DE CATECHISMUS
DE CATECHISMUS 24
De eeuwige God straft met eeuwige straf.
De eeuwige God straft met eeuwige straf.
Vraag en antwoord 11.
Vr. Is God dan niet barmhartig?
A. God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zo eist Zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt.
Schrijvende over de eeuwige straf Gods worden we genoodzaakt ons ook rekenschap te geven van bedenkingen, die tegen de gedachte van het eeuwige, van het hellelijden der verdoemden worden ingebracht. Voor velen in onze tijd klinken deze woorden al te hard. Maar spreekt de Schrift dan anders over degenen, die in hun onbekeerlijkheid wegsterven zonder ooit geleefd te hebben? Doch we willen niet op onze stof vooruit lopen.
Laat ons beginnen met te wijzen op de al heel oude leer van de wederoprichting van alle dingen. Reeds zeer vroeg kwam namelijk de mening op, dat de eeuwige straf in de hel niet strookte met de barmhartigheid Gods. Het verduisterd verstand werd op de troon gezet, en zo liet men zich niet alleen voorlichten door de Schrift, maar ook de wijsbegeerte dezer wereld sprak een woordje mee. Volgens de leer van de wederoprichting aller dingen, waarvan Origenes de vader is, zullen tenslotte alle schepselen, tot zelfs de duivelen toe, de zaligheid en heerlijkheid ontvangen.
Deze leer loochent dus de eeuwigheid van de helse straf. Zij stelt, dat ook na de dood nog bekering mogelijk blijft. Aan de mens wordt de vrije wil toegedacht. Allen zullen hun verharding prijsgeven. Het geloof in de liefde Gods kan ook niet anders denken dan dat tenslotte de overmachtige liefde Gods volkomen zal triumferen.
Deze leer heeft steeds zijn aanhangers gehad. In de tijd der hervorming leerden vele Wederdopers ze; in de vorige eeuw werd ze aangehangen door Schleieimacher, de vader der ethische theologie. En in onze tijd gluurt ze ook telkens weer door de kieren van het theologisch denken. Ik meen te mogen zeggen, dat in de nieuwere theologie alle bouwstoffen voor deze leer gereed liggen. Wanneer een Christus-monisme de verwerping in Christus eens en voor altijd laat geschied zijn als een onherhaalbaar feit, zo komt men met zijn denken vanzelf op het spoor van deze leer. Dan moet men op zijn minst wel gaan spreken van een onmogelijke mogelijkheid.
Nu kan men toch niet ontkennen dat Gods Woord andere dingen spreekt. Niemand spreekt juist breder en uitvoeriger over de eeuwige straf dan de Heere Jezus Christus zelf, vooral in Matth. 24 en 25. Nergens ook leert Gods Woord, dat er na dit leven nog mogelijkheid tot bekering is. De beslissing ligt aan deze zijde van het graf, waar toch ieder zal wegdragen wat in het lichaam geschied is, hetzij goed, hetzij kwaad. Gods Woord zal ons zijn het einde van alle tegenspraak. Of het moet zijn dat de Heilige Schrift ons niet meer zonder reserve Gods Woord is.
Van ouds heeft men wel gewezen op enkele Schriftwoorden, die toch iets anders schijnen te zeggen, n.l. 1 Petr. 3 : 19 en 1 Petr. 4 : 6. We hebben echter op Schriftplaatsén, die op zichzelf niet terstond duidelijk zijn, het licht van de gehele Schrift te laten vallen, opdat we zo de mening van de Heilige Geest mogen verstaan. Nu luidt 1 Petr. 3 : 19 als volgt: Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden. Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest, in Denwelke Hij ook, heengegaan zijnde, de geesten die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft.
Lettend op het verband en luisterend naar het gehele Schriftgetuigenis zal wel gedacht moeten worden aan de prediking van Noach, waarin de Geest van Christus was. Nieuwere verklaarders denken nog eerder aan het triumferen van Christus in Zijn hemelvaart over de geesten die onder het oordeel zijn. We gaan hierop niet verder in, doch menen dat alleen een eigenmachtige tendentieuze exegese in deze tekst evangelieverkondiging aan de afgestorvenen kan indragen.
In 1 Petr. 4 : 6 lezen we, dat aan de doden het evangelie verkondigd is. Het verband maakt echter wel duidelijk, dat hier bedoeld wordt, dat aan de gelovigen, die nu in de Heere ontslapen zijn, bij hun leven het evangelie is verkondigd, opdat zij wel geoordeeld zouden worden naar de mens in het vlees (n.l. de lichamelijke dood moesten ondergaan), maar leven zouden naar God in de Geest (alzo de zaligheid na dit leven zouden smaken).
