen met zich die cultuur wat van het lijf te houden als gold het een zaak van de ,,waereld", per definitie . . . Taboe zijn dan b.v. de wereld van de kunst en de kunstenaar, die van het verzekeringswezen en die van de televisie en de ruimtevaeirt.

Het één (totale aanvaarding), zowel als het ander (radicale afwijzing) wijst op, een levenshouding, die allesbehalve christelijk moet heten.

Zulk een houding draagt er mede toe bij, dat onze cultuur in toenemende mate de geest van de valse profetie in zich opzuigt.

Ik acht dit een bedenkelijk verschijnsel. De cultuur is — naar de oude Chinezen reeds beseften — niet het domein van ons, mensen alleen: „De cultuur is het gebied, dat op zeer bijzondere wijze aan de Heilige Geest toebehoort" (Meschler). Dit kwam ook in het voorgaande reeds ter sprake (bijdrage XXIX).

Als de medische wetenschap er in slaagt de een of andere volksziekte „te boven" te komen, is dit niet iets om ons te verheffen, maar wel iets om ons te verwonderen, mits zulks dan geschiedt tot lof van God. Hebben wij het niet aan Christus' verlossingswerk te danken, dat de cyclische culturen van de oudheid doorbroken werden? Was het niet door toedoen van de Hervorming ook, dat de wetenschap in de ]9e en 20e eeuw zoveel vruchten afwierp („wonderen" van techniek enz.)?

Op de gehele kosmos is van toepassing: ,,De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid" (2 Cor. 3 : 17).

Het is in dit verband, dat onze eeuw al de eeuw van de Geest is genoemd.

Het is derhalve geen toeval, dat diezelfde eeuw reeds vernoemd is geworden naar Lenin, de in- en conspirator van 't - internationale communisme . ..

Is niet het communisme de perversie van het christendom (bijdrage XXII)?

Waar de Heilige Geest actief is, is ook altijd de geest uit de afgrond present.

Het spanningsveld tussen de kosmische polen „Sion" en „Babel" is in onze dagen krachtiger dan sedert Christus' omwandeling op aarde ooit het geval is geweest. Dit doet de in dat veld staande mens vragen naar de zin van het wereldgebeuren, alsmede naar de zin van zijn arbeid in het kader van dat gebeuren, (bijdrage XXVII).

Het is een opmerkelijk feit, dat het valse idealisme — van voornoemde polariteit is dit idealisrfte zich nauwelijks bewust, van de feitelijke spanningen daarentegen zoveel te meer, afgestemd, als het is op het mogelijke effect daarvan in uiterste situaties (bijdrage XXX) — zich mateloos ergert, als daar in onze wereld voor de zoveelste maal een „vuur" opflikkert. Alsof onze wereld reeds zover zou zijn geëmancipeerd, dat wij over een internationale „brandweer" beschikten en de z.g. local fires op dezelfde wijze zouden kunnen en moeten worden gedempt als dit plaatselijk met een gewone brand pleegt te geschieden.

Daarvandaan ook dit felle aankanting tegen het gebruik van wapengeweld, dat nu en dan toch nog wel gerechtvaardigd mag heten (Libanon, Cuba, Zuid-Vietnam, enz.).

Het is heus niet vanwege de kernbewapeningswedloop alleen, dat onze wereld op het punt van springen schijnt. Laat toch niemand van ons zich vastklampen aan een illusie!

Waaruit blijkt nu de presentie van de onheilige geest in onze wereld?

1. Wij leven in een tijd, dat de „markt van de geest" overvoerd wordt met ideologieën van zeer uiteenlopende aard, doch altijd wel in een zodanige verpakking vervat, dat er publiek op afkomt. Het is de duivel alles waard, dat de religieuze mens — ieder mens zoekt in zijn leven naar geborgenheid — daar iets vinden zal, dat van zijn gading is, mits het maar niet de ware religie is. Hoe in een gegeven geval aan de mens zijn situ­ atie wordt verklaard is bijzaak, als hij maar satisfactie ontvangt!

