Veel- alles
„Ik heb veel, mijn broeder - ik heb alles". Gen 33 : 9, 11.
Twintig jaren heeft de aartsvader Jacob bij Laban vertoefd. Dan is het ogenblik aangebroken, waarop hij terugkeert naar zijn oorspronkelijke woonplaats. Nu zal hij zijn tweelingbroeder, Ezau, tegemoet dienen te treden. Hij zal staan van aangezicht tot aangezicht, oog in oog, met de man, die hij, om het zacht te zeggen, onbehoorlijk heeft behandeld. De man, die, toen hij ontdekte, dat zijn broer hem de zegen van.de eerstgeborene had ontstolen, geschreeuwd had met een grote en bittere schreeuw, gans zeer! En die zich had voorgenomen om, als zijn vader gestorven zou zijn, zijn broer te doden. Geen wonder dat Jacob, al waren sinds die, twintig jaren verstreken, tegen deze ontmoeting opzag, als tegen een hoge berg! Hij vreesde zeer, en hem was bange. De ontmoeting wordt echter een grote verrassing. Van wraakzucht is bij Ezau geen sprake meer. Integendeel! Als Ezau Jacob ziet loopt hij naar hem toe, neemt hem in de arm, valt hem aan de hals, en kust hem. En beide mannen wenen. Jacob wil zijn broer een groot geschenk van vee aanbieden. Ezau echter weigert dit aanvankelijk. Hij argumenteert: „Ik heb veel, mijn broeder, het zij het uwe, wat gij hebt!" Maar als Jacob aanhoudt, aandringt, dan accepteert Ezau tenslotte de rijke gaven. Jacob heeft immers van alles. Ja, hij heeft alles!
Ik heb veel. Terecht, naar waarheid, kon Ezau dit verzekeren. Hij bezat, reeds vóór Jacob's bedrog twee vrouwen, Judith en Basmath, voor hem bepaald een behoorlijk bezit, al waren dan deze schoondochters voor Izak en Rebecca een bitterheid des geestes. Later nam hij nog Ada en Aholibama. Bij deze vrouwen verwekte hij tal van zonen en dochteren. Hij bezat ook een grote menigte have en vee. Neen, Ezau snoefde niet, toen hij tegen Jacob zei: „ik heb veel!"
Afgedacht van zijn stoffelijke goederen, was er nog veel, dat hij als grote rijkdom mocht beschouwen. Hij was kerngezond. Een zwaarbehaarde, stoere figuur. Een echt natuurmens, die opging in de jacht en de jachtavonturen. Hij richtte zuiver. Zijn sterke hand bewoog of trilde niet. Als hij schoot, schoot hij raak! Van huiselijke narigheden, met vrouw of kinderen, is ons niets bekend. Kleinzielig vitten was hem denkelijk vreemd. Hij stelde niet veel eisen aan het leven. Als hij, vermoeid van de jacht thuiskwam, en hem een stevige maaltijd in de tent wachtte, dan was hij dubbel en dwars tevreden.
Och, Ezau groef niet zo diep. Hij vond het al gauw goed. Hij schiep geen conflicten. Was wars van spanningen. Een geschikt man in de omgang, al was hij dan soms eens wat ruig in de mond en gedragingen. Het siert Ezau, dat hij zo bijzonder op zijn vader is gesteld. De liefde, die tussen deze vader en deze zoon bestond, is bepaald aandoenlijk. Hartverwarmend, zeggen we tegenwoordig graag. Ezau blijkt niet haatdragend of wraakzuchtig te zijn. Hij heeft zijn broer zijn schandelijk gedrag vergeven.
Inderdaad! Hij had veel! Maar: veel is niet genoeg, pleegt de volksmond te zeggen. En dan bedoelt men: er zijn mensen, die altijd wat te mopperen en te klagen hebben, hoe rijk beweldadigd en bevoorrecht boven tal van anderen zij ook wezen mogen! Tevredenheid en dankbaarheid zelfs in de tegenwoordige welvaartstijd is hun vreemd. Laat op maatschappelijk gebied het vele toch genoeg zijn! Evenwel: op geestelijk terrein is hèt vele van Ezau onvoldoende. En kan slechts „alles", wat Jacob's deel was, als voldoende worden beschouwd. Het klinkt paradoxaal, maar het is de bijbelse waarheid: dit „alles" ontvangt een zondaar, die zondaar werd; die alles kwijt raakte, die alles mist.
Ik heb veel. Dat zeggen ook heden nog tallozen, die met trots en voldoening wijzen op hun uitgestrekte landerijen, hun kapitale boerderijen, hun enorme fabriekscomplexen. Of wel, die zich heimelijk verheffen op hun ernst, hun soepel meegaand karakter, hun innemende manieren, hun mededeelzame aard. Hun ijver, in het bestrijden van sociale misstanden. Dit alles is tot op zekere hoogte te waarderen. Het is veel. Maar arme, beklagenswaardige mens, die niet verder dan „veel" komt!
