DE CATECHISMUS
DE CATECHISMUS 26
Vr. Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? A. God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, óf door onszelf, óf door een ander, volkomen betalen.
IS ER VERWACHTING? VRAAG EN ANTWOORD 12
Het gereformeerd belijden is gericht op de verheerlijking der deugden Gods. Het weet er van dat de mens vlees is en daarom geen tittel daartoe kan bijdragen. Juist daarom handhaaft het zo krachtig de eis van de strafvorderende gerechtigheid Gods, zoals de Heilige Schrift daarvan spreekt. Opdat namelijk alle vlees zal zwijgen voor Hem en de heerlijkheid van Christus als allesvervullende Plaatsbekleder worde gekend, bemind en geprezen in het geloof.
Geen kwestie van, dat dit belijden benepen van aard is en de deur die uitzicht geeft, slechts voorzichtig op een kier zet. Het gooit integendeel aan 's mensen zijde alle deuren radicaal dicht. om aan Gods zijde haar wagenwijd te openen in de vertolking van Zijn welbehagen. Maar daarmee maakt het dan ook volkomen ernst. En die ernst meent het niet waar te nemen in het spreken over de barmhartigheid Gods zonder dat Zijn recht de aandacht ontvangt die het behoeft naar de maatstaf van de Schrift.
De catechismus komt steeds weer terug op de verhouding, waarin God ons in het paradijs tot Hem heeft gesteld: Van deze boom zult gij niet eten, want tendage dat gij daarvan eet zult gij de dood sterven. Gods gerechtigheid en waarheid eisen, dat vervuld worde wat toen gesproken is. Daarom heeft het gereformeerd belijden steeds hieruit verstaan, dat alleen volkomen voldoening door gehoorzaamheid aan Gods liefdewet en het doordragen van de straf, op de overtreding gesteld, de vrede tussen God en de mens kan herstellen. En daarop doelt dan ook het antwoord: ... daarom moeten wij aan haar, óf door onszelf, óf door een ander, volkomen betalen.
Van hieruit wordt het werk van Christus doorlicht en krijgt het ook zijn volle waarde voor het mensenhart in de toepassing door de Heilige Geest. Niet eerder wordt het geweten van de zondaar tot rust gebracht, voor hij als een verlorene, die aan Gods recht in tijd noch eeuwigheid kan voldoen en de doodsteek ontvangen heeft, Christus in Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid als zijn alle-gehoorzaamheid-derwet-vervullende en vloekdragende Borg heeft ontvangen.
Tegen deze leer der volkomen voldoening door Christus zijn steeds weer veel bezwaren gerezen. Men vond en vindt haar te juridisch opgesteld. En we zullen het niet ontkennen, dat menigmaal met name dit geloofsstuk zo scholastiek bewerkt is, dat het de schijn had dat de verlossing in Christus meer uit de rechtswetenschap kon verklaard worden dan vanuit het evangelie. Scholastieke beredenering wijzen we af, maar we gooien niet met het badwater ook het kind weg. Het gereformeerd belijden wil vertolken de rijkdom van de verzoening door volkomen voldoening in Christus Jezus als inhoud van het Evangelie. Dit Evangelie maakt God groot, vernedert de mens op het diepst en zet de schoonheid en dierbaarheid van de Zoon des mensen in het volle licht.
Toen dan ook in de dagen der reformatie de Socinianen Christus eenzijdig belichtten als de Profeet, Die Zijn leer met Zijn dood bevestigde, werden zij afgewezen juist wegens dit aantasten van het verzoenend lijden en sterven van de Christus. Immers werd zowel de verlorenheid en totale verdorvenheid van de mens als het volheerlijke plaatsbekledend werk van Christus in Zijn verzoeningsambt geloochend. Hoogstens kon nog van de gebrekkige mens worden gesproken, terwijl Jezus' voorbeeld te volgen als ideaal voorgehouden werd tot verwerving van het leven. De verwerping van het geloofsstuk der voldoening blijkt altijd samen te hangen met menselijke zelfhandhaving.
Dat wordt ook duidelijk ons getoond in de remonstrantse voldoeningsleer.
