GENESIS I
GENESIS I 3
Prof. dr. J. Severijn
God noemde het licht dag, en de duisternis nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag. (vs. 5).
De morgen, die hier genoemd wordt, is dus de morgen, die geweest is, niet de op de avond volgende, maar de aan de avond voorafgaande. We maken deze opmerking, omdat de Israëlieten hun kalenderdagen met zonsondergang laten beginnen.
God noemde het licht dag. En een wisseling van dag en nacht werd door God ook gesteld. Hoe licht en duisternis wisselden, wordt ons niet verklaard. Wij doen verstandig daarnaar niet te raden, want wij weten het niet. Maar daarom verdient het ook geen aanbeveling om te twisten over de lengte van de dagen ten tijde van de schepping gelijk sommigen doen.
De Heere God heeft ons daaromtrent geen mededeling gedaan. Hij heeft dat niet nodig geacht, hoewel Hij zonder twijfel de mens, die Hij van plan was te scheppen, gedachtig is geweest. Wij kunnen wel uit de mededelingen der Schrift verstaan, dat de eerste dagen anders waren dan onze dagen. Dat betekent nog niet, dat die eerste drie dagen langdurige tijdperken zijn geweest, en de latere dagen, de zonnedagen, dagen van vier en twintig uur. 't Is mogelijk, maar wij weten er niet van en wij twisten daarover niet, „Wanneer „wij ons ootmoedig houden aan de gegevens van de tekst zelf", zegt Prof. Aalders (Genesis, blz. 84), „kunnen wij „niet verder gaan dan dat wij vaststelIen, dat God een eerste dag deed ontstaan, doordat Hij aan het door Hem „ontstoken licht een begrenzing gaf, Waardoor echter die begrenzing tot stand kwam en hoe groot de afstand van tussen begin en einde der lichtstraling, daarover zegt de tekst ons niets, en daarover moeten wij ons dus ook niet vermeten iets te willen zeggen".
In ieder geval is wel duidelijk, dat de zonnedagen een inzetting betekenen voor het leven, der mensheid op aarde. Daaromtrent is de Schrift zeer duidelijk. Zie daarover Exodus 20: Toen sprak God al deze woorden zeggende: Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb. Daarop volgen de tien geboden. In dit verband gaat het bepaaldelijk over het Sabbatsgebod en de werkweek. En nu lezen wij in het achtste en volgende verzen van het aangehaalde hoofdstuk: "Gedenk de Sabbatdag, dat gij dien heiligt".
„Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren, uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is".
„Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de Heere de Sabbatdag en heiligde dien".
Deze woorden zijn zeer duidelijk en van groot gewicht voor ons allen. Het is goed daarop nog eens de aandacht te vestigen in onze dagen, want het gaat steeds meer ontbreken aan gehoorzaamheid aan en eerbied voor dit gebod. In het begin dezer eeuw werd dit bevel Gods nog vrijwel geëerbiedigd in het dagelijkse leven in ons vaderland. Dat is echter gedurende de laatste geslachten in bedenkelijke mate achteruit gegaan. Hoevelen zijn er, die de tien geboden zelfs niet meer kennen, of er wellicht niet van gehoord hebben.
Het is niet onze bedoeling om in dit verband over de werkweek en de Sabbat uitvoerig te handelen, maar wij willen volstaan met er op te wijzen, dat de Heere God bij de schepping van hemel en aarde reeds op de mens heeft gezien en als Hij aan Israël Zijn Wet geeft, wijst Hij zelf terug op de schepping.
Wij zijn intussen nog bezig met de scheppingsarbeid van de eerste dag. Dat betekent waarlijk niet de schepping van het licht alleen, die ons in Genesis 1 : 3 wordt medegedeeld. De beide voorafgaande verzen wij zen ook op de scheppingsarbeid van de eerste dag: n.l. de schepping van hemel en aarde.
En deze wordt voortgezet in de schepping van het uitspansel. En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren en dat make scheiding tussen wateren en wateren. (Genesis 1:6).
In verschillende psalmen en Bijbelboeken komt de Schrift hierop terug met lofprijzing. We noemen een enkele plaats: "Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest Zijns monds al hun heir". (Ps. 33 : 6). „Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht. Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid en de hemel uitgebreid door Zijn verstand". (Jeremia 51 : 15).
De aangehaalde Schrift, Genesis 1 : 6, spreekt van uitspansel en ziet daarmede op het hemelgewelf, dat God maakte en scheiding teweeg bracht van water en water. (vs. 6). Het zevende vers geeft van dat water en water enige nadere verklaring: „En God maakte het uitspansel en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en de wateren, die boven het uitspansel zijn", (vs. 7)
6. En God zeide: er zij een uitspansel te midden van het water en dat make scheiding tussen water en water
7. En God maakte het uitspansel en bracht scheiding tussen het water, dat beneden het uitspansel en het water, dat boven aan het uitspansel was. En het werd alzo.
8. En God noemde het uitspansel hemel. En het werd avond en het werd morgen: de tweede dag.
Daarmede is niet gezegd, dat er boven het uitspansel een zee zou zijn. Het ziet op de wolken en op de regen, die van de hemel neerdaalt op zijn tijd. Zie ook Ps. 148 : 4, waar gesproken wordt van de wateren, die boven de hemel zijn.
Water is n.l. een bij uitstek merkwaardig en belangrijk element voor het leven. En behalve de verzameling van het water in de zee en dus op aarde, is de vergadering der wateren in de lucht voor de plantengroei bijvoorbeeld op aarde van grote betekenis. Wij denken aan dauw, neerslag en regen.
Omdat vs. 6 zo duidelijk spreekt van scheiding maken tussen water en water, nemen wij aan, dat de hier genoemde scheiding tussen water en water betrekking heeft op het water, dat klaarblijkelijk in grote hoeveelheid deel uitmaakte van de pas geschapen aarde, (zie vs. 2). De Heere God heeft volgens vs. 6 en 7 die watermassa verdeeld, een deel aan de aarde gebonden, en een ander deel in de lucht, en dan denken wij aan de dampkring of atmosfeer, die water in de vorm van damp bevat, waaruit neerslag, dauw, regen, hagel, sneeuw op aarde neerkomen.
Dit geschiedde op de tweede dag.
Wij hebben nog op te merken, dat de Heere het uitspansel hemel noemde. Dat is de hemel in een enigszins gewijzigde zin vergeleken met vs. 1 van dit hoofdstuk. Van de aarde uit zien wij als het ware tegen de hemel aan. In die zin wordt het uitspansel hemel genoemd.
In de vorige verzen heeft de Heere God een deel van het water afgezonderd en de dampkring geformeerd, maar het water dat op aarde was, heeft klaarblijkelijk de ganse aarde vervuld. Als daar iemand geweest zou zijn, dan zou hij geen aarde, geen droge gezien hebben, omdat het water de ganse aarde bedekte. Het negende vers deelt ons mede, dat God scheiding maakt tussen water en aarde, zodat het droge wordt gezien en het water wordt vergaderd in één plaats, de zee. "Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop". (Psalm 33:7).
De vorige verzen delen ons mede, dat God scheiding maakte tussen water en water, water op aarde, en water in de lucht, maar nu maakt Hij scheiding tussen water en aarde.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's