Een ruime nodiging
Een ruime nodiging (3)
Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. (Mattheüs 11 : 28).
De vorige maal hebben we stilgestaan bij de werkelijkheid van het vermoeid en belast zijn en hebben we met dankbaarheid mogen constateren dat de Heere Jezus niet aansluit bij het gevoel, maar bij de werkelijkheid. Het gevoel kan met veel zonden doortrokken zijn, maar de werkelijkheid doet roepen: voer mij uit mijn gevangenis. Gevoelsmensen redden het in de regel wel, want zij brengen er zichzelf in de regel wel weer boven op. Dat kan ook, want de dingen, die zij voelen, zijn als regel voor hen geen werkelijkheid. De ernst ontgaat hen. Zij grijpen en grissen naar allerlei woorden en gedachten aan de bijbel ontleend, maar zij komen er niet toe te bedenken dat zij de levende Christus nodig hebben.
Nu schreef iemand mij naar aanleiding van dit opgemerkte, dat de kennis van de werkelijkheid toch niet buiten het gevoelsleven om gaat. Wanneer het echter zo is als de schrijfster opmerkt, dat zij van haar kindse jaren al „voelde" dat zij te zondig was om een schaapje van Christus' kudde te zijn, wat zij vurig verlangde te zijn, dan geloof ik te mogen zeggen, dat hier sprake is geweest van méér dan gevoel. Inderdaad zal kennis van de werkelijkheid niet buiten het gevoelsleven om kunnen gaan, maar we moeten toezien, dat we niet op ons gevoel zonder meer drijven zonder kennis van de werkelijkheid. Die werkelijkheid, eenmaal ontdekt, blijft ons bij totdat we weten uit onze gevangenis van vermoeidheid en belast zijn uitgevoerd te zijn. En dan zal het zeker zo gaan, dat de Heere doortrekt en ons een keer zet voor de rijkdom van Zijn gaven om ons daarin te doen delen. Hierbij is het als breekt er iets door en wordt men overgezet in het Licht. Dit kunnen we zelf niet vasthouden. Het sterke bewustzijn van deze gezegende werkelijkheid kan wel eens iets of meer verflauwen, maar de Heere zorgt door de middelen, die Hij Zelf daartoe verordineerde, Zijn Woord en Sacramenten, dat er versterking van dit kwijnende leven wordt gewerkt. Hierop mag de briefschrijfster, voor wier reactie ik zeer dankbaar ben, zeker hopen.
Terugkerend tot ons onderwerp merken we op dat de Heere Jezus nodigt allen, die vermoeid en belast zijn. Er waren er in de dagen van des Heeren omwandeling op aarde velen, die vermoeid en belast waren. We kunnen ze grotendeels in tweeën onderscheiden. Er waren vermoeiden en belasten, die zeer serieus langs de weg van wetsvervulling het eeuwige leven zochten te bereiken. De Farizeeërs zetten hen er ook heel erg toe aan. Deze zoekers en werkers ontdekten dat ze niet bereikten wat zij zochten, en het moest, zo wisten ze. Dit maakt hen dodelijk vermoeid en belast. Er waren er echter ook, die meenden dat zij het wel konden volbrengen en die daar vrede mee hadden ook. Zij waren vermoeid en belast, want zij konden evenmin als die anderen hun gerechtigheid bouwen, maar zij wisten het niet. Zij dachten dat het in orde was en de Heere Jezus hadden zij in het minst niet nodig. Er waren dus echt geestelijk vermoeiden, maar ook vermoeiden, die het niet wisten.
Welke nodigt de Heere? Beide groepen. Want Hij zegt: komt allen! Hij roept dus niet alleen maar degenen, die weten, dat zij het zijn, maar ook hen, die het niet weten. Wat is dat gelukkig. Anders zag het er voor ons niet best uit en voor niemand. Dan was er geen Evangelie te prediken als van ons geeist werd, dat we het wisten en dat we dan eerst tot de genodigden konden behoren. Want wij zijn allen vermoeid en belast in die zin, dat de Wet des Heeren ons de volstrekte eis des Heeren voor houdt en volkomen gehoorzaamheid vraagt. Daarbij zijn wij alleen maar geneigd om God en onze naaste te haten en Gods geboden met gedachten, woorden en werken te overtreden. Er valt zo dus voor ons niets te verwachten. Wij staan hier voor een muur van onwilligheid en onvermogen. Scherp is de Heere in Zijn Wetseis en scherp in het aanwijzen van onze zonden, dat zijn de overtredingen van Zijn geboden. Maar: de Heere stelt Zijn Wetseis in het licht van de aanvang der Wet: Ik ben de Heere uw God. De Heere geeft zó Zijn geboden: scherp, zwaar en tuchtigend, maar met het uiteindelijk doel te ontdekken aan vermoeidheid en belast zijn èn: te leiden tot de rust. Dat geldt van alle tijden.
Wanneer de Heere Zijn wet geeft aan het volk des Verbonds in de oude tijd en aan de Christelijke Gemeente in het Nieuwe Testament, dan doet Hij dat om te verontrusten en om te tuchtigen, om vermoeid en belast te maken, zó moe en zó belast, dat zij in de ontdekking van hun onvermogen gaan smeken om genade.