De oude remonstranten handhaafden nog wel de voldoening van Christus, maar ontkenden dat Hij alle straffen geleden zou hebben, die tot volkomen voldoening nodig waren. Zijn lijden en sterven, zou niet een volledige voldoening voor de zonden zijn geweest, maar een uiting van volkomen toewijding aan God, welke echter docr God als voldoende voor alle zonden zou aangemerkt zijn. De zgn. acceptilatietheorie.
Hierin ontdekken we dus weer het niet volle ernst maken met de gerechtigheid en de waarheid Gods. God ziet eigenlijk het kwaad door de vingers. En daarbij wordt aan het werk van Christus niet die waarde toegeschreven, die het waarlijk heeft. De mens blijft op een voetstuk staan. Hij wordt niet neergeworpen voor zijn majesteitelijke God.
Hetzelfde komen we ook in onze tijd tegen bij degenen, die God alléén als onderwerp van de verzoening willen zien. Prof. Korff heeft met alle klem steeds weer herhaald, dat God verzoent, maar dat men niet kan zeggen, dat Hij verzoend wordt. Te spreken over recht en gerechtigheid, genoegdoening enz acht hij een verduistering te zijn van het geheim van Golgotha.
Nu is het ongetwijfeld naar de Schriit alle nadruk er op te leggen, dat de verzoening van God uitgaat. Hij heeft Zijn Zoon in de wereld gezonden. Doch de Schrift leert ook, dat de gezonden Zoon hier een verzoeningsambt vervult, waarin God verzoend wordt, doordat Zijn toorn over de zonde gestild wordt. Christus heeft jood en heiden verzoend met God (Ef. 2 : 16). Hij is den broeders in alles gelijk geworden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester' zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen (Hebr. 2 : 17). — In en door Christus is objectief iets gebeurd, in de richting van God. Golgotha is niet maar een verklaring, een proclamatie van God uit. De Schrift openbaart ons Golgotha als een verzoeningsgebeuren tot stilling van de toorn Gods. God is niet alleen onderwerp, maar ook voorwerp van de verzoening.
Trouwens de offers van het Oude Testament, die Christus' offer afschaduwen zijn duidelijk bedoeld als een verzoening van God. God moet spijs hebben, zo duidt de grondtekst het aan. Daar hebben we de voldoening.
Kohlbrugge schrijft daarover op treffende wijze in zijn preek over de tafel der toonbroden. „God moet te eten hebben. — God moet Zijn eer hebben, dat is Zijn spijs. Dat wij Hem dit schuldig zijn, betuigt ieders geweten, en vandaar komt ook de zo vaak gebruikte leus: Gode alleen de eer!" — Dan werkt K. verder uit, hoe God Zelf voor Zijn gedekte tafel gezorgd heeft. Alles in de zin van de volkomen voldoening, naar het Woord.
Zo wordt het heil geopenbaard in het hart en verzegeld door de Heilige Geest. Zion zal door recht verlost worden.
Nu wordt er — als het over betalen gaat — a.h.w. even terloops gezegd: of door een ander.
Dat kan alleen maar gezegd worden vanwege het Evangelie. Hier licht iets op van het allergrootste wonder. Een geldschuld mag immers over te dragen zijn, van een zedelijke schuld kan dat in onze mensenwereld niet gezegd worden. Een moordenaar kan niet voor de rechtbank zijn plaatsvervanger hebben. Bij de mogelijkheid van overdracht van zedelijke schuld zou de samenleving worden opgelost, daar dan de goedenin de gevangenis zouden komen en de bandieten vrij zouden rondlopen.
Het Evangelie openbaart echter het wonder der plaatsvervanging. Wat op aarde in de wereld van het recht niet gevonden wordt, niet kan worden gevonden, dat wordt in het Evangelie des kruises geopenbaard.
Hierin gaat het Evangelie niet tegen de rede in, maar wel is het bovenredelijk. „Als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand vol eerbied stil". — „Waarlijk Hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, en keerden ons ieder naar onze eigen weg, maar de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen".
„Wij geloven, dat Jezus Christus een eeuwige Hogepriester is, met ede, naar de ordening van Melchizedek, en zichzelf in onze naam voor zijn Vader gesteld heeft, om zijn toorn te stillen met volle genoegdoening, zichzelf opofferende aan het hout des kruises, en vergietende zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden, gelijk de profeten hadden voorzegd". (Geloofsbel. art. 21).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's