UIT DE PERS
Reacties op 'Twistgesprekken met God'
Reacties op 'Twistgesprekken met God'
Het boekje van de Amsterdamse predikant ds. Van Ginkel roept vele en vaak zeer felle reacties op. U weet: Het gaat in dit boekje ten diepste om de vraag van de vertolking van het Evangelie aan de mens van nu. Daar hield ook het geruchtmakende boek van Robinson: 'Eerlijk voor God' zich mee bezig. Evenals Robinson en Tilich spreekt ook Van Ginkel met voorliefde over God als de diepste Grond van het Zijn. We moeten niet spreken over „God in de Hoge", Die als een Vader Zijn kinderen verzorgt, maar letten op de Stem van „God in de Diepte".
In het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van 19 februari gaat ds. M. P. van Dijk op dit boek nader in. Van Dijk spreekt over een nieuw soort vrijzinnigheid, die hier aan het woord is. Eerlijker en sympathieker dan het modernisme van de vorige eeuw, omdat ze niet uit wil gaan van allerlei vage religieuze gevoelens, maar realistisch tot de mens van nu wil spreken, in zijn eenzaamheid en twijfel. Een vrijzinnigheid die menselijk en vooral medemenselijk wil zijn. Maar niettemin een vrijzinnigheid die het Evangelie van Jezus Christus onherkenbaar verminkt.
En toch ben ik met dr. Langman van mening dat wij, zo min als bij de oude vrijzinnigheid, het evangelie van onze Here Jezus Christus herkennen. Heel duidelijk wordt dit m.i. als Van Ginkel het over de verzoening heeft. Wat van verzoening in bijbelse zin, van verzoening door voldoening, overblijft, is zo goed als niets. Laten we maar zeggen: niets.
„Erkent uw schuld". Deze oproep betekent volgens ds. Van Ginkel niet: tracht ons op de knieën te dwingen om als een miezerig mensje fouten te erkennen. Het is alleen maar de oproep om te erkehnen dat wij als mens schuldig zijn (verplicht zijn) onze bijdrage van actieve liefde te geven.
U hebt reeds begrepen dat hier de begrippen schuld en verplichting verwisseld worden. De mens is niet „schuldig" in deze zin, dat hij door een heilig God schuldig wordt verklaard aan zijn zonde, maar in deze zin dat een verplichting op hem ligt. Zelf geeft de schrijver tussen haaikjes weer wat hij onder schuld verstaat: verplichting (om lief te hebben). Maar zo blijft van het oude begrip schuld niets over. En daarom ook niet van het oude begrip verzoening. Zeker: Jezus nam onze „schuld" (tussen aanhalingstekens) op zijn schouders. Maar wat betekent dit? Het betekent dat hij demonstreert wat onze verplichting is nl. hef te hebben. Hij geeft ons het goede voorbeeld. En nadat hij ons het goede voorbeeld van liefde gegeven heeft verplicht Hij ons lief te hebben.
Van het kruis in bijbelse zin, als zoenoffer, losprijs is niets meer overgebleven.
„Laat u met God verzoenen". Wat betekent dit? Het betekent: „zit neer onder de eik en luister naar het heilig waaien". Luister naar de Stem die fluistert üi de diepte van uw mens-zijn en zegt dat u medemenselijk moet zijn, iets voor anderen moet zijn, u zelf moet geven aan anderen.
„Verzoening" dat is: verzoen u met het feit dat in dat waaien een stem klinkt die u oproept tot radicale medemenselijkheid.
Wij constateren dat het bijbelse begrip verzoening is uitgehold en dat alleen het woord is overgebleven. Eerlijk gezegd: ik ben van dit boek, dit warme, „medemenselijke" boek geschrokken. Ik ben bang voor deze nieuwe vrijziimigheid. Ze heeft de wind in de zeilen. Ze spreekt de mens aan in zijn angst, zijn leegheid, zijn besef met een absurde werkelijkheid te maken te hebben — waarin we alleen maar zoeken kuimen naar gelegenheden de „kever" die de naaste is niet op zijn „keverschap" vast te spijkeren.
Maar van verzoening is niets overgebleven.
Van God... als Vader is niets overgebleven. We mogen immers niet meer spreken van God als Persoon, hoogstens van God als een „Het". Hij verschijnt persoonlijk, maar is zelf niet persoonlijk. Hij neemt een persoonlijke gestalte aan, als Hij nl. verschijnt in mensen die ons liefhebben. Zij zijn Gods plaatsvervangers. Menselijke personen zijn in deze koude harteloze eenzame wereld de plaatsvervangers van Hem, die alleen maar een hèt is, onkenbaar en onbegrijpelijk.
Terecht ziet Van Dijk hier een theologie aan het woord voor wie de mens maatstaf en norm is. Dat is naar zijn mening de overeenkomst met de oude vrijzinnigheid van de vorige eeuw. Vooral dit laatste is belangrijk. We zouden willen vragen: Zijn deze geluiden wel zo nieuw? Of keert de negentiende eeuw hier niet volop terug? En is het dan toch weer niet de mens die van zijn gevoelens en beseffen uit een leer over God ontwikkelt?