Een kenmerk van het valse idealisme van onze dagen is ook, dat het bereid is alles in de schaal te werpen, als het erom gaat, andersdenkenden te bewegen tot een ontmoeting (gesprek). Het is alsof dit idealisme zich schaamt voor het Evangelie (Rom. 1 : 16!), resp. het afschijnsel daarvan op het gelaat van de Strijdende Kerk (Matth. 5 : 14—16). Syncretisme, oecumenisme, enz. (bijdrage VII) zijn via deze gereserveerdheid het gevolg.

2. De moderne mens vraagt ter compensatie van de spanningen in zijn leven afleiding en Verstrooiing, niet slechts gedurende zijn steeds groter wordende vrije tijd, maar ook — indien maar enigszins mogelijk — gedurende de tijd, dat hij nog werkt. Het was met het oog op deze behoefte, dat zich in onze wereld een afzonderlijke tak van industrie ontwikkelde, de z.g. vermaaksindustrie. Met de opkomst van de „show-business" wisselde ook de sportwereld van gedaante: naast het amateurisme kwam het professionalisme op.

De grondhouding van het valse idealisme met betrekking tot deze sector van onze cultuur lijkt mij met de term „een zich in verontschuldigingen uitputtende meegaandheid" het scherpst getekend. Maar was het in het teken van het Kruis, dat zich die industrie ontwikkelde . . .? De kerk heeft in onze wereld het Evangelie te verkondigen; zij distanciëre zich van onze jeugdheidscultuur", die de mens ertoe verleidt achterwaarts door zijn leven te gaan, d.i. zonder zicht op het einde daarvan... Snorkende leuzen als „zorg dat je erbij bent!" zijn niet de hare! 

3. De z.g. slangenfilosofie bewees het valse idealisme haar diensten door zich te werpen op het spraakgebruik met betrekking tot het begrip „cultuur" (een werkwijze, hiervoor reeds gebrandmerkt: bijdrage XXIX).

Wijlen architect A. Ingwersen, die onder ons ook als schrijver bekendheid genoot, definieerde dit begrip eens als volgt: „Cultuur kent 3 openbaringen van leven: bezaaide akkers en volle schuren (1), steden, huizen en kerken (2), en boeken (3)". Deftiger gezegd: „Cultuur is beheersing en actualisering van de natuur rondom ons, en van de natuur in ons" (dr. Boerwinkel).

Deze definities zijn in overeenstemming met de grondbetekenis van ons woord „cultuur"; zij zijn ook bijbels (Gen. 1 : 28).

Maar is het woordgebruik van thans met deze definitie in overeenstemming?

Wel, allerminst. Het woord „cultuur" blijkt nog slechts betrekking te hebben op wat de mondaine wereld ons te bieden heeft aan vermaak (al wat schoon is, aangenaam en liefelijk, naar het dan heet).

Het is in kringen van het valse idealismt, dat er zo geschermd wordt met een begrip als „cultuurspreiding", doch het Is voor land en volk te hopen, dat ons de „dictatuur van het onfatsoen" bespaard blijft.

En wat de „mannenbroeders" van Van Kaam betreft: was het uit culturele onderontwikkeldheid, dat zij de oorden van werelds vermaak schuwden als de pest....?

4. Een ander middel, waarvan zich die filosofie tracht te bedienen, is dat van de „drainering" van de kunst met behulp van leuzen als „l' art pour l' art". Zo kon het pas nog ge­ beuren, dat een organisatie van kunstenaars één van haar leden ervan dacht te kunnen weerhouden Zuid- Afrika te bezoeken, luidkeels protesterend „uit naam van de kunst"

Senator Algra betoonde onlangs de christelijke moed(!) door de hoge overheid eraan te herinneren, dat zij zich te richten had naar de Waarheid (N.G.B., art. 36), ook op het terrein van de harerzijds te bedrijven cultuurpolitiek.

Zijn optreden werd in kringen van het valse idealisme — als tevoren reeds kon worden verwacht — fel gegispt.