Als de rijke dwaas of de rijke jongeling in dat vele blijft steken. „Alles" is het, om te knielen op dat plekje, waar een zondaar zich leert verfoeien, en berouw heeft in stof en as. Uitroept: „ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan uw knecht gedaan hebt!" Jacob, die zich maar al te vaak naar de betekenis van zijn naam: hiellichter, gedragen heeft, kende dat plekje. Hij besefte er iets van, wat het betekent verbroken te zijn van hart, en verslagen van geest! De Bijbel spreekt over Ezau, die veel had, als over een onheilige. Hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij deze met tranen zocht. De Schrift zegt het zó kras: „Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat". Hoeveel er ook op Jacob valt aan te merken: hij bezat de kinderlijke vreze des Heeren. Had kennis aan de ware „armoede", het beven voor Gods Woord. Hij had leren belijden, dat iedere ademtocht een verbeurde gunst Gods is. Hij wist, dat hij tienduizend talenten schuld had, en geen penning bezat om te betalen. Hij kende de ware verbrijzeling des harten. Och neen, Jacob's zonden hebben wij niet na te volgen. Doch God beware er ons voor farizeïstisch, van uit de hoogte: „o foei, Jacob!" te zeggen.
Zo spreekt de mens, die zichzelf als rechtvaardig beschouwt; meent, rijk en verrijkt te zijn, en geensdings gebrek te hebben. Er zij in ons hart een heilige jaloersheid op Jacob, die, zeker, zijn fouten en tekortkomingen, neen, dieper, erger, zijn zonden, zijn gruwelijke zonden had. Maar hij bezat ook, wat Ezau, die veel had, miste: een eenvoudig, kinderlijk, levend, door de Heilige Geest gewekt geloof. Het geloof in de „Man", de Beloofde, de Messias. En in en door dat waarachtige, levende geloof, was hij rechtvaardig, al zijn zonden ten spijt, voor God. In en door dat geloof bezat hij alles: rechtvaardigmaking, heiligmaking en een volkomen verlossing! Op het ogenblik, waarop Jacob deze woorden: „ik heb alles" tot zijn broer sprak, heeft hij mogelijk niet aan zijn geestelijk goed, doch slechts aan de menigte van zijn stoffelijke have gedacht. Maar het is toch wel geen staaltje van inlegkunde, inplaats van uitlegkunde, indien we ook, en zelfs voornamelijk, aan het geestelijk bezit van de derde aartsvader denken, als hij verzekert: „ik heb alles". En hij bezit dit alles niet, omdat hij dan toch maar de man van Bethel en van Pniël is. Omdat hij de bekeerde, de veranderde, de vrome Jacob is. Wankele gronden, die een mens in zichzelf zoekt of meent te vinden. De enige grond, die houdt, die onwankelbaar is, is het van eeuwigheid af gelegde fundament: Christus en Zijn gerechtigheid! Ach, dat een zondaar aan deze waarheid toch zo moeilijk aan wil. Hij kan en wil daar van nature niet aan, omdat hij leeft uit het verbroken werkverbond, en iets, veel, alles op zijn eigen credit-zijde wil schrijven! Een mens wenst geen goddeloze te zijn, die om niet gerechtvaardigd wordt. Hij wil „alles" hebben. Ja, maar in zichzelf! Want hij wil roemen, niet in de Heere, doch in zichzelf. Als een Paulus, vóór zijn bekering, op uiterlijke voorrechten: afstamming, wetsgerechtigheid, stiptheid en preciesheid! „Ik heb alles": dat kan, in de geestelijke zin van het woord, alleen die mens zeggen, die alles kwijt is. Die waarlijk arm werd. Die met lege, maar dan ook volstrekt lege handen voor God staat. Die mens, die alles verliest, krijgt alles in een ander, in De Ander, in de Borg en Middelaar terug. Ik ben arm, kan de apostel zeggen, en nochtans bezit ik alles. Wie zichzelf zijn leven, het zijne, verliest, vindt alles, ontvangt alles. Deze paradoxale waarheid zullen wij, tot eeuwig behoud, bevindelijk moeten Ieren verstaan. Blijf niet staan bij een heilige jaloersheid op Jacob: och, och wat een bevoorrecht mens! Mocht ook ik iets van dat geestelijke leven van deze man kennen! Maar rust niet, voor gij in een weg van geestelijke worsteling voor uzelf kunt belijden: ik ben een zoon of dochter van een schatrijke Koning. Een erfgenaam Gods en een mede-erfgenaam van Christus. Ik ben op reis naar 't vaderland daarboven. Het nieuw Jeruzalem, de stad, die fundamenten heeft.
fundamenten heeft!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's