Herleving van de negentiende eeuw.
Het trof ons hoe prof. dr. G. C. van Niftrik ook deze verbanden aanwijst met de vorige eeuw. Hij doet dit in een uitvoerige bespreking van het boek van de Amerikaanse theoloog, Paul van Buren: „The secular meaning of the gospel" Ook Van Buren wil eerlijkheid betrachten. Mensen met een modern wereldbeeld en een moderne wijze van leven, mensen die gebruik maken van wat wetenschap en techniek bieden kunnen met heel die voorstellingswereld van God, engelen en duivelen, hemel en hel niets meer beginnen. Het gaat erom dat de mens zich aan de historische Jezus oriënteert om te weten hoe je werkelijk en menselijk moet leven. Zoals Jezus een vrij mens was, die de naaste diende, zo moeten ook wij in vrijheid dienen in de liefde. En waar de vrijheid van Jezus aanstekelijk werkt, daar wordt Pasen verstaan. Pasen betekent, dat toen Jezus' vrijheid aanstekelijk werkte voor de discipelen en voor millioenen in de loop der eeuwen.
Van Niftrik ziet bij Van Buren de negentiende eeuwse theologen Ritschl en Schleiermacher herleven. Hij schrijft in „Kerk en Theologie" (januari 1965):
„In Paul van Buren herleeft mutatis mutandis Albrecht Ritschl uit de vorige eeuw. In meer dan één opzicht. Allereerst hierin dat ook voor Van Buren de religie opgaat in zedelijkheid. Ritschl leerde ons handelen met het oog op het Rijk Gods. En Paul van Buren leert ons handelen in de vrijheid van de historische Jezus, welke vrijheid door Pasen voor ons aanstekelijk is geworden".
Vervolgens wijst Van Niftrik er op hoe bij Van Buren evenals bij Ritschl de christologische predicaten, zoals Zoon Gods, Zaligmaker, Verlosser enz. waarderingsoordelen zijn. Jezus is niet de Zoon van God, zoals de Kerk Hem belijdt, maar de gemeente waardeert Hem als God. Ook Van Buren vindt het passend en logisch als een gelovige in de taal der aanbidding Jezus belijdt als „God uit God en Licht uit Licht". Dat is niet objectief waar, neen dat is de taal der liefde, zoals een minnaar van een heel eenvoudig meisje zegt: „Jij bent voor mij het mooiste meisje van de wereld".
Ook de theologie van Schleiermacher herleeft in Paul van Buren. Volgens Schleiermacher kan men God niet loswikkelen uit het vrome gevoel. Bij Van Buren kan men God niet loswikkelen uit de liefdehandeling ten opzichte van de naaste. De mening van Van Buren blijkt dus niet zo nieuw te zijn, als sommigen menen. We citeren uit het genoemde artikel nogmaals: „Achter de gemakkelijkheid, waarmede velen zich thans op Robinson en Van Buren storten, kan ook een lichtvaardigheid en oppervlakkigheid schuilen, die de serieuze studie van de dogmengeschiedenis en de dogmatiek schuwt. Als men hiervan serieus kennis neemt, komt men tot de ontdekking, dat ook in het verleden over vele moderne vragen is nagedacht.
Toch kunnen we aan Paul van Buren en aan Bultmann en zijn leerlingen niet voorbij gaan. Wij worden gedwongen de oude antwoorden een nieuw gewaad te geven.
Vermoedelijk gaan we wat betreft de dogmatiek een spannende tijd tegemoet. De negentiende eeuw staat weer op. We zullen in de naaste toekomst vermoedelijk een nieuwe opbloei der vrijzinnigheid beleven". .
Het gezag van de prediking.
In het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" van 18 februari gaat Van Niftrik nogmaals in op de door Van Ginkel en Van Buren aan de orde gestelde kwestie van de taalvelden. Gaat de vergelijking van de geliefde die tot zijn meisje zegt: „Jij bent voor mij het mooiste meisje", hoewel dat meisje een heel eenvoudig en gewoon meisje is en dus in objectieve zin helemaal niet de mooiste en de knapste —, gaat deze vergelijking ook op voor de taal van het geloof?
In een artikel: „Spruitjes en bloemkool" schrijft Van Niftrik o.a. het volgende:
De vraag nu is: geldt deze redenering óók voor de taal des geloofs? Dat beweert Van Buren. Ik vrees, dat Van Ginkel het ook meent. Dan is Jezus Christus voor mij de Heiland, omdat ik dat in Hem zie en dan is het voor mij waar, maar voor de anderen is Hij maar een doodgewoon mens. Betekent dat het geopereer met taalvelden?
Dan moet ik zeggen, dat hier het Evangelie wordt aangetast. Bij Van Buren kan men eigenlijk niets meer „objectief" zeggen. De waarheid is alleen maar waar in de existentiële relatie. En dat bestrijd ik.
