De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit verlies winst

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit verlies winst

7 minuten leestijd

Fil. 1 : 21: "Het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin".

„Het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin".

De brief van Paulus aan de gemeente te Filippi draagt een niet zo diepzinnig leerstellig karakter als b.v. de brief aan de Romeinen. Maar desniettegenstaande, of misschien wel juist wegens dit vast te stellen feit is de brief aan de Filippenzen een kostelijke brief, die ons treft door de hartelijke, warme toon, waarin hij is gesteld. Hij werd door Paulus geschreven, toen hij voor de eerste maal in Rome gevangen zat. Nauw waren de Filippenzen en de apostel elkaar geestelijk verwant. Paulus' hart brandt van christelijke liefde, als hij aan de Filippenzen denkt, en dagelijks voor hen zijn gebed uitstort voor het Aangezicht des Heeren.

O, hij wil nog graag wat bij hen blijven. Maar! Zal de rechter hem vrijspreken, of hem ter marteldood verwijzen? Hij weet het niet. Hij weet wel: hetzij ik leef, hetzij ik sterf, ik ben des Heeren!

Paulus was ook een mens, van gelijke bewegingen als wij allen. Daarom kende hij ook het natuurlijke, vanzelfsprekende verlangen om te leven. Het is geestelijk ongezond, om elk ogenblik te hopen, dat de kuil maar voor ons gedolven moge worden! De dood is de bezoldiging der zonde. Hij is een vreemde, vijandelijke macht, die wederrechtelijk is binnengedrongen. Hij is de koning der verschrikking. De laatste vijand, die teniet gedaan wordt. Ieder mens, wie hij ook zij, moet voor de dood capituleren. En als de paradijsvloek aan onze naaste vervuld wordt, dan komt ons het sterven voor als een groot, een bitter verlies. Wij schreien hete tranen, wij slaken diepe zuchten, als wij schrijden moeten door het kerkhofzand, achter de baar, waarop in zijn laatste woning van zes planken, het ontzielde lichaam rust, van één, die ons uitermate dierbaar was. Wij klagen en stenen wegens „het droevig lot" van de overledene. Meer nog, misschien, uit medelijden met ons zelf, omdat wij missen moeten, die wij niet missen kunnen! Alles komt ons in die ogenblikken soms zo zinloos, zo doelloos voor. Het sterven: het lijkt alleen maar verlies, verlies van het leven; dus: van alles. Van iedere vorm van genieting. Wat baten ons, als wij dood temederliggen, onze kapitale boerderijen, onze stallen met het hoogst bekroonde vee, onze saldi op de banken, onze orde- en eretekenen, onze onderscheidingen, onze diploma's, onze titels? Al deze dingen hebben voor het maatschappelijke leven hun waardij.

De Schrift breekt geen lans voor een vroomheid, die in wezen vadsigheid, lediggang is. De dood voor alle energie. Uit de aarde moet naar de wil van de Schepper, op betamelijke, gepaste wijze, gehaald, wat er in zit. Maar de Bijbel geeft ons ook een blik op het relatieve, het betrekkelijke van dit alles. Gods Woord verkondigt ons, dat, als wij alleen maar waarde hechten aan ons geldje en ons goedje, het sterven de definitieve verliespost is. Het doodskleed heeft geen zakken. We kunnen niets meenemen. En het leven gaat verder, al spelen wij niet meer de eerste viool, of al heffen wij de dirigeerstaf niet meer op! Sterven: het grote verliespunt. Men zou zo zeggen: ook voor een man als Paulus. Hij moet zijn innig geliefde broeders en zusters in de Heere achterlaten. Het is gedaan met het beleven van de „verborgen omgang, die zielen vinden, waar Gods vrees in woont". Maar toch schrijft de apostel: het sterven, dat schijnbaar onherstelbaar grote verlies, is mij gewin. Hoe is dat nu toch mogelijk? Wel, Paulus kan aan het „het sterven is mij gewin", vooraf laten gaan: „het leven is mij Christus!"