We handhaven tegenover allerlei Schriftkritiek de eenheid van de Heilige Schrift. De Heilige Geest spreekt Zichzelf niet tegen.
Ook de leer der conditionele of voorwaardelijke onsterfelijkheid is door velen voorgestaan. Deze leer houdt in, dat de onsterfelijkheid aan de gelovigen bij hun sterven geschonken wordt, terwijl de duivelen en goddelozen geheel vernietigd zullen worden. Er is een zalige opstanding, en ook een opstanding, tot verderf, maar dan in de zin van totale vernietiging.
De Heilige Schrift biedt echter ook voor deze gedachte geen plaats. Gods Woord spreekt van een eeuwig straflijden, dat eeuwige pijniging inhoudt (Matth. 25 : 46) en eeuwige wening en knersing der tanden (24 : 51). We denken ook aan de woorden van Christus in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus: En de rijke man stierf ook en werd begraven; en als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijnen .... Hier wordt duidelijk een toestand beschreven.
Men heeft vroeger gezegd: Jezus heeft zich in dergelijke uitspraken aangesloten bij de toenmalige voorstellingswereld. In onze tijd spreekt men van de tijdgebondenheid van de Bijbel. En het meest radicaal op dit punt is wel de geleerde Bultman, die meent dat de Bijbel moet worden ontdaan van zijn mythologisch gewaad. Onder dat gewaad verstaat hij dan de inkleding van zgn. mythen en sagen, ook wonderen, waaronder hij ook b.v. het lege graf van Pasen vat. On dit standpunt wordt de hele openbaring zoetjes aan weggeëxegetiseerd. Men houdt niets meer over dan het zogenaamde „kerugma", de verkondiging. Daarom zou het ook alleen maar gaan. Maar dat betekent dan ook, dat het een verkondiging wordt zonder wezenlijke inhoud, zonder wezenlijke heilsfeiten, die als feiten in de historie der mensheid van Godswege staan opgericht.
Zo is de moderne „theologie" bezig alle grond onder de voeten weg te graven. En we mogen wel weten wat we doen, als we b.v. over de hel alleen maar op het kerugmatische vlak menen te mogen spreken. Dan mag niet ingegaan worden op de vraag: Is er een hel ? Men mag alleen in de verkondiging de hel opnemen als bedreiging en tot vermaan. En men wijst er dan op, dat in de Schrift zo de verbanden ook liggen. Wij menen echter, dat in de Schrift de bedreiging enz. wel degelijk geschiedt tegen de achtergrond van het wezenlijk bestaan der hel. We moeten — meen ik — er wel oog voor hebben, dat het gevaar zeer groot is, dat — zij het op grote afstand en aarzelend — de gereformeerde theoloog deze eenzijdige kerugmatische visie zou gaan volgen, doordat hij zich niet meer uit haar ban kan bevrijden.
Wanneer de Heilige Schrift voor ons de openbaring is, waarin God tot ons gekomen is (N.G.B. art. 3-7), kan onmogelijk deze scheiding van historiciteit en verkondiging worden erkend. De verkondiging is verkondiging van historische heilsfeiten, naar de openbaring Gods.
In dit gelovig buigen voor de Heilige Schrift als Gods openbaring wijzen we dan ook de leer der conditionele onsterfelijkheid af. Wel leert ons de Schrift dat God alleen van Zichzelf en in Zichzelf onsterfelijkheid heeft; evenzo dat de zalige onsterfelijkheid (waarover Calvijn zoveel spreekt) een bijzondere genadegave Gods is. Maar dat doet niets af aan de zaak, dat God de verachters van Zijn Naam zal stellen tot eeuwige afgrijzing (Dan. 12 : 2; Matth. 25 : 46).
Natuurlijk is het zaak elkander er op te wijzen, dat we met een dor belijden van waarheden geen steek verder komen. Het gaat om een persoonlijk betrokken zijn op de Waarheid, de gehele openbaring, die in Jezus Christus haar centrum heeft, en in de gestalte der Heilige Schrift tot ons is gekomen. Maar de dwaasheid van bespiegelende kennis en belijdenis van bijbelse „waarheden" mag niet gewroken worden op de Openbaring, die niet slechts als kerugma wil geëerd worden, maar allereerst als openbaring Gods aangaande de dingen die geschied zijn en onder ons volkomen zekerheid hebben (Luk. 1:1).
Gezegend is dan hij, die niet de barmhartigheid Gods verheft ten koste van de wrekende gerechtigheid Gods, maar belijdt: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig . .. Alleen die valt onder het oordelend recht Gods, zal leven door het genaderecht in en door Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's