Daartoe is de Wet gegeven. Hier komt nog wat bij, wat allereerst onder het Oude Testament waardevol bleek. De bedoeling van de Wet is ook, dat een ieder, die in der waarheid zijn onvermogen en schuld zou gaan ontdekken, zou gaan vragen naar en smeken om de beloofde Zaligmaker, de Messias, Die immers de last van de Wet zou dragen om uit louter genade aan vermoeiden en belasten vrede en rust te schenken. Dat is de grote lijn in het Oude Testament, die echter ook door het gehele Nieuwe Testament loopt. Daar is de Wet tuchtmeester tot Christus. De door de Wet veroordeelden worden genodigd tot het heil in Christus. En deze nodiging is zeer ruim: zowel die het weten als degenen, die het niet weten, worden genodigd. De bewogenen, die de vertroosting in Israël verwachten, maar ook de verharden, ook het adderengebroedsel. De nodiging is zeer ruim.
Maar, zo zal iemand opmerken: en de uitverkiezing dan? Hierover worden we ook ingelicht in het verband van de tekst door de Heere Jezus Zelf. We schreven hierover reeds in het begin. Te midden van de spanningen der gedachten, waarin de Heere verkeert, het universele oordeel, dat Hij uitspreekt over de onboetvaardige steden is Hij bezig met de waarheid, dat het heil persoonlijk is en dat daar is verkiezing enerzijds en verwerping anderzijds. Maar hierover spreekt de Heere niet direct tot de luisterende scharen. Daarover spreekt Hij met Zijn Vader in de hemelen. Dat is dus een zaak, waar ik niet mee te maken heb, zeker niet wanneer een rijke nodiging tot ons komt als in de tekst. Inderdaad als de Heere Jezus Zijn wee u uitspreekt over de onboetvaardigen, over hen, die vleselijk zijn en dat maar het liefst willen blijven, dan is dat een ontzettend oordeel. Maar als de Heere Jezus zegt: Ik dank U, Vader, dat Gij deze dingen de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze de kinderkens geopenbaard, dan heeft de Heere het over de verkiezing, ook wanneer Hij zegt, en dan is het nog sprekender: ja. Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Maar we dienen goed in het oog te houden, dat de Heere hier spreekt tot de Vader. Tot hen, die om Hem heen staan, de mensen, zegt Hij: komt herwaarts tot Mij, allen. Tot die allen behoren èn degenen, die het weten èn zij, die het niet weten, dat zij vermoeid en belast zijn. Hierbij is alle menselijke verdienste of waardigheid of voorwaarde, die er zou kunnen zijn ten enenmale uitgesloten.
Oordeel en roeping zijn universeel, massaal. De Heere bindt Zichzelf aan het stuk der Verkiezing, maar ons mensen niet. Wij kunnen dit heilgeheim, dat geheel enig behoort bij de huishouding van de Drieënige God, toch niet verstaan noch doorgronden. Natuurlijk is daar voor de Kerk wel het dogma der Goddelijke Verkiezing, het is ook het geloofsstuk van de levende Kerk, maar altijd komt de Heere ons er in tegen met Zijn genade. Ons bindt de Heere niet aan de Verkiezing. Dat zouden we onmogelijk kunnen en dus ook niet mogen, want wie zou durven zeggen: het is niet mijn schuld, dat ik niét uitverkoren ben en als ik het ben, dan komt het toch wel terecht. Dit laatste horen we wel eens met huivering zeggen. Maar dat is een door en door zondige, voluit satanische redenering. Neen, wij worden gebonden niet aan de Verkiezing, maar enkel en alleen aan het geopenbaarde Woord Gods. De verborgen dingen zijn voor de Heere en de geopenbaarde voor ons en onze kinderen. Die geopenbaarde komen in onze tekst tot ons als een ruime nodiging, een zeer ruim aanbod van genade: komt tot Mij allen. En als deze nodiging komt mag niemand zeggen: ja maar, daar is toch uitverkiezing. Laat ieder, die de moed heeft om zo te spreken, bedenken, dat hij dit tegen niemand minder zegt dan tegen de nodigende Heere Zelf. Daardoor trekt hij de bedoeling van de liefdevolle Heiland in twijfel en dat is een zeer ernstige zonde. Ik zou zeggen: wie de nodiging verneemt laat die de Heere maar eens beproeven of niet de uitkomst zal zijn naar Zijn Woord. Ik denk daarbij aan andere getuigenissen van de Heere Jezus: zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal open gedaan worden. Ellendigen, beproeft Hem maar met uw gebeden, uw kloppen en uw zoeken. Ge zult ondervinden, dat Hij Zijn Woord getrouw houdt, ja dat doet tot in eeuwigheid.
Ook ben ik overtuigd dat onder de lezers er meerderen, ik hoop velen zullen zijn, die als vermoeiden en belasten, ontmoedigden en nooddruftigen gevlucht zijn tot de troon des Allerhoogsten, waar de nodigende Christus is gezeten aan 's Vaders rechterhand en die ondervonden hebben, dat hun krachten werden vernieuwd en dat lasten lusten werden. Maar er komt nog meer. Zij zullen nog tegoed houden hier op aarde de vrede en zoetste rust in diezelfde Christus, van wie de dichter van de oude dag heeft gezongen, ziende op de Messias, Die komen zou:
Nooddruftigen zal Hij verschonen; aan armen, uit gena, Zijn hulpe ter verlossing tonen; Hij slaat hun zielen ga. Als hen geweld en list bestrijden, al gaat het nog zo hoog; hun bloed, hun tranen en hun lijden, zijn dierbaar in Zijn oog.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's