Overheid en economisch leven
Overheid en economisch leven 8
Enkele grondlijnen (slot)
ENKELE GRONDLIJNEN (SLOT)
Uit onze vorige beschouwingen is duidelijk geworden dat binnen de prot.christelijke kring de vraag naar de grondslagen van het christelijk-sociaal handelen opnieuw in discussie is gekomen. In de kritiek die wij in ons vorig artikel geuit hebben op de studie „Antwoord aan deze tijd" bleek, dat het uiteindelijk gaat om de vraag naar de wezenlijke uitgangspunten die Gods Woord ons geeft voor ons handelen in de praktijk van het sociaal-economisch leven.
Over de bijbelse maatstaven voor het christelijk-sociaal handelen heeft prof. dr. H. Berkhof m.i. zeer belangrijke opmerkingen gemaakt op de Christelijk- Sociale Conferentie in 1952. In hetgeen volgt releveer ik enkele van zijn hoofdgedachten
Prof. Berkhof onderscheidt vier motieven voor christelijk-sociaal handelen, n.l. (1) de navolging Gods, (2) de scheppingsordeningen, (3) de relatieve beginselen en (4) het christelijk geweten.
Over ieder van deze motieven enkele opmerkingen:
(1) De navolging Gods. .
In de navolging Gods gaat het er om dat wij in onze verhouding tot de naaste Gods verhouding tot ons herhalen. Duidelijk blijkt dit uit de eerste Johannesbrief, waarin o.a. gezegd wordt, „dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe" (4 : 21) en voorts: „Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. Zo wie nu het goed der wereld heeft en ziet zijn broeder gebrek hebben en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? " (3 : 16 v.). Het blijkt dus dat de liefde van God jegens ons, ons tot navolging dringt en dat deze liefde zich moet uiten in de liefde jegens de broeder. De „broeder" is wel in de eerste plaats de medegelovige, maar hiertoe is de liefde niet beperkt, immers Jezus gebruikt het veel ruimere woord „naaste".
De liefde tot God en tot de naaste zijn zeer nauw op elkaar betrokken. De tien geboden gaan zonder onderbreking van de liefde tot God in die tot de naaste over. Maar dat niet alleen: herhaaldelijk worden in de Schrift deze beide richtingen vereenzelvigd, zó, dat de liefde tot God haar eigenlijke uitdrukking vindt in de liefde tot de naaste. Willen wij tonen dat wij God liefhebben, dan worden wij verwezen naar onze naaste. De liefde tot God moet zich uiten in liefde tot de naaste. En ons gebrek aan liefde tot de naaste wordt ons aangerekend als een gebrek aan liefde tot God.
Uiteraard heeft deze verhouding tot de naaste gevolgen voor het sociale leven. Maar evenzeer is vanuit deze verhouding duidelijk, dat de aandacht voor het sociale leven geen doel in zichzelf is. Weliswaar betreft Gods liefde de mens in zijn totale bestaan, maar ook de meest volmaakte sociale verhoudingen zijn op- zichzelf nog niet het heil en de verlossing die God beoogt. Ja, het is zelfs mogelijk dat de aardse omstandigheden juist door hun volmaaktheid de echte verlossing zouden belemmeren. Er is een beschermd en verzadigd bestaan denkbaar, waarin men aan de begeerte naar de ware en totale verlossing niet meer toekomt. Niet zonder betekenis is in dit verband de bede van Agur in Spreuken 30 : 7 e.v.: „ armoede of rijkdom geeft mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels, opdat ik zat zijnde, U dan niet verloochene en zegge: wie is de Heere? of dat ik verarmd zijnde, dan niet stele en de naam mijns Gods aantaste". De sociale verhoudingen dienen daarom beoordeeld te worden naar de mate waarin zij de wezenlijke en totale verlossing van de mens Gods helpen of hinderen. Vandaar dat de Bijbel overal een sociale middenweg zoekt. Er is vrees voor armoede, maar ook voor de rijkdom. Daarom kan de welvaartstaat zonder meer niet het doelwit van het christelijk-sociaal handelen zijn. Wel zal het er op uit zijn die raaatregelen te nemen die overmatige welvaart hier tegengaan, om gebrek elders daardoor op te heffen.
(2) De ordeningen.
In het christelijk-sociaal handelen hebben we vaste regels te respecteren. Deze regels worden ordeningen genoemd. Deze ordeningen, waaronder gerekend wordt het huwelijk, het gezin, de arbeid, de eigendom, de maatschappij, het volk, de staat, zijn openbaringen van de scheppingswil van God over ons samenleven. Het handelen uit eerbied voor de naaste, zal dan alleen heilzaam voor de mens zijn, indien deze ordeningen gerespecteerd worden.