Wéér is onweersprekelijk, dat de Waarheid alleen gekend wordt in de existentiële relatie. Ondertussen is het kernprobleem een ander probleem dan het zijnsprobleem. De liefde maakt een doodgewoon meisje tot het mooiste ter wereld, maar mijn geloof maakt Jezus Christus niet tot Heiland. Hij is het — objectief —, ook al zou er geen sterveling in Hem geloven. Van Ginkel moet goed begrijpen, wat deze dingen voor mij en trouwens voor velen betekenen. De hele klem en het ganse gezag van de prediking gaat verloren, wanneer de zijnsoordelen eigenlijk niets anders zijn dan de lyrische versiering van waardeoordelen. Ik verkondig in de kerk niet primair wat ik geloof, maar wat objectief, volgens het getuigenis der Heilige Schrift zo is. Niet alleen voor de Bijbel zo is, maar zo überhaupt is.
Het moge duidelijk zijn, dat hier veel, of beter gezegd alles op het spel staat. Wie de weg van Van Buren en van Van Ginkel volgt verliest het Evangelie en heeft in feite niets meer te zeggen. Die verzandt onherroepelijk in een moralisme, dat modern en aansprekend moge aandoen, maar in wezen doodvermoeiend en uitzichtloos is.
Niemand zal ontkennen, dat de verkondiging van het Evangelie aan de moderne mens een opgave is die geweldige vragen stelt, waar ieder die ernst maakt met de prediking mee te worstelen heeft. Maar het is benauwend hoe men in al deze beschouwingen eenvoudigweg capituleert voor een bepaald levensbesef en werkelijkheidsbesef, hoe de mens van nu met zijn belevingen en ervaringen tot uitgangspunt en tot norm verklaard wordt. Een prediking die daarvan uitgaat wordt een vrijblijvend spreken, dat even vrijblijvend kan aangehoord worden.
Hier is het gezag van het Woord als bron der prediking en regel des geloofs in het geding. Hier zijn ook de fundamenten van de Kerk van Christus in het geding. In dit verband moge ik tenslotte het woord geven aan ds. W. A. Hoek, die in het „Kerkblaadje" (Uitgave van de „Kring van Vrienden van Kohlbrugge") ingaat op klachten van ds. Van Lunzen over de teruggang der vrijzinnigheid, over de zgn. rechtsvrijzinnigen, die volgens Van Lunzen het vrijzinnig beginsel verloochenen, en over de houding van de Synode der Herv. Kerk jegens de vrijzinnigen, die door Van Lunzen betiteld wordt als „een slechte moeder, die haar kinderen in de steek laat".
Hoek schrijft (in het nummer van 12 februari):
„Een moeder die zich door de verlangens van haar kinderen laat leiden, is met al haar goedigheid (een goedigheid, die tenslotte gemakzucht is) geen goede moeder. Elke vergelijking hinkt. Ook die van de Kerk als moeder. De aardse kerk is minder dan een moeder. Zij heeft ons het leven niet geschonken en kan ons leven ook niet in stand houden. De kerk verkondigt. Zij deelt uit. Dat is haar moederlijk werk. Het Evangelie van Gods genade in Christus is de rijkdom waar zij zelf uit leeft en die zij ons mag geven. Daarbij moet zij naar haar beste weten handelen en nauwlettend op haar geven toezien. Zij kan ook stenen voor brood geven of, erger, nog iets aanbieden dat het uiterlijk en de smaak van brood heeft en toch geen brood is. Wil de kerk waarlijk kerk zijn, ook tegenover andere kerken, m.a.w. wil zij ernst maken 'met het gebed van haar Heer in Johannes XVII en aldus oecumenisch zijn, dan kan zij zich niet genoeg naar het Evangelie der Schriften richten. Zij is dan niet met „rechtzinnig" en „vrijzinnig" en „modaliteiten" bezig, maar luistert naar wat als Waarheid tot haar komt. Luisterend vervult zij haar moederlijke plicht".
We menen dat dit woord van ds. Hoek niet slechts geldt aan het adres van ds. Van Lunzen, maar ook aan het adres van de gesignaleerde nieuwe vrijzinnigheid. Dit woord over de Kerk als moeder doet me denken aan het bekende woord van Abraham Kuyper. U kunt het vinden in zijn „Confidentie": „O zulk een kerk te bezitten, een Moeder die van der jeugd af onze schreden leidt! Het werd mijn heimwee, het werd de dorst mijns levens. Dat had mij ontbroken ..."
Tot zover Kuyper. Een woord uit de negentiende eeuw. Herleeft de negentiende eeuw? Herleeft het modernisme? Dat is veler vrees. Laten Kerk en Theologie zich bezinnen op de inhoud van haar verkondiging, opdat de Kerk als een goede moeder brood voor het hart uitdeelt aan de mens van vandaag. Anders zou deze mens wel weer eens kunnen klagen over een moeder die i.p.v. voedsel stenen voor brood geeft en haar kinderen aan hun lot overlaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's