DE VERSTANDIGE
„Kom en zie' Johannes 1 : 48
Misschien Hebt u wel eens bij uzelf gedacht, dat het helemaal niet zo wonderlijk was, dat Nathanaël zo sceptisch reageerde op het enthousiaste getuigenis van Philippus. Als we zijn woorden critisch gaan bezien, dan moeten we toegeven, dat er wel enige aanmerkingen op te maken zijn. Hij spreekt van Jezus van Nzizareth. Ofschoon de Heere wel uit Nazareth afkomstig was, was Hij toch niet uit Nazareth geboortig, maar uit Bethlehem. U vindt wellicht dit niet de moeite waard om daar de aandacht op te vestigen, maar laten we niet vergeten, dat in het leven, de kleinste details soms heel belangrijk kunnen zijn.
In ieder geval zou „uit Bethlehem" al heel anders geklonken hebben in de oren van Nathanaël. Was dit niet de stad Davids? Van deze plaats spraken de profeten, zijn woorden hadden beslist aan geloofwaardigheid gewonnen. De boodschap moet zuiver gebracht worden.
Het getuigenis van Philippus was op dit punt niet helemaal punt-gaaf. Onwillekeurig denken we in dit verband aan de jonge man, die op wonderlijke wijze door Christus „midden uit de wereld" gegrepen werd en een blijmoedig getuige werd. Zijn voeten waren geschoeid rnet de bereidheid des Evangelies, maar zijn voeten staken nog niet in al te Bijbelvaste schoenen, vandaar dat hij wel eens wat aan het glibberen ging als hij ging documenteren.
Zo riep hij, naar men ons vertelde, eens uit in het vuur van zijn rede: „Met de apostel Paulus mag ik getuigen, zoals hij schrijft in het boek der Psalmen: "Ik weet, dat mijn Verlosser leeft". We geven toe, dat, met deze jonge man vergeleken, Philippus bijzonder gunstig afsteekt. Hij spreekt geen bepaalde onwaarheid, daar de Heere inderdaad bekend stond als Jezus van Nazareth. Zo werd Hij genoemd, omdat Hij daar was opgegroeid. Toch zou het, menselijkerwijs gesproken voor Nathanaël aannemelijker geworden zijn als Bethlehem was genoemd als plaats van afkomst. In ieder geval had hij zich dan niet kunnen stoten aan het verachtelijke Nazareth.
De tweede aanmerking, die gemaakt kan worden is, dat Philippus niet alleen spreekt van Jezus van Nazareth, maar ook van Hem zegt, dat Hij de zoon van Jozef is. Welke verontschuldigingen we daarvoor mogen aanvoeren, het kan niet ontkend worden, dat daardoor de heerlijkheid van het Zoonschap Gods volstrekt achterwege bleef in zijn getuigenis.
Wie zou menen, dat dit een punt van ondergeschikt belang is, heeft geen begrip voor de strijd van de kerk om, op grond van het Oude en Nieuwe Testament te komen tot de belijdenis van de Godheid van Christus.
Het is waard om hierbij te wijzen op het feit, dat als straks Nathanaël mag komen tot het geloof en zal gaan belijden, dat hij dan vóór alles belijdt, dat Jezus is de Zoon Gods. Hoe indrukwekkend zou het geklonken hebben, als het hem van stonde aan was gezegd, dat deze Messias was de Zoon van God, naar de Schriften.
Deze tweede aanmerking moet de gedachte min of meer wel bij ons versterken, dat de weg tot het geloof door Philippus eerder moeilijker, dan gemakkelijker gemaakt is. Dit is een verootmoedigende gedachte, voor Philippus, maar waarlijk niet alleen voor hem. Zal elke prediker, als hij zijn eigen gebrek en tekort leert kennen, niet moeten erkennen, dat hij de mensen soms meer in de weg staat, dan dat hij de weg bereidt?
