De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het tijdgeloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het tijdgeloof

Het tijdgeloof 7

6 minuten leestijd

Als Guthrie het verschil gaat uitwerken tussen het waarachtig geloof en het tijdgeloof, dan is het eerste wat hij vooropstelt als kenmerk van het oprecht geloof „het aangrijpen van Christus, zoals Hij ons in het Evangelie wordt voorgehouden".

Hij beseft wel, dat de echtheid en de zekerheid des geloofs uit het geloof zélf op te maken, iets is, dat moeilijk te beredeneren valt, omdat het geloof zelf ook weer behoort tot het heil, dat in Christus is. Maar hij laat zich daardoor niet weerhouden te zeggen, dat het geloof in Jezus Christus en hét leunen op Hem, het bewijs zelf in Zich draagt, dat men deel aan Hem heeft.

Daarbij is het geloof zelfs in zijn laagste trap een gave Gods en boven de kracht van vlees en bloed. God moet de mensen tot Christus trekken.

Maar dat mag er niet toe leiden het geloof als iets onbereikbaars voor te stellen. Wij behoeven niet in de hemel op te klimmen of in de afgrond af te dalen.

Als er maar een honger is. Wie wil is welkom (Openb. 22: 17). „Is het", zo zegt hij, „een zaak, die zo duister en onoverwinnelijk zwaar is, gretig naar de verhoogde Heiland te zien (Jes. 45 : 22) en iets te ontvangen, hetwelk aangeboden en voorgesteld wordt en verklaard wordt van mij te zijn, indien ik het maar wil aanvaarden en aannemen en als 't ware mijn mond openen en het plaats geven? Zulk een zaak is het geloof (Ps.81 : 11) indien niet minder".

Laat men niet tegenwerpen, dat Christus en Zijn heil te groot zijn. Want men zal toch Hem moeten aannemen door het geloof of blijven in de staat van verdoemenis (Joh. 3 : 18, 36). „Het geloof is een zekere werking van het hart op Christus, zoals Hij in het Evangelie voorgesteld wordt".

Dat Christus in het Woord als een vrije gave Gods aangeboden wordt aan ieder, tot wien dat Woord komt, is voor Guthrie buiten kijf. Maar dan behoort tot bovengenoemde definitie van het geloof onontbeerlijk de bepaling: „zoals Hij in 't Evangelie voorgesteld wordt".

De broeders Erskine zijn het daarin volkomen met Guthrie eens. Er is ter wereld geen ruimer, hartelijker en dringender aanbod van genade in Christus te vinden, dan in hun prediking. Zij worden niet moede om Christus aan ieder, die hen hoort, voor te houden en dit voorhouden is een dringend aanbod, wat die hoorder ook moge zijn of niet zijn, hebben of niet-hebben. Geloof is daarbij ook voor de Erskine's „Christus aan te nemen en op Hem te berusten ter zaligheid, gelijk Hij ons in het Evangelie wordt aangeboden. „Waar dit laatste ontbreekt, is het eerste geen waarachtig Christus aannemen en op Hem berusten tot zaligheid. Want er is geen aannemen van of vereniging met de persoon van Christus, dan alleen gelijk Hij in het Woord der genade aangeboden wordt. Hiermede richt zich hun waarschuwing tegen alle enthousiasme of geestdrijverij, wat eigenlijk ook niet anders dan een vorm van tijdgeloof is. Het aannemen en het berusten op Christus is dan alleen maar inbeelding. „Het Evangelie is de spiegel, waarin wij de heerlijkheid des Heeren aanschouwen; maar neemt het Evangelie of de belofte weg, dan zult gij niets meer zien, dan een beeld van uw eigen hersenen". Christus aan te nemen in Zijn Woord, zegt R. Erskine, is Hem aan te nemen op Zijn Woord, om Zijn getuigenis aan te nemen door te geloven, daarvan verzekerd te zijn en een hartelijke toestemming daaraan te geven, en dus te betrouwen op Hem, Die in Zijn Woord tot ons spreekt, en te blijven hopen op Zijn Woord.

Altijd dus die nauwe verbintenis van geloof en Woord, of liever van het geloof en Christus in het Woord.

Guthrie bewandelt dezelfde weg. Hij ziet ook in het Evangelie het onvoorwaardelijke aanbod van Christus, waarbij ook hongeren, dorsten, vluchten enz geen voorwaarden zijn.

Het geloof is het verlaten van de Wet en van al haar werken, en, nadat het uit het Woord verstaan heeft, dat God een weg beraamd heeft om aan de goddelijke gerechtigheid genoeg te doen en de verloren mens te herstellen en dat door de menswording van Christus, dit zulk een goede en zekere weg te achten, dat het zich vasthoudt aan deze raad Gods, aan deze voorslag en beraming.

En nu is het kenmerk van geveinsden, dat zij Jezus Christus nooit „in die beraamde weg" aannemen. Altijd houden zij iets van henzelf vast om ten minste te helpen Gods gunst en zaligheid te verkrijgen.

Zij houden ook nog altijd aan de hand, wat zij te voren hebben liefgehad en trachten twee heren te dienen.

Het komt dus hierop neer, dat het onoprechte geloof nooit Christus alleen aanneemt tot rechtvaardiging en tot heiligmaking.

De mens blijft bij alle kennis, in­drukken en godsdienstigheid altijd vastzitten, zowel aan zijn eigengerechtigheid als aan de ongerechtigheid. Hij heeft nooit alle dingen schade leren achten om de uitnemendheid van de Heere Jezus Christus. De tijdgelovige is diep in zijn hart nooit ontledigd van zichzelf en van eigen eer en nooit is Christus als de enige toevlucht in het middelpunt van zijn leven komen te staan. Wanneer de tijdgelovigen Christus belijden is het toch nooit uit waarachtige liefde tot Hem en met een zuivere bedoeling, anders zou Christus gehouden zijn hen te belijden voor Zijn Vader. Nooit gaat het zoeken van het Koninkrijk Gods en van zijn gerechtigheid voorop. Nooit is men waarlijk zondaar geworden voor God, nooit heeft men een walging van zichzelf gekregen, nooit ook geeft men acht op al Gods geboden, anders zou men naar Psalm 119:6 niet beschaamd worden, nooit neemt men het gehele juk van Christus op zich.

Wie dan ook oprecht zichzelf en al het zijne verloochent, Christus in het verbond der genade van harte aanneemt en oprecht begeert door de kracht van Christus in een nieuw leven te wandelen, die mag er van overtuigd zijn, dat zijn geloof een oprecht geloof is en geen tijdgeloof.

We gaan nu de behandeling van het tijdgeloof besluiten. Alleen willen we nog eenmaal nagaan, waarom de bespreking er van nog altijd een actuele zaak blijft, ook in verband met allerlei theologische stromingen.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1965

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Het tijdgeloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1965

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's