De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het tijdgeloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het tijdgeloof

Het tijdgeloof 5

6 minuten leestijd

Waarom de waarschuwing tegen en de behandeling van het tijdgeloof ook nu in deze tijd en onder ons nog voortgezet ?

Vooreerst omdat er in het krachtveld van de bediening van het Evangelie en van de werkzaamheid des Heiligen Geestes in de gemeente te allen tijde de gevaren zijn van de aanraking met de krachten der toekomende eeuw en de goederen van het Koninkrijk, dat niet van deze wereld is, zonder dat het komt tot een volledige capitulatie. Wel worden bepaalde sectoren of bepaalde lagen van het zieleleven beïnvloed, maar niet doortrokken van de dingen, die des Geestes Gods zijn. De natuurlijke religie wordt daarbij versterkt, maar de oude mens handhaaft daarin zichzelf te meer. Het komt niet tot een radicaal: de mens niets, Christus alleen alles.

De bijbelse waarschuwingen liggen ook in heel de Schrift verspreid. Men kan verlicht zijn (Hebr. 6:4), opgewekt zich verheugen in het evangelie (Matth. 13 : 20), ijverig in het vragen naar Gods wil en in het onderhouden van vele godsdienstige gebruiken (Jes. 58; de farizeën), onder de indruk van het Woord Gods als de mensen in Joh. 7 : 46, openlijk belijdenis doen van schandelijke zonden als Saul, en zich verootmoedigen als Achab, op de bres staan in een tijd van gevaar als Demas en goederen afstaan als Ananias en Saffira, desnoods zich overgeven om verbrand te worden, overtuigd zijn als Judas en beven voor het Woord Gods als Felix, de zaligheid verwachten als de dwaze maagden, voor een tijd een beter leven leiden als degenen, uit wie de boze, onreine geest uitgegaan is (Matth. 12 : 43 V.V.). Dit alles kan vergezeld gaan van allerlei bevindingen en het smaken van het goede Woord Gods; men kan een soort geloof hebben als Simon de tovenaar; er kan een soort boetvaardigheid zijn, zodat men in het zwart treurig wandelt, zoals de mensen, die Maleachi tekent in Mal. 3 : 14; er kan een grote vrees voor God zijn als bij Bileam, die voor al het goud van de wereld niet wilde meegaan met de boden van Balak, zonder van God verlof te vragen en te verkrijgen; er kan een vage hoop zijn, die in Job genoemd wordt: de verwachting des huichelaars; men kan een zekere liefde koesteren tot een ernstig en oprecht getuige van Gods waarheid, zoals Herodes koesterde tegenover Johannes de Doper; men kan blijkens de Hebreenbrief deel hebben aan allerlei bijzondere mededelingen Gods — en toch maar „bijna bewogen" zijn als Agrippa.

Deze sombere opsomming kan men vinden bij al die oude schrijvers, die ons een toetssteen van ware en valse genade willen medegeven. Ik vond haar ook in een boekje van de Schot William Guthrie (1620/1665). Deze Schotse prediker uit de 17e eeuw was in het bijzonder een begenadigd pastor. Hij wist op een ongedwongen manier zich in allerlei gezelschap te bewegen, als legerpredikant b.v., maar ook temidden van de Schotse adel, waarmee hij b.v. op jacht ging, omdat zulk een ontspanning goed was voor zijn eigen gezondheid en omdat hij er op uit was het contact met alle kringen van de bevolking in stand te houden en dienstbaar te maken aan zijn pastorale zorg. Guthrie's arbeid is een bewijs tegen de gedachte, dat een breed ingaan op de vragen, die liggen in het grensgebied tussen oprecht geloof en tijdgeloof, wel moet leiden tot een versombering van het geloofsleven en een dalen van het geestelijk niveau. Hij werd predikant in een nieuwe gemeente, die vroeger behoorde tot een uitgestrekte grotere gemeente. Vanwege de grote afstand was het kerkbezoek uit dit afgelegen oord gering en met het geestelijk en zedelijk leven was het niet best gesteld. Daar werd een nieuwe kerk gebouwd en Guthrie als eerste predikant van de nieuw-gestichte gemeente Fenwick beroepen. En nu is 't treffend, dat Guthrie, die nooit een andere gemeente gediend heeft, later dit getuigenis van haar mocht geven: „Van de 500 lidmaten zijn er wel 300, van welke ik naar de liefde oordele, en enige troostelijke verzekerdheid hebbe, dat ze genade gevonden hebben in Gods ogen en waarlijk bekeerd zijn; en 60 daarvan verstaan meer, dan ik hun kan prediken".

Als we daarnaast leggen verschillende uitspraken van Calvijn omtrent de weinigen, die het Evangelie waarlijk verstaan en doorleven, dan is dit een getuigenis om jaloers op te worden en dat getuigt van bijzonder rijke zegen.

Het is de bekende Jacobus Koelman, predikant te Sluis in Zeeuws-Vlaanderen, die het boekje van Guthrie: des Christens groot Interest, heeft vertaald en die het heeft voorzien van een „Aanspraak" aan de Godzalige lezer en in het bijzonder „aan de geestelijk bekommerde vrome zielen in de bloeiende gemeente van Sluis in Vlaanderen".

Twaalf jaar na de eerste uitgave, in 1680, verschijnt de 7de druk van dit boekje, voorzien van een „tweede aanspraak" aan de lezer, waarin Koelman vertelt van de gezegende dienst, die het boekje aan predikanten en gemeenteleden heeft mogen bewijzen. In diezelfde voorrede vertelt hij dan van het schone getuigenis dat Guthrie mocht geven van zijn eigen gemeente.

Ik vertel dit alles, omdat men menigmaal al te spoedig gereed is met iets te mompelen over „piëtisme" en om alle schrijvers over één kam te scheren.

Het is wel waar, dat het eenzijdig bezig-zijn met alles wat er allemaal in de mens om kan gaan zonder waarachtig geloof, gevaren kan opleveren voor een bloeiend geloofsleven, omdat de angstvallige zelfbespieding als gevolg heeft, dat het geloof geen voet durft te verzetten. Maar het gaat niet aan de Nadere Reformatie verantwoordelijk te stellen voor het verval van de kerk in de 18e eeuw. Dat het volksleven toen rijpte voor de Franse Revolutie is veeleer te wijten aan degenen, die met een platvloerse, intellectualistische theologie zich tegen de mannen van de Nadere Reformatie verzetten, dan aan deze beweging zelf.

Het is zeker, dat niet alle geestelijke medicijnmeesters de juiste methode hebben toegepast en de rechte medicijnen hebben toegediend. Dat is een kwalijke zaak, die in de medische wereld ook telkens weer ongelukken veroorzaakt.

Maar dat betekent niet, dat men zich met de kwalen maar niet moet bezig houden en de mens alleen maar moet suggereren dat hij gezond is.

En nu zijn er gelukkig ook tal van bekwame zieleherders geweest, die waarlijk niet de bedoeling hadden de harten van hun hoorders en lezers al maar in duisternis en in onzekerheid te laten verkeren. Integendeel. Wie een boekje als dat van Guthrie leest, ziet daar een pastor aan het werk, die met diepe ernst rekening houdt met de bedriegelijkheid van het mensenhart, maar die er tevens op uit is het zwakke maar oprechte geloofsleven te versterken en te bemoedigen. En daarbij laat Guthrie (en met hem vele anderen) ons niet verdwalen in een donker woud van kenmerken, maar reduceert alle vragen tot de centrale vraag omtrent onze verhouding tot Christus, zoals Hij in het Woord door God ons voorgesteld en aangeboden wordt.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het tijdgeloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's