De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Calvijn over het Heilig Avondmaal 5

6 minuten leestijd

Verontschuldigingen

Verontschuldigingen.

Calvijn is goed op de hoogte met de verontschuldigingen die tegen het gaan aan het Avondmaal worden ingebracht. Hij noemt er enkele op. Sommigen — zo zegt hij — zeggen, dat zij niet waardig zijn en onder dit voorwendsel onthouden zij er zich van.

Weer anderen letten niet alleen op eigen onwaardigheid, maar zij geven voor, dat zij niet kunnen aanzitten met zovelen, die zij er zien komen, zonder dat dezen zich hebben voorbereid.

Dan zijn er ook, die menen, dat het niet nodig is om dikwijls aan het Avondmaal te gaan. Dat zijn dan degenen, die denken dat als zij Jezus Christus eenmaal hebben ontvangen, het niet nodig is om zo spoedig weer te komen en het Avondmaal te gebruiken.

Aan de eersten, die zich achter hun onwaardigheid verschuilen, vraagt Calvijn hoe hun geweten het kan gedogen het ganse jaar en 'dikwijls langer in zulk een ellendige toestand te blijven, dat zij God niet op de rechte wijze durven aanroepen. Want zij belijden toch, dat het vermetel is om God als onze Vader aan te roepen, als wij geen leden van Jezus Christus zijn. En wij zijn dit niet, als het wezen en de waarheid van het Avondmaal niet in ons is vervuld. Welnu, als wij de waarheid hebben, zijn wij des te meer geschikt om het teken daarvan te ontvangen.

Calvijn zegt dat het dus duidelijk blijkt, dat zij, die zich als onwaardigen van het Avondmaal onthouden, zich ook van het voorrecht beroven om tot God te bidden.

De hervormer wil de zielen, die door bezwaren gedrukt worden, waarin zij komen zonder zelf te weten hoe, niet dwingen om aan het Heilig Avondmaal te gaan. Hun wordt geraden te wachten totdat de Heere hen heeft verlost.

Evenmin wordt ontkend, dat als er een wettige oorzaak tot verhindering is, het niet geoorloofd zou zijn het deelnemen aan het Avondmaal uit te stellen.

Het is er Calvijn om te doen te laten zien dat niemand er in mag bijven berusten, als hij zich terwille van zijn onwaardigheid van 't Avondmaal moet onthouden.

Maar dan moeten wij niet vergeten, dat die onthouding ons berooft van de zegen der gemeenschap met de gelovigen.

Er is een betere weg, die aangeprezen wordt.

We moeten ons liever beijveren om tegen al de verhinderingen, die de duivel op onze weg plaatst, te strijden. Waarom ? Opdat wij niet van zulk een grote zegen beroofd worden en bijgevolg ook van al de genadeblijken, waarvan het verlies noodwendig volgt.

Weet ge wie echter enige schijn van waarheid in hun voordeel hebben ? Dat zijn die anderen, die met dit argument komen dat het niet geoorloofd is het Avondmaal te gebruiken met hen, die zich broeders noemen, maar een losbandig en goddeloos leven leiden.

Dit is toch wel een sterke grond om ons te wachten met hen het brood des Heeren te eten, dat geheiligd is om ons Zijn lichaam voor te stellen en mede te delen.

Wat merkt Calvijn hierover op en wat brengt hij hier tegenin?

Wel, hij vindt het antwoord op deze verontschuldiging niet moeilijk. Het behoort n.L niet tot de bevoegdheid van ieder in het bijzonder om te bordelen en te onderscheiden, om  tot het Avondmaal toe te laten of daarvan verwijderd te houden al naar het hem goeddunkt. Aan wie behoort dit recht dan? Wel, alleen aan de gemeente in haar geheel, of aan de predikant met de ouderlingen, die de leraar in het bestuur over de gemeente moeten bijstaan.

Wat beveelt de apostel Paulus? Toch niet, dat de een de ander beproeve, maar wel dat „een ieder zichzelve beproeve".

Dat wil niet zeggen, dat wij tegenover die anderen geen taak zouden heb­ben. Het is ongetwijfeld onze roeping om hen, die een ongeregeld leven leiden, te vermanen. Als zij niet horen, dan moeten wij de leraar waarschuwen, opdat deze doe wat zijn ambt als dienaar der Kerk eist.

Het kan toch nooit de rechte weg zijn, dat wij ons aan het gezelschap der zondaren onttrekken en de gemeenschap der gelovigen verlaten. Bovendien — zo merkt Calvijn hierbij op — zal het dikwijls voorkomen, dat de vergrijpen niet van dien aard zijn, dat men de daders kan uitsluiten.

Het kan zijn, dat de leraar bij zichzelf overtuigd is, dat iemand onwaardig is, maar dit toch niet kan uitspreken en de onwaardige het Avondmaal ontzeggen, tenzij hij hem door het kerkelijk oordeel kan overtuigen. Wat staat ons dan in zulk een geval te doen? In zulke gevallen rest ons geen ander oordeel dan God te bidden, dat Hij de gemeente meer en meer van alle ergernissen verlosse. Vervolgens moeten wij de jongste dag verbeiden waarop het kaf voor altijd van de goede tarwe zal worden gescheiden.

Wat de laatste verontschuldiging betreft, die eerder genoemd is, zij die deze gebruiken, hebben zelfs de waarschijnlijkheid niet in hun voordeel. Het geestelijk brood is ons toch niet gegeven, opdat wij reeds de eerste maal daarmee verzadigd zouden zijn, maar juist opdat wij — als wij de zoetheid ervan gesmaakt hebben — het zouden eten tot ons voordeel en het zouden gebruiken, wanneer het ons wordt aangeboden. Calvijn heeft reeds vroeger aangetoond, dat terwijl wij in dit tijdelijk leven verkeren, Jezus Christus ons nooit zó wordt medegedeeld, dat onze zielen er geheel door verzadigd zijn; maar Hij wil er ons tot voortdurend voedsel wezen. Een groot gedeelte van zijn korte verhandeling wijdt Calvijn aan dwalingen en bijgelovigheden in verband met het Heilig Avondmaal.

Dat deze er vele zijn, verstaat Calvijn goed.

De duivel toch weet dat de Heere geen nuttiger zaak aan Zijn gemeente heeft nagelaten dan het Heilig Avondmaal.

Natuurlijk richt de satan hierop zijn scherpe pijlen. Dat is zijn gewoonte. Daarom beijvert de duivel zich op zijn gewone manier om het Avondmaal van meet af met dwalingen en bijgelovigheden te besmetten, opdat de uitwerking ervan bedorven en vernietigd worde.

Onafgebroken heeft de duivel deze poging voortgezet, totdat het is alsof hij het bevel des Heeren geheel heeft omgekeerd en in leugen en ijdelheid heeft veranderd.

Het ligt niet in Calvijn's bedoeling om aan te tonen op welk tijdstip iedere dwaling is ontstaan en wanneer deze is uitgebreid.

Calvijn wil alleen achtereenvolgens uiteenzetten welke dwalingen de duivel heeft ingevoerd, en waarvoor wij ons moeten wachten, als wij het Avondmaal des Heeren ongeschonden willen hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's