De „ordeningen Gods" worden in de Bijbel niet wettisch en statisch gehanteerd. Evenmin is er een denken vanuit het natuurrecht. De ordeningen worden realistisch genomen, zoals ze in een bepaalde tijd gevonden worden. Maar voor de gelovige betekent dit dat hij zoekt in die ordeningen God te dienen. Die ook in deze ordeningen een stukje heeft willen uitdrukken van Zijn wezen dat wij in het aangezicht van Christus mogen kennen.
(3) Relatieve beginselen.
De uit de Bijbel afgeleide beginselen voor het christelijk-sociaal handelen, hebben een betrekkelijk (relatief) karakter. Niet omdat ze in verhouding tot de naastenliefde staan, maar omdat ze tegelijk in verhouding staan tot de sociale werkelijkheid, zoals deze zich op een bepaald ogenblik voordoet. Verandert deze werkelijkheid, dan zal zich de dienst aan God en de navolging Gods van de gelovige in 't algemeen weer in nieuwe vormen en doeleinden uitdrukken.
Het grote gevaar waaraan de christenheid voortdurend bloot staat is dat 'van de relatieve beginselen absolute gemaakt worden. Het middel wordt dan doel en achter het stipt aanwenden van het middel verschanst men zich nu tegen het doel. Een star beginsel hanteren is nu eenmaal gemakkelijker dan van dag tot dag Gods wil volgen. Het gebrek aan sociale stuwkracht binnen de prot. christelijke kring zou dan ook wel toegeschreven kunnen worden aan het krampachtig vasthouden van beginselen, die als geboden gehanteerd worden. In het bijzonder moet in dit verband genoemd worden het beginsel van de beperkte overheidstaak, gegrond op de leer van de soevereiniteit in eigen kring van Kuyper.
(4) Het christelijk geweten.
Vooral in een tijd waarin binnen de prot-christelijke kring verschillend gedacht wordt over de sociaal-economische vraagstukken, meent prof. Berkhof te moeten attenderen op de vrijheid van het christelijk geweten. Het staat helemaal niet vast dat gelovige christenen over zaken als geleide economie per sé gelijke meningen moeten hebben. De Bijbel is geen sociaal wetboek waarin voor alle maatschappelijke problemen oplossingen en regels gegeven zijn. Bovendien hebben we rekening te houden met het feit dat ons verstand verduisterd is. De gemeente moet één zijn, maar wij hebben geen belofte van God dat de gemeente ook in die zin één zal zijn, dat alle gelovigen over politieke en sociale vraagstukken eenduidige meningen hebben. Spelen ook afkomst, opleiding, werkkring, karakter e.a. niet een rol? Maar anderzijds dienen we te bedenken dat met het beroep op het christelijk geweten niet gemakkelijk mag worden omgesprongen. We zouden anders begrensdheid en zelfzucht van onze wil gemakkelijk kunnen camoufleren.
Praktische grondlijnen.
Tot zover prof. Berkhof. Ik meen dat zijn nuchtere beschouwingen een uitnemend uitgangspunt bieden voor een bezinning op de wezenlijke grondslagen van een christelijk-sociale politiek. Gaarne wil ik trachten enkele lijnen te trekken vanuit prof. Berkhof's beschouwingen naar de praktijk van het sociaal-economisch leven, in het bijzonder wat betreft de relatie tussen overheid en economisch leven.
Allereerst wil ik dan stellen dat de vraag „geleide" of „vrije" economie geen zaak is van beginsel, maar van doelmatigheid. Men versta mij goed. Ik wil niet stellen, dat het er niet op aan komt of de overheid veel of weinig invloed uitoefent op het economisch leven. Wel wil ik stellen dat de wenselijkheid van de mate van overheidsingrijpen afhangt van de bestaande situatie. Om het uit te drukken in de terminologie van prof. Berkhof: In de ene situatie kan beperking van de overheidsinvloed (of „vrije" economie als u wilt) het relatieve beginsel zijn, in een andere situatie kan bewuste tussenkomst van de overheid (of „geleide" economie als u wilt) het relatieve beginsel zijn. Hiermede wil gezegd zijn dat de christelijke politiek zich nooit mag binden aan een bepaalde maatschappijvorm, zowel niet aan een liberale als aan een socialistische of welke dan ook. Wij hebben gezien dat op dit punt het rapport „Antwoord aan deze tijd" de grote fout maakte door te stellen dat geleide economie onchristelijk is. Door de christelijke politiek op zodanige wijze aan een bepaalde maatschappijvorm te binden wordt zij in een zodanig harnas gedrukt dat het „Antwoord aan deze tijd" bij voorbaat niet gegeven kan worden. Bovendien wordt dan het predicaat „christelijk" aan een bepaalde maatschappijvorm gebonden, die in een bepaalde situatie zelfs on-christelijk kan zijn. Te denken valt hier aan de vrije economie van de negentiende eeuw met zijn enorme sociale noden voor grote lagen van de bevolking enerzijds en aan de geleide economie van het nazidom anderzijds.