Had toen onze Synode, die zoveel belangstelling toont voor wat er b.v. in Zuid-Afrika gebeurt, geen reden om zich nu eens te beraden op wat er dichterbij zo al gaande is?

Het is niet alleen de Bom, die ons plaatst voor 't dilemma „one world or none" (blz. 60).

Is daar ook niet zoiets als de Pil?

Zou het overmatige gebruik van insecticiden, enz. er niet mede toe kunnen leiden, dat onze wereld onbewoonbaar wordt (Rachel Carson)?

Wij willen nog een ander aspect van onze hedendaagse cultuur onder ogen zien, niet minder belangrijk.

Eeuwen achtereen waande zich de mens opgenomen in een krachtveld van machten uit de natuur (te onzent: de wind, het water, het zand, de wolf, epidemieën onder mens en dier, enz.); de natuur was voor hem een onder alle omstandigheden te vriend te houden vijand. De zin van zijn arbeid — toen nog persoonlijk beleefd — lag besloten in de collectieve bestaansnood. In en achter die machten projecteerde hij zich zijn godenwereld; de configuratie daarvan weerspiegelde zijn cultuur, c.q. zijn niveau van ontwikkeling.

Tot diep in de vorige eeuw wist zich die mens rondom „eingeschrankt" door die natuur, hoezeer hij toen reeds gevorderd was op de weg naar het atoomtiidperk, al was hij zich daarvan niet of nauwelijks bewust. De „Entgötterung" van zijn wereld was, zoals gezegd, mede de vrucht van de Reformatie.

Thans evenwel zijn het niet zozeer de machten uit de natuur als wel die van zijn cultuur, die het krachtveld bepalen, waarin zich die mens zijn bestaan opgenomen weet.

Hoe groot is alleen al het aantal dier machten in onze wereld! Alle tot op zekere hoogte present in de betekeniswereld van de individuele mens, bij wijze van signaallampjes: nu een's op groen, dan weer op rood springend .. .

De kernbewapening is één van die machten, naast de wetenschap en de techniek, de „apparaten" (prof. Banning), „den Haag" (een begrip in het leven van alle ambtenaren!), de mode, het getal „13", de macht der gewoonte, de macht van het kleine, enz.

Het optreden nu van deze machten verklaart ons het fatalistische levensgevoel van de moderne mens:

1. Cultuurmachten hebben dit gemeen met 'n vlieger, dat zij toom en staart behoeven. De staat b.v. (bijdrage XXIX) behoeft parlementaire controle en periodieke verkiezingen enerzijds (toom) en een solide constitutie anderzijds (staart). Het getij evenwel — de dynamische nationale en internationale samenleving — is van dien aard, dat menigeen zich afvraagt: Slaan die „vliegers" niet op drift?

2. Cultuurmachten staan permanent bloot aan het gevaar, dat zij een eigenwettelijk leven gaan leiden. Actueel blijft derhalve altijd de vraag: Is het de Geest van God of de anti- Heilige Geest, die zo'n cultuurmacht nu in een gegeven geval bezielt? Het Janusgezicht van de kernbewapening behoeft ons in dit verband niet te verwonderen; zulk een dubbelgezicht vertoont ten principale iedere cultuurmacht (schepping van de mens!)

3. De cultuurmachten van onze tijd vermeerderen zich niet alleen in aantal, het merendeel dier machten wint ook aan invloed (proces van schaalvergroting). Dit is de reden, dat de moderne mens de aanwezigheid van die machten in zijn wereld ervaart op soortgelijke wijze als eertijds zijn voorzaten de machten uit de natuur. Zo viel de mens van het ene uiterste in het andere, met eenzelfde levenshouding als consequentie ...

Het is aan de staat (niet aan de kerk) om te voorkomen, dat zo'n cultuurmacht ontaardt.

Het veto van onze Synode met betrekking tot een eventueel gebruik van kernwapens mist derhalve alle gezag.

Het is aan de kerk 's mensen situatie transparant te maken op een zodanige wijze, dat zij zich geheel ontslagen mag weten van haar eigen verantwoordelijkheid (het voortleven van het Koninkrijk Gods).

