Het tijdgeloof
Het tijdgeloof 8
Het is dus een nuttige en nodige zaak om tegen het tijdgeloof te waarschuwen. Het brengt mede, dat men des te nauwkeuriger en ook des te vertroostender ingaat op het karakter van het waarachtig geloof.
Het is er mee, als met bepaalde artikelen in de winkel. We worden er tegen gewaarschuwd, dat er allerlei surrogaat op de markt is. Maar tegelijk wordt ons gezegd, waaraan wij het echte artikel van allerlei namaak zullen kunnen onderscheiden.
We komen vaak de beschuldiging tegen, dat er te weinig „genuanceerd" over allerlei dingen, wordt gesproken. Daar moeten we allemaal altijd voor oppassen. Anders gaan we gemakkelijk generaliseren, over één kam scheren en in grove zwart-wit-tegenstellingen schematiseren. We stellen dan de zaken en de gevallen, waarmede we te doen hebben, te simpel. Maar nu is het in het bijzonder inzake het geloof nodig om „genuanceerd" te spreken. Want het leven van ons mensen is, vooral in de verborgen diepten van ons hart, bijzonder gevarieerd. Dat is het boeiende van de veelheid en verscheidenheid van de Bijbelboeken en van al de gestalten, die ons daar getekend worden. De aanraking met de wereld van het Koninkrijk Gods wordt daar in al de veelzijdigheid van de reacties van het mensenhart beschreven.
Daarom is in de prediking gevariëerj de tekstkeuze zeer belangrijk, ook al worden niet in iedere prediking alle mogelijke variaties van het geestelijk leven ter sprake gebracht. Het laatste zou zowel eentonig als vermoeiend en op de duur afstompend zijn. Maar wel is het nodig, dat de prediking recht laat wedervaren aan alles, wat de Bijbel ons laat zien van de arglistigheid van het mensenhart, maar ook van de strijd des geloofs, waarbij God een God is. Die het gekrookte riet niet verbreekt en de rokende vlaswiek niet uitblust.
Daarbij is er een geestelijke dieptepsychologie, die ons duidelijk maakt, dat in de diepere lagen soms het zaad van het Evangelie onuitroeibaar wortel geschoten heeft, ook al zijn er tijden, waarin de oppervlakte er dor uit ziet. En daartegenover is het mogelijk, dat er in de diepte van het hart geen leven gewekt is, al schijnt er aan de oppervlakte iets te groenen.
In dit verband denk ik aan bepaalde tegenstellingen tussen Luthersen en Gereformeerden over de volharding der heiligen. Voorzover de Lutheranen de belijdenis van de absoluutheid der verkiezende liefde Gods vasthielden, beleden zij ook, dat God nooit laat varen, wat Zijn hand begon. Maar toch was er verschil.
Deze, overigens rechtzinnige, Lutheranen ontkenden, dat wanneer iemand eenmaal wedergeboren was en tot een oprecht geloof was gebracht, er altijd een onvernietigbaar zaad in de diepte van het hart blijft. B.v. bij David in de tijd van zijn grote zonde en bij Petrus tijdens zijn verloochening.
Prof. Berkouwer wijst in één van zijn Dogmatische Studiën n.l. over Geloof en Volharding op Joh. Gerhard (1582— 1637, één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Lutherse orthodoxie), die meent, dat wanneer het geloof niet meer actief op Christus betrokken is en de „gelovige" tot „doodzonde" vervalt (hiermee bedoelden de Lutheranen grove zonden in tegenstelling met de dagelijkse zonden), dat dan de draad van het geloofsleven ook metterdaad afgebroken is en de genade, niet alleen voor het gevoel, maar werkelijk verloren is.
Indien zulk een mens, in wiens leven zulk een breuk gekomen is, dan toch behouden zal worden, dan is dit omdat de uitverkiezing borg staat voor een herhaalde wedergeboorte en een herhaalde rechtvaardiging. Wedergeboorte en geloof worden in de Lutherse theologie telkens getekend als verliesbare grootheden. De Lutherse theologen zijn, ook uit verzet tegen Doperse geestdrijverijen, zeer beducht voor een vleselijke gerustheid van uit de redenering: ééns Gods kind, altijd Gods kind.
Nu hebben we zeker ernstig op onze hoede te zijn, voor alle anti-nomianisme, dat het met de verhouding tot God en Zijn verbond niet voluit ernstig neemt. Daarom spreekt de Bijbel ook zo kras over alles, wat men aan indrukken, kennis en gevoelens kan hebben, zonder een oprecht kind van God te zijn.
Toch ligt achter dat Lutherse onderscheiden van „wedergeborenen" (die deze wedergeboorte verliezen kunnen) en uitverkorenen (die in hun leven wel „totaal" kunnen vallen, maar krachtens hun verkiezing niet „finaal" d.i. „uiteindelijk" kunnen afvallen) een ondiepe opvatting van het leven der wedergeboorte en des geloofs. Daarbij wordt uit het oog verloren, dat het leven der ziel veel samengestelder is en veel meer verborgen diepten kent, dan de oppervlakte doet vermoeden.
Petrus' geloof hield niet op, ook toen hij allesbehalve bewust uit het geloof leefde in het paleis van Kajafas. Wel geef ik toe, dat de zekerheid des geloofs nooit vastgehouden kan worden op grond van een theoretisch-theologische redenering van uit de volharding; maar dat zij alleen weer opvlamt, wanneer het geloof, uit de diepte van het hart, door Gods genade en trouw zich weer daadwerkelijk richt op de openbaring van Gods genade in Christus. Het is onmogelijk, dat David en Petrus of wie dan ook, midden in hun val. Hallelujah's zouden aanheffen over de onverliesbaarheid van Gods genade, ondanks het feit, dat de verborgen hand Gods hen ook in hun val niet gans en al losliet.
Wie het Gereformeerde standpunt over de volharding der heiligen wil kennen, leze het vijfde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels. Daarin wordt de zwakheid van het vlees, ook van de gelovige getekend met al de noodzaak van het gebed om niet in verzoeking geleid te worden. De mogelijkheid van grove zonden wordt onder de ogen gezien met al de droeve gevolgen voor de oefening des geloofs en het „gevoel der genade". De weg terug is er niet zonder ernstige boetvaardigheid. Dit leren ook de rechtzinnige Lutheranen. Het punt van' verschil is, dat volgens de Dordtse Leerregels God „de Heilige Geest, ook zelfs in het droevig vallen, niet geheel wegneemt, en hen niet zover laat vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van de staat der rechtvaardigmaking uitvallen". God bewaart in hen een onverderfelijk zaad.
Gerhard e.a. namen hier een totale interruptie aan, een radicale onderbreking ook al herstelt Gods verkiezende liefde straks weer de band des geloofs en de wezenlijke bekering.
Toch — hoezeer we de pastorale bewogenheid tegen een slordige wandel, die hierachter ligt, kunnen waarderen, toch berust deze beschouwing op een onjuiste waardering van het oprecht geloof.
Luthersen en Calvinisten staan hier wel dicht bij elkaar. Maar ons bezwaar is, dat hier het oprechte geloof toch eigenlijk met het tijdgeloof op één lijn wordt geplaatst. Nu is déze tegenstelling voor ons niet actueel.
Een andere zaak, die voor het ogenblik van meer belang is, betreft de plaats van het geloof in de Barthiaanse theologie. We hopen een volgende maal daarmede deze behandeling van het tijdgeloof te besluiten.
(slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's