Bekende woorden en bekende klanken worden grif gebruikt, maar de bronnen blijven onaangeroerd. Bepaald vlekkeloos kan het allemaal niet genoemd worden en het is daarom dan ook niet zo heel wonderlijk, dat er sceptisch gereageerd wordt. Toch is het intussen zeer benauwend, als we bemerken, dat het ons niet lukt om de naaste voor Christus te winnen. Machteloos moet er vaak worden toegezien, dat steeds meerderen God de rug toekeren. Sommigen nemen dit laconiek op en liggen er geen nacht om wakker. De schuld zal wel bij de wegblijvers liggen. Het zal wel zo moeten zijn. Het ongelovig afwijzen van Nathanaël wordt door Philippus niet zonder meer aanvaard, niet, dat hij zich nu in allerlei bochten gaat wringen om hem, koste wat het kost, te overtuigen, neen, hij reageert zeer verstandig. Hij wordt niet boos, hij windt zich niet op, hij toont op eenvoudige wijze zijn geloof. Hij zegt: Kom en zie. In dit antwoord spreekt hij zijn vertrouwen uit. Zijn vertrouwen in Jezus van Nazareth. Philippus heeft geen enkele behoefte om met Nathanaël te gaan redetwisten, hij zoekt zijn kracht niet in een stortvloed van woorden en zeker niet in een stortvloed van scheldwoorden. Hij erkent, dat hij geen kans ziet om Nathanaël te doen geloven. Hij is aan het einde, maar dat wil niet zeggen, dat hij daarin berust en maar loslaat. Dit wordt maar al te vaak gedaan.
Voor Philippus blijft maar één weg open: De Heere. Hier ligt een les voor ons allen wat betreft de verhouding tot de ongelovigen, ook wat betreft de verhouding tot het ongeloof in ons eigen hart. Wat moet toch worden afgeleerd het betrouwen te stellen op de mens, en wat moet het toch worden aangeleerd om geheel op de Heere te vertrouwen, Al heeft Philippus het verloren, daarom is het nog niet verloren! Zou dit voor u geen troost mogen zijn? Geen mistroostig zwijgen, geen bodemloos zelfonderzoek, of hij het al of niet goed gedaan heeft, al weet hij geen raad met deze onwillige, de Heere zal zeker raad met hem weten.
Zie, dat is geloof. Hieruit blijkt ook, dat het ongeloof van Nathanaël het geloof van Philippus niet teniet heeft gedaan. De aanval was zeer fel, maar zijn geloof was er tegen bestand. Hoe zou het ook anders kunnen? Zou ons ongeloof het gelove Gods teniet doen? Dat zij verre.
Zo neemt Philippus Nathanaël mee naar de Heere, zie, dan is de uitkomst niet twijfelachtig. Dit is voor Philippus geen waagstuk geweest, zijn geloof was een zeker weten en een vast vertrouwen. Hij hoefde ook niet eerst te gaan vragen of het wel goed was, dat hij met zo'n betweter bij de Heere zou aankomen. Met een onverwachte gast aankomen valt niet altijd in goede aarde, doch bij de Heere wel. Het was voor de Heere trouwens niet onverwacht, want eer dat Philippus hem riep toen hij nog was onder de vijgeboom, had de Heere hem reeds gezien. Wij denken vaak veel te klein van de Heere, net als Nathanaël, doch Philippus zegt ons: „KOM en ZIE".
Wat valt het dan alles mee, dan gaat de Heere niet eens Nathanaël berispen. Hebt u daar wel eens op gelet? Integendeel, hij begint hem te prijzen, misschien wel tot verwondering van Philippus en zeer zeker tot onze verwondering. Wij hadden hem graag eens de les gelezen en het hem geducht laten voelen, dat hij een niets-weter was. Laat de Heere hem dat dan niet voelen? Jazeker, maar niet zoals wij. Zoals de Heere het doet, zo kunnen wij het niet. Laten wij het maar meer en meer aan Hem toevertrouwen, want al hebben wij het dan moeten verliezen, dan is nochtans de zege beschoren. Zijn wij aan het einde gekomen, laat ons het voor de Heere neerleggen, dat is de betekenis van het antwoord van Philippus
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1965
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1965
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's