Aan die cultuurmachten bezondige zij zich niet door als anti-ideologie te fungeren (geen cultuurmacht of er kleeft altijd wel een ideologie aan; de kerk als instituut houde zich dit mede voor gezegd!)

Jammer, dat dit veto gehandhaafd werd, als ons nu blijkt uit het vervolgrapport „Woord en Wederwoord"

Een factor apart is tenslotte nog de ideologie van het v.m. verzet.

In de afgelopen oorlogsjaren droomden velen van een betere wereld, na de bevrijding als bij toverslag uit de grond te stampen. Alles zou alsdan behoren te worden vernieuwd.

Daarbij zagen deze idealisten drie dingen over het hoofd:

1. Het waardensysteem van een mens moge veranderen, zijn natuur verandert niet.

2. Aan elk van beide zijden van het oorlogsfront verminderde de geloofwaardigheid van het Woord van God, doordat de kerk als instituut er zelf aan meewerkte, dat de christelijke godsdienst als een anti-ideologie werd geëxploiteerd: „Christlicher Glaube verleiht zwar Widerstandskraft gegen totalitare Ansprüche von Regierungen und Parteien, aber diese Fahigkeit ist nicht das Motiv, die Ursache des Glaubens, sondern dessen Folge. Wer die notwendige Folge zum Zweck des Glaubens macht, denaturiert ihn, macht ihn unglaubwürdig, verwandelt ihn in eine Ideologie" (prof. Fetscher).

3. Het was te voorzien, dat het spel met het formele, boven-individuele gezag, ons toen aangeprezen als de hoogste vaderlandse deugd, niet eindigen zou op de dag van de bevrijding.

Het was de columnist Liddel Hart, die ons destijds zo gewaarschuwd heeft voor de nasleep van dat spel (1948).

In kringen van het valse idealisme evenwel vond deze waarschuwing geen weerklank (bijdrage XXX).

De na-oorlogse, officiële koers van de Nederlandse Hervormde Kerk verraadt van voornoemde ideologie de sporen, als uit het aanvankelijke kernwapenrapport al heel duidelijk kan worden opgemaakt.

Het was m.i. mede onder invloed van die ideologie, dat het moderamen van onze Synode zich destijds zo haastte met ex-staatssecretaris Calmeyer van repliek te dienen, wat toch met een figuur als dr. van Leeuwen niet het geval is geweest (bijdrage VII). Maar het was eerstgenoemde autoriteit, die de spijker boven op z'n kop sloeg door te stellen, dat in onze wereld niet zozeer de vrede als wel de vrijheid centraal behoort te worden gesteld.

De vrijheid is van de vrede (streefdoel van de democratie) zowel als van de gerechtigheid (streefdoel van de rechtsstaat) de wortel en de vrucht. Het is geen toeval, dat de woorden „vrijheid" en „liefde" etymologisch verwant zijn: het was in de familiekring, dat de primitieve mens zijn vrijheid beleefde. Ons woord „vrijen" wijst in dezelfde richting. Het polaire, doch multivalente begrip „vrijheid" heeft in onze wereld nog slechts betekenis in een dubbel gepolariseerde gemeenschap, waarvan de liefde de denkbeeldige centrale pool uitmaakt (bijdrage XXV)

In het voorgaande hebben wij een aantal factoren opgesomd, die ons een verklaring zouden kunnen geven van het feit, dat onze samenleving zo bevattelijk blijkt te zijn voor het valse idealisme van onze tijd.

Hiermede is dan tevens verklaard, waarom de moderne mens zo onrustig is, en uit-evenwicht. Schuldgevoelens met betrekking tot zijn verleden en angstgevoelens met betrekking tot zijn toekomst doen hem afwijken van het juiste midden in zijn gedrag, met als gevolg, dat hij voortdurend in onvrede leeft, niet alleen met zijn „Umwelt" maar ook met zichzelf.

Wat zou hierop nu het antwoord behoren te wezen van de zijde van de kerk?

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1964

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1964

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's