Geleide of vrije economie, zoals we in één van de vorige artikelen hebben uiteengezet, meer of minder geleide economie — een vrije economie is immers niet meer dan een constructie — is een vraag die wij dienen te beantwoorden uit de bestaande situatie waarvoor de vraag geldt. In het ene land kan de sociale gerechtigheid beter gediend worden met minder overheidsingrijpen en in een ander land met meer overheidsingrijpen. In zg. „jonge" landen die net het stadium van het kolonialisme gepasseerd zijn, speelt de overheid een zeer grote, zelfs een overwegende rol in het economische leven en terecht. Immers indien in zulke landen de overheid zich uit het economisch leven zou terugtrekken staat het bij voorbaat vast, dat de sociaal zwakkeren hiervan de wrange vruchten zullen plukken. Alleen door bewust overheidsingrijpen kan in landen met een betrekkelijk laag ontwikkeld economisch leven de enorme tegenstelling die in deze landen bestaat tussen rijk en arm doorbroken worden. Geleide economie staat hier in dienst van de sociale gerechtigheid en is in die situatie een christelijk-sociaal beginsel.
Zo was in de landen met een hoog ontwikkeld economisch leven die een betrekkelijk vrije economie toeliet, het een eis van sociale gerechtigheid, dat de overheid ingreep toen in de crisisjaren de werkloosheid deze landen teisterde. Zo kunnen we ons ook voorstellen, dat een christelijke politiek voor een communistisch geregeerd land de ontknechting van het economisch leven tot inhoud zou hebben.
Is er dan geen reden om niet al te gemakkelijk de toenemende overheidsinvloed in het economisch en maatschappelijk leven te accepteren? Immers vele christenen vrezen voor een zg. totalitaire staat en heeft deze vrees geen grond?
Ik geloof inderdaad, dat we niet al te gemakkelijk over de toenemende invloed van de overheid heen moeten stappen. Als er een keus is, zou m.i. bij voorkeur de overheid op de achtergrond moeten blijven. Overheidsingrijpen moet geen doel in zichzelf worden. Het beest uit de afgrond dat ons in Openbaringen 13 getoond wordt, maakt ons duidelijk, dat het uiterst gevaarlijk is een zodanig bestel op te bouwen waarbij alle macht in enkele handen gelegd is. In zon geheel hebben misdadige elementen meer kansen dan in een bestel waar de touwtjes in meerdere handen samenkomen, zoals de geschiedenis ons geleerd heeft. Tot zover hebben degenen die zeer nadrukkelijk waarschuwen voor een totalitaire staat, gelijk. De praktijk is echter, dat zij zo in beslag genomen zijn door het gevaar van de totalitaire staat, dat elk overheidsingrijpen wordt afgewezen.
Men komt dan tot formuleringen van beginselen, die eerder als liberaal dan als christelijk gekenmerkt moeten worden. Het is van belang hierop te wijzen, omdat ook in herv.-ger. kringen bij sommigen een ongemotiveerde afkeur tegen overheidsingrijpen bestaat. Ik denk b.v. aan de actie van de zg. vrije boeren. De argumenten die aangevoerd worden zijn in wezen klassiek-liberaal . en bovendien gespeend van elk werkelijkheidsbegrip. Als er één sector is die 't zonder, overheidsingrijpen niet stellen kan, dan is het wel de landbouw.
Samenvatting.
In het westerse staatkundige denken wordt voortdurend gezocht naar een theoretisch principiële beveiliging, tegen de idee van de totalitaire staat. Dat is begrijpelijk. Het terrein waar de staat recht heeft op te treden is niet onbegrensd. Tot omstreeks 1875 stond in de Pruisische wet, dat kinderen van Evangelische ouders verplicht waren hun kinderen te laten dopen. Christenen in Pruisen hebben dit wettelijk voorschrift met kracht verdedigd omdat een christelijke overheid hier naar hun mening trouw moest zijn. Wij menen echter, dat dit duidelijk een zaak is die buiten de bevoegdheid van de overheid ligt.
