De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GENESIS I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GENESIS I

GENESIS I 4

6 minuten leestijd

De derde dag

Prof. dr. J. Severijn

De derde dag.

Het droge noemde God aarde en de vergadering van wateren noemde Hij zee. (vs. 10)

God zag, dat het goed was. (vs. 10)

Dat betekent dus, dat het overeenkwam met de wil en bedoeling Gods. Het was geschikt om de taak te vervullen, die God voor de aarde had weggelegd.

De eerste taak nu was de geschiktheid van de aarde om een plantengroei te kunnen voortbrengen? . . . neen, dat staat er niet, want het voortbrengen, beter gezegd het scheppen, ligt niet in de aarde, maar is in de hand van God. Maar God zag, dat de aarde geschikt was om het werk te doen, de bestemming te volbrengen, die Hij voor de aarde had weggelegd.

En dat begon op deze derde dag, toen God zeide: "Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde; en het was alzo" (vs. 11).

„En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was naar zijn aard, en God zag, dat het goed was", (vs. 12).

„En het was avond geweest en het was morgen geweest, de derde dag". (vs. 13).

Nu begint de aarde voor ons te spreken, nu ze met zulk een verscheidenheid van planten en bomen met velerlei bloemen en vruchten de wonderen Gods gaat openbaren. Welk een verscheidenheid en welk een weelde. We kunnen daarbij zo wonderlijk bepaald worden, dat die bodem in zo rijke verscheidenheid planten van zo heel verschillende soort en groei en grootte voortbrengt. Welk een wonder Gods komt de mens tegen in die rijke verscheidenheid uit één aarde! Let maar eens op de verscheidenheid van planten in één betrekkelijk kleine tuin. Verscheidenheid van soorten, van bladen en bloemen, van zaadjes en vruchten. En dat alles uit één aarde. De mensen zijn zo onder de indruk gekomen van deze indrukwekkende verscheidenheid en — niet te vergeten — schoonheid, dat ze zijn gaan spreken van „moeder aarde".

Op zich zelf beschouwd is daar wel iets in, dat aantrekkelijk is, maar hoe groot en machtig is de Heere God, die dit alles door Zijn Woord in het aanzijn, ja in het leven riep en in het leven onderhoudt.

En al die schoonheid, pracht en verscheidenheid van planten en bomen, komt voort uit die aarde, eens woest en ledig en in duisternis. Geen schepselmatig oog heeft het gezien, maar wat een beeld van verlatenheid!

Wat zegt gij? Verlatenheid? Hebt gij dan niet gelezen, dat de Geest Gods zweefde op de wateren? De aarde was niet verlaten. Zij was een werk Gods en God ging verder met Zijn werk om haar te bereiden voor de mens. Overeenkomstig Zijn goddelijke Raad.

Van stap tot stap, van dag tot dag, ging het werk voort naar het goddelijk voornemen. Op de derde dag verscheen de aarde in haar schoonste lenteweelde. En God zag, dat het goed was.

Wij mensen van de tijd zitten, als wij van die dwaasheid nog niet genezen zijn, te tobben over de vraag, of die drie genoemde dagen, dagen van 24 uur of mogelijk wereldperioden van veel langere duur zijn geweest. Men gewaagt dan van millioenen jaren.

Uit de aard der zaak is dat een vraag van de gevallen mens. De oorspronkelijke mens, die in gerechtigheid en vrede met Zijn Schepper leefde, door Hem onderwezen werd omtrent een eeuwige toekomst en voor wiens reine ziel de schepping in haar ongeschonden rijkdom vertolking schonk van de Majesteit en de deugden Gods, had geen behoefte om te tobben over vragen des tijds.

Welk waarachtig levensbelang was er voor de mens in de rechte staat verbonden aan de tijd dan de werken Gods te genieten en God te loven, eigen afhankelijkheid te doorgronden in het licht van de eeuwige Majesteit, en Zijn Woord in gehoorzaamheid te bewaren?

De tijd is voor de gevallen mens van buitengewoon gewicht. De tijd van de gevallen mens is kort. „Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren, en het uitnemendste van die is moeite en verdriet, want het wordt snellijk afgesneden en wij vliegen daarheen". (Ps. 90: 10).

Wij vliegen daarheen. Die de jeugd achter zich hebben, zeggen dat na.

Waar vliegen wij heen?

Als voor ons de tijd voorbij is? Wat dan?

De tijd voorbij. Onze tijd voorbij. Maar de eeuwigheid, de Eeuwige, onze Schepper en Gebieder niet voorbij en de eeuwigheid vóór ons. Tijd en eeuwigheid hebben toch iets met elkander te maken. De tijd is er niet zonder de eeuwigheid, ja, niet zonder de Eeuwige. Straks is ook onze tijd, zeventig, tachtig jaren, zo wij zeer sterk zijn, straks is onze tijd voorbij, maar de Almachtige, de Rechter van hemel en aarde leeft in alle eeuwigheid.

Daar zal Hij richten over de overtreding van Adam, de rebellie van de mens, en Zijn Rijk in Christus bevestigen tot in eeuwigheid.

De eerste drie dagen voorbij. De aarde gereed om levende wezens te ontvangen en te voeden, opdat zij hun leven leven in de lofzang der schepping: „De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk". (Ps. 19:2).

Dat zijn wel drie heel bijzondere dagen geweest, waarvan we niets begrijpen. Opvolging van licht en donker, maar geen melding van zon, maan en sterren.

En dan gaan de mensen denken aan literaire vrijheden van de schrijver van Gen. 1 en onderstellen, dat de zon en de maan en de sterren er „natuurlijk" wel geweest zijn, maar de auteur van het eerste hoofdstuk heeft redenen gehad om het een beetje om te zetten.

Maar wacht eens even. Welk mens is getuige geweest van deze werken Gods?

Geen mens. Geen mens heeft ook maar iets gezien van de ganse scheppingsarbeid Gods. Toen het alles gereed was, werd de eerste mens geschapen.

Maar, hoe kan de mens dan van de schepping schrijven? Genesis 1 is toch door iemand geschreven! Hoe kwam die mens dan aan deze kennis?

Juist aan deze kennis! Niet een sage, een legende, of een mythe omtrent dingen, die de mens niet weet, maar vertrouwelijke mededelingen omtrent een werkelijke geschiedenis: de schepping der wereld.

Maar de Heere God heeft toch van de beginne met de mens gesproken. Lees maar eens het 28ste en 29ste vers van dit hoofdstuk en lees ook het volgende capittel.

Al die kennis van vóór de schepping van de mens heeft hij van God zelf ontvangen. Dat is het profetische Woord, dat de Heere de mens ook na de zondeval niet onthouden heeft. Gelijk Hij de mens van de toekomende dingen, — denk maar eens aan de belofte van Zijn Christus — heeft gesproken, eeuwen vooruit, zo heeft Hij de mens ook mededeling gedaan — geprofeteerd — omtrent Zijn scheppingswerk uit de dagen voordat de mens was geschapen.

Wij lezen daaruit, dat het om de mens begonnen is, krachtens het eeuwig voornemen Gods.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GENESIS I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's