De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het tijdgeloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het tijdgeloof

Het tijdgeloof 9

8 minuten leestijd

Bij het begin van deze bespreking van het tijdgeloof, hebben we de vraag gesteld, of het wel zo nodig is in deze tijd daar lang bij stil te staan.

We hebben toen geantwoord: ja ! Omdat bij de aanraking met het Evangelie altijd het gevaar aanwezig is, dat slechts de oppervlakte is geraakt en het hart niet ontledigd is om plaats te maken voor Hem, Die het hart van het Evangelie is, Jezus Christus in al Zijn volheid als de enige en volkomen Zaligmaker van zondaren.

Maar een bijzondere reden om het verschil tussen tijdgeloof en oprecht geloof in het oog te houden, is m.i. gelegen in de theologie, die beheerst wordt door Karl Barth en verwante theologen.

Er is in Barth's theologie veel aantrekkelijks. Hij wil de volle nadruk leggen op de rechtvaardiging van de goddeloze en daarom afrekenen met alles, wat de nietige mens in rekening zou willen brengen aan vroomheid, gevoeligheid, godsdienstigheid en gelovigheid. Barth laat er geen twijfel aan bestaan, dat er bij de mens geen positieve elementen aanwezig zijn, die meetellen. Wat dat betreft kiest Barth tegen Arminius en vóór Calvijn, Gomarus en de Dordtse Synode.

Dat klinkt allemaal mooi, bijna te mooi zou u denken. Toch is dit zo. Barth legt er de nadruk op, dat God God is en dat de mens, ook de vrome mens, niets is. Juist met zijn vroomheid levert hij een groot gevaar op voor zichzelf. Maar nu is de consequentie van Earth's standpunt, dat hij alleen maar beheerst wordt door vrees voor alles wat wij gewoon zijn „onderwerpelijk" en „bevindelijk" te noemen. Eigenlijk is bij Barth niet de mens onderwerp en God voorwerp, maar is God het grote Onderwerp. Het hele heil is bij Hem en in Hem. En bij dat heil behoort ook het geloof. Alles wat de strekking heeft het geloof een belangrijke plaats te geven in hetgeen er in de mens omgaat, is van tevoren gewantrouwd en geoordeeld.

Als het gaat om de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof, dan is Barth doodsbang, dat de rechtvaardigende God en de mens, die deze rechtvaardigende daad Gods ontvangt, beschouwd zullen worden als twee gelijkwaardige polen en dat in het geloof toch weer tekort zal worden gedaan aan het reformatorische „uit genade alleen".

Zo scherp drukt Barth dit zelfs uit, dat hij zegt, dat het in het positieve in het geloof niet gaat om een handeling van het menselijke, maar van het goddelijke geloof.

Geloof is, volgens Barth, nooit iets dat zielkundig aan het innerlijke leven van de mens verbonden is, maar het is slechts „Hohlraum", ledige ruimte, waarvan de ledigheid alleen door het in Christus door God gegevene gevuld kan worden.

Dit alles is goed, wanneer het gericht is tegen alle zweem van verdienstelijkheid of waardigheid van het geloof, iets waartegen zich trouwens ook onze Catechismus richt, als hij in het antwoord op vraag 61 zegt: „niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof Gode aangenaam ben".

Maar nu is waardigheid iets anders dan waarde. En in 't geheel van Barth's theologie wordt de waarde van het geloof bedreigd (al is Barth hier en daar inconsequent). U weet, dat Barth de gedachte verwerpt, dat God uit het menselijke geslacht Zich een gemeente van eeuwigheid heeft verkoren, en die Hij daarom vergadert, beschermt en onderhoudt. Alle verkiezing en alle verwerping is volgens hem geconcentreerd in de persoon van Jezus Christus, in Wien Gods verkiezende liefde in de tijd zich uitstrekt tot héél het menselijke geslacht, waarmede de Zone Gods krachtens Zijn vleeswording Zich heeft verbonden.

Maar ook de verwerping is geconcentreerd op Jezus Christus. Vanwege de verwerping, die Hij op Zich genomen heeft, is er feitelijk geen verwerping meer. Het zwaard Gods, dat éénmaal Hem trof, zal niet ten anderen male getrokken worden om de mens, die zich in ongeloof tegen God en Zijn verlossing in Christus verzet, alsnog te treffen. Tegen deze goddelijke genade is de nietige mens ook in zijn ongelovigheid machteloos.

