De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Calvijn over het Heilig Avondmaal 4

6 minuten leestijd

Overgebleven zwakheid en Heilig Avondmaal

door ds. Jac. Vermaas

IV.

Overgebleven zwakheid en Heilig Avondmaal.

Calvijn beseft het gevaar, dat verscheidene eenvoudige zielen geheel beroerd worden door hetgeen tot nog toe over het gebruik van het Heilig Avondmaal is gezegd.

Want er is toch nergens op aarde een mens, die zich zo sterk in geloof en heiligheid des levens heeft bevestigd, dat hij nog nietvele zwakheden,zowel in het een als in het ander heeft. Daarom moet men hen tegemoet komen en de voorschriften zowel van geloof als van berouw, die wij gesteld hebben, matigen.

Want het is een gevaarlijke manier van onderwijzen, die sommigen hebben, om n.l. een volmaakt vertrouwen des harten en een volmaakt berouw te vor­deren en hen uit te sluiten, die dit niet hebben.

Doet men dit — zo zegt Calvijn — dan worden zonder onderscheid allen uitgesloten.

Want wie zal zich kunnen beroemen dat hij met 'geen enkele twijfel meer bezoedeld is ? Wie zal durven zeggen dat hij niet in staat is tot elke ondeugd en zwakheid ? Weet ge hoe het staat met het geloof van de kinderen Gods ? Wel, dat geloof is van dien aard, dat zij altijd stof hebben om te bidden, dat de Heere hun ongeloof te hulp komt. Ongeloof komen we nooit te boven. Want ongeloof is een ziekte, die zó in onze natuur is ingeworteld, dat wij er nooit volmaakt van genezen worden, zolang we in dit lichaam gevangen zijn.

Ja, sterker nog, de levenswandel in reinheid van Gods kinderen is zodanig, dat zij altijd stof hebben om te bidden om vergeving der zonden en om genade om meer vorderingen te maken.

De een is meer onvolmaakt, de ander minder, maar er is toch nergens iemand te vinden die niet van het rechte pad afwijkt. Wanneer dan ook een volkomen geloof of deugd er ons moest aanbrengen, dan zou het Avondmaal nergens toe dienen, ja zelfs zou het ons schadelijk zijn.

Calvijn zegt het echter nog eens, dat het tegendeel in de bedoeling van onze Heere ligt, want Hij heeft niets heilzamer aan Zijn gemeente gegeven dan het Avondmaal.

Wanneer wij dus een onvolmaakt geloof in ons ontdekken en ons geweten ons beschuldigt van vele ondeugden, zo moet dit ons toch niet verhinderen om aan de tafel des Heeren plaats te nemen.

Terwijl deze zwakheid er is, moeten wij echter zonder huichelarij of geveinsdheid in ons hart gevoelen, dat wij de zaligheid van Jezus Christus verwachten èn dat wij volgens het Evangelie wensen te leven.

Met nadruk onderstreept Calvijn, dat men hierin nooit huichele. Hij wijst er op, dat er velen zijn, die zichzelf door ijdele vleierijen misleiden. Ze maken zich wijs, dat het voldoende is zijn ondeugden te veroordelen, terwijl zij die voortdurend aan de hand houden of die slechts voor een tijd verzaken om weldra er zich weer aan over te geven.

Het ware berouw toch is vast en bestendig, daar het ons niet voor een dag of voor een week, maar zonder eind en zonder ophouden tegen het kwaad, dat in ons is, doet strijden.

Wanneer zijn we dan geschikt om aan het Avondmaal deel te nemen ? Als wij in onszelf een flink mishagen en haat tegen alle ondeugden gevoelen, voortkomende uit de vreze Gods, en een begeerte om de Heere welbehagelijk te leven. Dan zijn we geschikt, in weerwil van de tekenen der zwakheid, die wij dragen in ons vlees.

Ja, zo gaat Calvijn verder, als wij niet zwak waren, geen reden hadden om onszelf te wantrouwen en ons leven niet onvolmaakt was, dan ware het sacrament ons tot niets nut, en het zou overbodig geweest zijn om het in te stellen.

De hervormer noemt 't Heilig Avondmaal een geneesmiddel, dat God ons heeft gegeven. Waarom, met welk doel ?

Om onze zwakheid te hulp te komen.

Ons geloof te versterken.

Onze liefde te vermeerderen.

Ons in heiligheid des levens te doen toenemen.

Daarom als wij gevoelen, dat de ziekte ons drukt, moeten wij het Heilig Avondmaal te eerder gebruiken. Besef van schuld moet ons eer aansporen dan verhinderen om aan het Avondmaal te gaan. Wanneer wij de zwakheid in ons geloof en in de heiligheid des levens aanvoeren als reden om van het Heilig Avondmaal weg te blijven, dan zijn wij gelijk aan iemand, die weigert medicijnen te gebruiken, omdat hij ziek is.

Ziedaar dus hoe de zwakheid van ons geloof en de onvolkomenheid, die zich in ons leven openbaart, ons moet aansporen tot het Avondmaal te komen als tot het eenvoudige middel om die te verbeteren. Slechts dit: Laten wij er nooit komen zonder geloof en berouw. Wat Calvijn hier opmerkt over de overgebleven zwakheid is duidelijk  en troostrijk voor een ieder, die met deze overgebleven zwakheid zit, de smart daarover kent en er tegen leert strijden. Onwillekeurig denken we hierbij aan het prachtige stukje uit ons klassieke Avondmaalsformulier: „Daarom, al is het dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk: dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulk een ijver om God te dienen niet begeven als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid onzes geloofs en de boze lusten onzes vleeses te strijden hebben ; nochtans, desniettegenstaande, overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn en wij begeren tegen ons ongeloof te strijden, en naar alle geboden Gods te leven; zo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geen zonde noch zwakheid, die nog (tegen onzen wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat God ons niet in genade zou aannemen en alzo deze hemelse spijze en drank waardig en deelachtig maken".

Hoe dikwijls?

Hoe dikwijls men aan het Avondmaal moet gaan is niet voor allen met zekerheid te bepalen. Er zijn soms, zo merkt Calvijn op, bijzondere geldige redenen, waarom men er zich van moet onthouden. Bovendien hebben wij geen enkel bepaald gebod om alle christenen te dwingen het te gebruiken telkens wanneer het hun wordt aangeboden.

Wanneer wij echter goed het doel beschouwen, waartoe de Heere ons leidt, dan zullen wij erkennen, dat wij het menigvuldiger moeten gebruiken, dan velen gewoon zijn.

Want terwijl onze zwakheid ons drukt, hebben wij reden om zoveel meerdere malen ons op te wekken door hét middel, dat dienen kan en moet, om ons in het geloof te bevestigen en in heiligheid des levens te doen toenemen.

Om deze reden — zo merkt Calvijn op — moet het in alle welingerichte gemeenten het gebruik zijn, het Avondmaal zo dikwijls te vieren, als de leden bekwaam zijn het te dragen.

Ieder moet zich in het bijzonder voorbereiden het Avondmaal telkens te gebruiken, wanneer het in de gemeente, waartoe hij behoort, wordt bediend, tenzij hij gewichtige redenen mocht hebben, die hem dwingen zich ervan te onthouden.

Juist omdat wij geen bepaald gebod hebben, dat ons dag en uur van het Avondmaal voorschrijft, moet het voor ons genoeg zijn de bedoeling des Heeren te kennen.

De Heere wil, dat wij zó zullen zijn, dat wij het dikwijls kunnen gebruiken. Gaat dit met ons niet, dan kennen wij het nut nog niet goed, dat ons in het Avondmaal wordt geboden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's