De grote vraag, die wij onszelf stellen moeten is: „wat is mij het leven? " Op deze vraag worden tal van antwoorden gegeven. Wat is het leven? Een zinloos bestaan. Een bange droom. Een eindeloze pijn. Een benauwend vraagteken. Een jammerdal. Zij, die de vraag: „wat is het leven? " op deze en dergelijke wijze beantwoorden, vormen, juist in onze moderne welvaartsstaat, met elkander een machtig leger. Maar ook thans nog worden andere antwoorden gegeven. De uitwendig — nette kerkmens zou kunnen zeggen: het leven is mij deugdsbetrachting en plichtsvervulling. De politieke ijveraar: het leven is mij mijn partij. Sociale ge­rechtigheid beoefenen. Voor verbetering van sociale misstanden strijden. En dan moeten wij nog dankbaar zijn, dat sommigen, zelfs velen, warm lopen kunnen voor verheven idealen. Want tallozen antwoorden op de vraag: wat is u het leven, met een schouderophalen. Ik weet het niet, en wil het niet weten. Het interesseert mij in het geheel niet. Brood en spelen is voor mij het enig-waardevolle! Om dan maar te zwijgen over hen, voor wie het leven is: corruptie, bedrog, omkoperij, roof, moord, plundering, slaapkameren en ontuchtigheden.

Er is een tijd in zijn leven geweest, waarin ook voor Paulus Christus niet het een en het al was. Als een getergd roofdier, als een kwaadaardige demon blies hij dreiging en moord jegens allen, die de Naam van Christus tot zaligheid noemden. Hij, die meende, dat door een braafheids- en netheidsleven, een stipt houden van de wetten van raak niet, smaak niet en roer niet aan, de zaligheid door de mens verworven moest worden, was een overtuigde vijand van de leer der vrije genade. Maar toen is de grote verandering, de bekering, de innerlijke vernieuwing gekomen. De vervolger werd een medestander. De leeuw een lam. De naar het uitwendige, lichamelijk kleine Paulus wordt geestelijk „klein", door Gods kleinmakende genade. Hij leert de dood schrijven op al het eigene Hij wordt zondaar. Hij verliest alles, maar vindt Christus. Hij begeert nu nog maar één ding: in Christus gevonden te mogen worden. Hem te mogen gewinnen. Christus wordt zijn één en zijn al. Als op zulk een wijze, als Paulus bedoelt, het leven ons Christus is geworden, dan kan het sterven alleen maar winst baren. Want na de dood wordt het geloof verwisseld in aanschouwen. Het betrekkelijke wordt volkomen. De verborgen omgang, hier maar bij tijden en ogenblikken genoten, wordt een eeuwige, onverstoorbare gemeenschap met God en alle gezaligden. De beslagen ruiten worden schoongewist. Na zijn dood zal Paulus door kristallijnen vensters zien; kennen, gelijk hij gekend is. Weg is dan de pijn van brandende wonden. Geen benauwdheid, geen zorg voor de toekomst meer. Een loodzware last, een knellend pak wordt hem afgenomen. Wat ten dele, onaf is, wordt te niet gedaan. Als de band tussen de ziel en het aardse, sterfelijke lichaam wordt doorgesneden, dan zal zijn blijdschap, onbepaald, door 't licht, dat van Gods Aanzicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen. Hij zal, ontwaakt, Gods lof ontvouwen, Hem in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Zijn god'lijk Beeld! Zal dan de apostel, in het aangezicht van de dood, zuchten: och, och, dat ik nu toch sterven moet? Welneen, het sterven is hem gewin. En wel het meest hierom, omdat dan teniet gedaan zullen zijn de zuigkracht van de wereld, het woelen en werken van vlees en bloed. De vrees voor de listige omleidingen va]i de vorst der duisternis. Als de doodmoede zwerver aan het eind van de baan is gekomen, en de poorten van het vaderhuis open zwaaien, om de verloren zoon binnen te laten, dan is de vreemd'lingschap vergeten. En genieten zal Gods levende, duurgekochte Kerk eeuwig en onverliesbaar het allerhoogst en eeuwig goed, het goed, dat nimmermeer vergaat; de, wat onze „ouden" plachten te noemen: „de zoete gunst en zalige gemeenschap", in Christus, met God en met elkander. Eeuwig thuis. Eeuwig veilig. Onverstoorbare vrede! Op het gebed, als vrucht van waarachtige, geestelijke worsteling, schenke de Heere ons allen, kon het zijn, reeds hier, aan deze zijde van het graf een voorsmaak van de rust, die overblijft voor het volk van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit verlies winst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's