En nu is de bovenbedoelde inconsequentie bij Barth, dat hij er toch niet aan wil, dat alle mensen krachtens deze universele verkiezing Gods zalig zullen worden. Dat wordt voor Barth toch een te automatische zaak. Dan is genade geen vrije genade meer. Hij spreekt hier en daar over het ongeloof als „levensgevaarlijk". Daar staan echter weer tal van andere uitspraken tegenover, die de lijn doortrekken van Gods positieve verkiezende beslissing over al wat mens is, die door geen menselijke onwil en door geen negatieve beslissing onzerzijds meer ongedaan gemaakt kunnen worden.

En nu komt hierdoor de noodzakelijkheid van het geloof zeer wankel te staan. En het is de vraag of in deze theologie plaats is voor hetgeen vraag 20 van onze Heid. Catechismus ons voorhoudt, dat n.l. niet alle mensen wederom door Christus zalig worden, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden, maar alléén degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd.

En als het waarachtig geloof niet meer een noodzakelijke zaak is, zal men zich over het gehalte van dat geloof niet zoveel zorg meer maken. Dat blijkt wel op allerlei manier. Als het geloof bovendien losgemaakt wordt van alles, wat er in de mens omgaat en om móét gaan, dan dreigt het geloof te vervluchtigen tot iets onwezenlijks.

Nu willen we gaarne met Barth alle nadruk leggen op het voorwerp des geloofs, n.l. de Drieënige God. Het is waar, wat Wormser in zijn bekende boekje over de Kinderdoop zegt, dat alleen het voorwerp des geloofs levendmakende kracht heeft. Want dat voorwerp is de levende God Zelf, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn.

We begrijpen ook best de huiver van Barth voor de mens, die met zijn geloof wat gaat betekenen.

Maar daar gaat het niet om. Het gaat er om, dat God in de mens het geloof werkt, in het concrete, werkelijke leven van de mens, zó dat hij er met hoofd en hart, met heel zijn innerlijke leven en uitwendige levensomstandigheden bij betrokken is. Daar is het niet minder een werk Gods om.

Als God Abram roept, dan is dat een werk Gods. Maar het is er niet minder genade om en niet minder een werk Gods, als Abram gelooft. God behandelt daarbij de mens niet als een stok en een blok, zó dat zijn behoudenis als het ware buiten hem omgaat.

Maar God maakt de mens geschikt (naar een formulering van Calvijn) om de genade Gods aan te grijpen, wanneer hij het vertrouwen op zichzelf geheel en al weggeworpen heeft en alleen vertrouwt op de gewisheid van Zijn goedheid. De enige geschiktheid bestaat dus in de overtuiging van de ongeschiktheid van al het onze; en er is dus geen sprake van enige positieve „inbreng" onzerzijds in het werk der zaligheid.

Al ontkennen we dus de waardigheid des geloofs als grond van onze vrijspraak, dat wil niet zeggen, dat het geloof als werk Gods geen waarde zou hebben. Het geloof wordt in de Schrift zó positief gewaardeerd, dat Jezus zegt: „uw geloof heeft u behouden". Maar dat loopt dan ook parallel met de opwekking: „gaat heen en boodschapt de uwen, welke grote dingen u de Here gedaan heeft"

Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen, want wie tot God komt moet geloven dat Hij is en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.

Daarmede is niets verdienstelijks gezegd van het geloof, evenmin als dat berouw en bekering (hoezeer absoluut noodzakelijk) voorwaarden zijn die wij onzerzijds moeten meebrengen. Die neiging om aan God een soort „loon" te betalen voor Zijn werk, zit er diep bij ons in. Denk maar aan de boetepractijk van de eerste eeuwen tot aan de aflaten toe.

Maar al wordt de genade Gods in het Evangelie alom en aan ieder „om niet" aangeprezen, zij wordt ons deel alleen in de weg van een waarachtig geloof.

Daarbij gaat het niet om dingen, die in Gods leidingen verschillend kunnen zijn, maar om het centrale van een geheel en al ontledigd hart, dat hongert naar het Brood des levens, naar de genade en de gerechtigheid, de vrede en de verzoening, die in Christus Jezus zijn, opdat Hij ons éen en ons al zij. '

Daarbij is het geloof niet alleen in duurzaamheid, maar in wezen onderscheiden van dat „geloof", dat wij een tijdgeloof noemen, en dat niet met het hart gericht is op het middelpunt van het Evangelie, n.l. Christus Jezus als onze grote Profeet en Leraar, als onze enige Hogepriester, maar ook als onze eeuwige Koning.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het tijdgeloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's