DE CATECHISMUS
DE CATECHISMUS 25
Vr. Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebhen, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? A. God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, óf door onszelf, óf door een ander, volkomen betalen.
J. VAN SLIEDREGT
IS ER VERWACHTING? VRAAG EN ANTWOORD 12
Zuivere kennis onzer verlorenheid is broodnodig, daar we anders nooit met alles in ons zullen staan naar zuivere kennis der verlossing. We zullen dan eenvoudig geen verlossing behoeven en er ook geen ware vreugde aan beleven. Waarom zouden we naar de dokter gaan als we geen besef van onze kwaal hebben; waarom zouden we verlossing zoeken uit de gevangenis als we wanen vrij te zijn?
Dat is dan ook de reden waarom de catechismus ons geheel verloren en verdorven bestaan zo scherp heeft getekend, naar het Woord. Echter niet om daarmee te eindigen, doch om juist de rijkdom der volkomen verlossing in Christus des te heerlijker te kunnen voorstellen. Zo zal de aan zijn verlorenheid ontdekte zondaar er des te heilbegeriger naar uitzien en de geredde zondaar des te meer in deze verlossing bevestigd worden.
Want de catechismus gaat nu handelen over een verlossing, die zo volkomen en afdoende is, dat er niets meer te doen voor een zondaar overblijft. Het is een verlossing, die betrekking heeft op de gehele mens naar ziel en lichaam. Reeds in dit leven is ze volmaakt in haar delen, d.w.z. dat zij een verlossing is van de gehele mens met al zijn levensfuncties. Straks zal zij ook volmaakt zijn in haar trappen, een verlossing in de hoogste graad. „Nu zijn wij kinderen Gods", schrijft Johannes, „en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is".
Over die zondagen 5 en 6 is al heel wat te doen geweest. Voor velen staan ze bovenaan op de nominatie om uit het leerboek der kerk verwijderd te worden. Zij rieken volgens hen naar een Anselmiaanse juridische beredenering van de heilsleer, die niet door de Schrift zou gedekt worden.
Dat invloed van Anselmus hier aanwezig is zal wel niemand willen tegenspreken. Het is alleen maar de vraag, of Anselmus — wat het wezenlijke van zijn boekje „Cur Deus Homo" (Waarom God mens werd) betreft — dan niet — zij het met schoolse terminologie — de Schriftuurlijke waarheid der verzoening door voldoening heeft vertolkt. Het gaat er Anselmus immers om de ernst der zonde en van het gericht Gods over de zonde onder de aandacht te brengen.
Dan is verder m.i. door hen, die zo veel bezwaren inbrengen tegen deze zondagen, geheel uit het oog verloren de opzet van onze catechismus. Zij is toch practisch-pastoraal. Juist uit dien hoofde moet men deze zondagen niet als schoolse redenering naar Christus heen verstaan, maar als pastorale heenwijzing naar Christus, Zijn noodzakelijkheid en gepastheid. Zo moeten deze zondagen in de prediking en zielszorg dan ook verwerkt worden en hebben ze ongetwijfeld hun grote betekenis. Christus is niet de uitkomst van een wiskundesom, maar het einde der wet voor een mens, die doodgelopen is. Juist aan de hand van deze zondagen vinden we gelegenheid om Schriftuurlijk bevindelijk te spreken over de persoonlijke kennis van Christus in het geloof, welke alleen ons deel wordt (kan worden) in de hartelijke en absolute onderschrijving van het doemvonnis: naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend. Wil men hier niet aan, men wete dan dat men strijdt met de Schrift en de bevinding van Gods Kerk. We kunnen alles van Jezus weten, terwijl nochtans, als God met ons gaat twisten, we niets meer weten, en zeker niet, dat Jezus mijn Borg en Zaligmaker is. Handelt God met een zondaar, zo wordt hij onder het strafeisende recht Gods gelegd. Zijn ongerechtigheid wordt samengebundeld en op hem gebonden. Daar staat die zondaar met zijn zonde onverzoend, zijn schuld onbetaald, onderworpen aan de straf, bestaande in de dood in al zijn schrikwekkende diepten.
We beseffen toch, dat het niet gaat om een algemene indruk en een oppervlakkig toestemmen dat de mens strafschuldig is, waarbij men de evangelieen genadestolp zet over de onherboren natuur en met de vredevlag zwaait voor dat er van capitulatie voor God sprake is.