Uit de voorgaande artikelen is echter reeds gebleken, dat de overheidstaak niet zo gemakkelijk principieel te begrenzen is. Het is beslist niet zo, dat de overheid er alleen is om het recht te bestellen. Ze heeft een taak „het volk ten goede". Wanneer de overheid b.v. zorgt voor waterleiding, post-, telegraaf- en telefoonverbindingen, zeeweringen, maatregelen ten behoeve van de volksgezondheid, de sociale gerechtigheid e.a. dan dient dat alles te zijn het volk ten goede.Maar dit terrein schijnt moeilijk te begrenzen te zijn. Wij zien dan ook, dat de overheidsinvloed zich steeds verder uitbreidt en vooral in de sociale sector constateren we een steeds uitgebreidere staatsinmenging.
Uit de voorafgaande artikelen is gebleken, dat bij de aanhangers van de leer van de volkssoevereiniteit tegen de toenemende overheidsbemoeiing geen enkel bezwaar bestaat. Die leer houdt in wezen in, zoals we zagen, de almachtige staat.
Van liberale, rooms-katholieke en protestantse zijde zijn pogingen gedaan de staatstaak te begrenzen en deze grenzen principieel te bepalen. Zo treffen we bij de humanisten aan de onvervreemdbare rechten van de menselijke persoonlijkheid. De mens heeft recht op ontplooiing en dat is slechts mogelijk in vrijheid. Rooms-katholieke denkers hebben tegen de onbegrensdheid van „het algemeen welzijn" van Thomas van Aquino het subsidiariteits-beginsel naar voren gebracht om de tendens naar een totalitaire staat te breken. En bij dr. Kuyper vinden we de gedachte van de soevereiniteit in eigen kring. Sommige kringen die intern soeverein zouden zijn, zijn door Kuypers aanhangers duidelijk aangewezen: de kerk, het gezin. Maar is de maatschappij zulk een kring? Of de onderneming? Nog afgezien van de moeilijkheid de leer van de soevereiniteit in eigen kring bijbels te funderen, is het bezwaar dat deze opvatting vaak aangegrepen is om verzet aan te tekenen tegen overheidsmaatregelen o.a. op sociaal gebied. Er zijn ondernemers geweest die bepaalde maatregelen afkeurden met de verklaring, dat ze in hun onderneming de soevereiniteit in eigen kring wensten gehandhaafd te zien. Een ouderwetse liberale opvatting van: „ik wilde volstrekte baas blijven op eigen erf" werd met een „christelijke mantel", omhangen.
Met verwijzing naar de opvatting van prof. Berkhof hebben we willen aantonen, dat de christelijke politiek zich niet op een systeem kan vastleggen, zoals gebeurt in „Antwoord aan deze tijd". Niemand zal ontkennen, dat er in onze Westerse wereld vrijheid moet zijn, maar ook kan niet ontkend worden, dat de macht van de staat — ook op sociaal-economisch gebied — kan worden ontbeerd. De christelijke politiek is er op uit om in te gaan tegen sociale onrechtvaardigheden. De strijd is dan niet tussen het „ja of neen" van de overheidsbemoeiïng, maar die tussen meer en minder.
Daarbij is belangrijk wat het concrete antwoord is op een vraag die de situatie waarin we leven stelt. Maar 't is belangrijker welke de richting is waar wij met het totaal van onze antwoorden op het geheel van vragen heenkoersen. Is dit de richting van de totalitaire staat waar de macht in één hand is geconcentreerd? Als dit zo is, dan wordt de spanning tussen gezag en vrijheid opgeheven om alleen ruimte te laten voor macht, met als resultaat de totalitaire staat. Of is het zo, dat wij in een richting bewegen waarbij de spanning tussen gezag en vrijheid blijft, zodat er niet alleen vrijheid blijft bestaan, maar het gezag door zijn macht de hoeder van de geestelijke vrijheid blijft. Dit leert ons, dat de overheidstaak niet principieel, niet kwantitatief te begrenzen is. Het gaat om de sociale gerechtigheid en in deze is de overheidstaak alleen kwalitatief te begrenzen. De bijbel leert ons, dat de mens geneigd is om zijn naaste te haten en dit geldt ook voor het maatschappelijk leven. De overheid heeft hier een duidelijke taak, „opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de mensen toega" (art. 36 N.G.B.). Maar hierin ligt tevens haar beperking opgesloten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's