De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het tijdgeloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het tijdgeloof

Het tijdgeloof 6

5 minuten leestijd

Graag wil ik nog even bij het boekje van Guthrie blijven staan. Het is trouwens een werkje, dat, naar ik las, door John Owen, de grootste Calvinistische theoloog, die Engeland ooit heeft bezeten, buitengewoon gewaardeerd werd.

Het aantrekkelijke van dit boekje is, dat het het centrale in het Evangelie ook in het centrum laat staan als het gaat om de pastorale behandeling van geloofsvragen en geloofsbezwaren.

Het centrum blijft: geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.

De bezwaren en gevaren van het tijdgeloof worden trouwens niet als een aparte zaak behandeld, maar vooral van uit het bezwaarde hart van bekommerde zielen, die vragen: zou ik mij niet bedriegen en zou mijn geloof wel iets anders zijn dan dat ondiepe tijdgeloof.

Guthrie laat zich niet verleiden om, vanwege het gevreesde tijdgeloof, aan het geloof in Christus niet de plaats te geven, die er aan toekomt en om dan in plaats van over het geloof in Christus, over andere dingen te gaan spreken en daarin de zekerheid des geloofs te gaan zoeken. Wel zal hij handelen over die dingen, die naar de Schrift onlosmakelijk aan het geloof verbonden zijn en waarvan de aanwezigheid de zekerheid des geloofs ondersteunen kan.

Hij houdt daarbij voldoende rekening met de verscheidenheid in de wegen, die God met de Zijnen houdt.

Hij geeft daar korte beschrijvingen van en handelt daarbij ook over de zgn. voorbereidende genade. Van het werk dezer „voorbereidende genade" geeft hij ook een duidelijke tekening, tot hij het punt benadert „omtrent het krieken van den dag", waarop eigenlijk niet langer van voorbereiding sprake is, omdat de bereidheid geboren is het verbond der genade van harte te omhelzen.

Daarbij is de duur en de intensiteit verschillend. Hij wijst op de 3 dagen, die er bij Paulus liggen tussen de ontmoeting op de weg naar Damascus, die hem nederwierp en de komst van Ananias in Damascus met de volheid van het Evangelie, op het enkele nachtelijke uur van wettische verschrikking bij de stokbewaarder, en op anderen, die hieronder helemaal niet gebracht worden. Want — beschrijven is iets anders dan voorschrijven. „God handelt zo met sommigen", zegt hij. Hij rekent niet degenen, die God in hun prille jeugd tot Zich getrokken heeft en niet degenen, die op zeer evangelische wijze worden toegebracht, waarbij de bekering van Zacheüs bij hem (evenals trouwens bij vele oude schrijvers) het geliefde voorbeeld is.

Hij rekent er mede, dat de openbaring van het geloofsleven in verschillende gelovigen velerlei is en in de Bijbel getekend wordt in de concrete verscheidene omstandigheden en noden, waarin het geloof werkzaam is.

Het is daarom fout, wanneer men zich aan alle geloofsuitingen van de mannen Gods in de Schrift tegelijk wil toetsen. Het leven is voortdurend gevarieerd en de Bijbel is in al deze dingen levenswaar.

Daarom moet men bij de onderscheiding van oprecht geloof en tijdgeloof het centrale ook werkelijk in het centrum laten staan.

En nu is het zondige van het tijdgeloof juist, dat het het centrale niet centraal stelt.

We hebben al eerder aangevoerd, dat de overtuiging van de hypocrieten zelden of nooit betrekking heeft op de verdorvenheid van het hart. Daarom is de tijdgelovige nooit alle grond in zichzelf kwijtgeraakt. Hij houdt altijd enige ingebeelde gerechtigheid over. Hij is niet zo ontledigd, dat Christus alléén hem verzadiging en vrede kan schenken.

De tijdgelovige heeft trouwens nooit zulk een belang bij de rijkdom van Gods genade in Christus, dat hij terwille daarvan alle dingen schade acht.

Felix zal te gelegener tijd er veel meer vafn horen, en Kaïn heeft het straks te druk met het bouwen van zijn stad om voor de beschuldiging van zijn conscientie vrede te zoeken in het Evangelie van Hem, Die komt om de werken des duivels te verbreken en verzoening aan te brengen.

Wel kan de beschuldiging als bij Judas tot wanhoop brengen, maar dat is geen middelpunt zoekende, maar een middelpunt vliedende kracht.

En om dat middelpunt gaat het. Ook Guthrie waarschuwt, dat velen menen deel te hebben aan Christus zonder dat dit inderdaad zo is.

Maar — en dit is belangrijk — wij moeten het al of niet deel hebben aan Christus laten bepalen door de Schrift.  „De Geest, sprekende in de Schrift is Richter van alle verschillen". Wat wij nodig hebben is ogenzalf van Christus om van de dingen te oordelen, zoals het Woord Gods die openbaart.

Dat Woord is duidelijk. Het laat duidelijk zien, dat het vrije, souvereine liefde in Gods hart was, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft en dat niet iets in de mens Hem bewoog. Laat de mens dan ook geen reden in zichzelf zoeken om vrijmoedigheid te hebben in Christus als zijn Zaligmaker te geloven.

God komt in dat Woord tot ons met een „voorslag". Het komt er op aan, dat wij van harte daarop ingaan. Hij stelt ons voor een door Hem „beraamde weg" in Christus. Hij stelt ons voor die „vond" (een in de ouderwetse vertaling telkens gebruikte uitdrukking om het wonderlijke van de door God in Zijn raad gevonden wég" der verlossirig in Christus uit te drukken) en Hij vraagt niet anders dan dat ons hart daar oprecht „amen" op zegt.

De overtuiging van zonde is daarmede niet in strijd, maar juist in overeenstemming, opdat God Zelf alléén de hoop van de zondaar zal zijn en niet de eigen heiligheid. (Wie van dit absolute genade-karakter van het verbond van Gods genade een dekmantel zou willen maken om te zondigen, heeft God niet gezien).

Dat een mens zich laat weerhouden van de vrijmoedigheid des geloofs, komt menigmaal, omdat men te weinig geluisterd heeft naar hetgeen God in Zijn Woord zegt, dat Hij in Christus een God van louter genade is.

(Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het tijdgeloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's