De rechte behandeling van deze zondagen zal alle zoeken van gronden in de mens, ook wedergeboren mens, radicaal afsnijden. Zij zal dat ook doen door hen te ontdekken en voor ogen te stellen. Niet alleen moet onderwezen worden, dat we van nature kinderen des toorns zijn en alleen door Christus kunnen behouden worden, maar ook moet pastoraal de heimelijke werkheiligheid van de kinderen des Koninkrijks aan het daglicht worden gebracht, opdat Gods Woord geëerd wordt en al hun wijsheid en vroomheid in dwaasheid verandert. De goddeloze moet op het matje komen zal genade de eer krijgen en onze levensgrond buiten onszelf, ook buiten onze bevinding, in Christus komen. Zo alleen kan onze vaste belijdenis worden en zijn: Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede met God, door onze Heere Jezus Christus, door Wie wij hebben de toeleiding door het geloof tot deze genade, waarin wij ook staan.
Comrie heeft in zijn bespreken van deze vraag de juiste weg gewezen, als hij de geraakte, door schuldbesef getroffen en verslagen zondaar deze vraag hoort stellen. Hij ziet dan in deze vraag een teken, dat de leer van de straf diep in de ziel is doorgedrongen. Er wordt niets meer op afgedongen. In de schuld wordt beleden: Ik ben Uw gramschap waardig. Tegelijk is er echter ook een begeerte naar de zaligheid. Als een vis op het droge, die alleen nog maar happen kan: Gena, o God gena! Alle letterkennis schiet hierbij te kort. Verstand van de dingen en gepraat erover raakt de mens kwijt. Waarmee zou immers de Heere meer gelasterd worden, met het openbaar ijdel gebruik van Gods Naam of met het bepraten der dingen van Gods Koninkrijk zonder wezen en daad? Ook legt deze vraag getuigenis af van het besef, dat het middel waarnaar gevraagd wordt buiten ons ligt. Met het onze komen we midden in de dood te liggen. Vanuit die dood steekt de zondaar de handen omhoog. Hij mocht worden opgetrokken. Maar het „hoe" is hem onbekend. Hij kan zichzelf niet helpen. De vraag wijst ook op een rusteloos zoeken. Men kan maar niet rustig afwachten. |
Zo tracht Comrie de vraag pastoraal te ontleden. Zeer leerzaam, voluit schriftuurlijk.
We kunnen er nog aan toevoegen, dat ook voor het geloof de overweging van deze vraag zeer nuttig is. Gods kinderen hebben altijd weer het Lam te nuttigen met de bittere kruiden.
Nu merken we in deze vraag nog iets op, waarop we de aandacht nog niet vestigden. 't Middel dat gezocht wordt door de zondaar moet niet alleen dienen om de straf te ontgaan, maar ook om weer tot genade te komen. D.w.z. om weer opgenomen te worden in de gemeenschap Gods, weer hersteld in de oorspronkelijke staat, waarin hij recht stond voor God en met Hem leefde.
Als slechts angst ons voortdrijft, zoeken we de straf te ontlopen, en om Gods eer bekreunen we ons niet. Verstaan we waar we vandaan komen, namelijk uit het paradijs, zo beseffen we dat we weer in die staat moeten worden hersteld, althans dat God Zijn beeld van ons terug moet hebben. Daarin ontvangt God Zijn eer. En zo ook alleen wil ik in Gods gunst delen. Zeggen we dit laatste met de hand op ons hart? Ik wil niet anders begenadigd worden dan in de verheerlijking van al Gods deugden. Die liefde tot God wekt de Heilige Geest in het hart. Maar dan ook: wat zou mij de bevrijding van de straf zijn bij het derven van de gunst des Heeren. Ach, eigenlijk is deze vraag ongerijmd, want het missen van Gods gunst is voor de ziel een gedurig helse kwelling.
Daarom: Aangezien wij naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf kunnen ontgaan en weer tot genadekomen? — Op weg naar Sion leren we deze vraag eens voor het eerst stellen, doch dan ook verder steeds weer overwegen tot heerlijkheid van onze enige God en Zaligmaker en onze onuitsprekelijke vertroosting.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's