De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GENESIS I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GENESIS I

GENESIS I 6

6 minuten leestijd

De zesde dag

Prof. dr. J. Severijn

De zesde dag.

Het eerste bevel Gods op deze dag was: „De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard. En het was alzo".

En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was", (vs. 25)

Bij vers 21 hebben wij reeds een opmerking gemaakt naar aanleiding van de uitdrukking naar zijn aard betreffende de dierenwereld, die de zee en de lucht vervult. Het is goed er nog even aan te herinneren, dat deze uitdrukking ook in vers 11 en 12 met betrekking tot het plantenrijk wordt gebruikt. Er is dus duidelijk sprake van een oorspronkelijke verscheidenheid, zowel in het plantenrijk als in het dierenrijk (vgl. VS. 11, 21 en 24).

„En God zag, dat het goed was", (vers 25).

De mens.

Wanneer wij thans het scheppingswerk overzien, dan ligt de aarde gereed om hem te ontvangen, op wien zij wacht, voor wien de Schepper deze schone aarde heeft toebereid, om haar te bewaren, te onderwerpen en heerschappij over haar te voeren, als voor Zijn aangezicht.

De schepping wachtte dus op de mens, in wien zij tegelijk haar voltooiing en haar goddelijke bestemming zou bereiken.

En God zeide: „Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis, en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het ge­vogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt", (vers 26).

„En God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze", (vers 27).

God schiep de mens naar Zijn beeld.

Dit Bijbelse woord vindt in de tegenwoordige wereld, zelfs in de kerk tegenspraak en ongeloof. Algemeen en bruut, maar ook bij voorzichtige onderstellingen, terwille van de — ook weer — onderstellingen der wetenschap.

Het boekje: „Beschouwingen over Genesis I", van dr. Nico H. Ridderbos, tweede druk, J. H. Kok, Kampen 1963, geeft een overzicht van wat men alzo heeft verbonden aan hetgeen de Heilige Schrift in Genesis 1 meedeelt en niet meedeelt.

Om te beginnen is het waar, dat degenen, die de Heilige Schrift leerden kennen, ik denk aan Israëlieten en Christenen hun ganse „natuurwetenschap", bij wijze van spreken, hebben gevonden in en gebaseerd op de gegevens der Heilige Schrift, in zonderheid op de eerste hoofdstukken van het boek Genesis.

Zolang er geen natuurwetenschap in den zin van zelfstandig onderzoek naar de verschijnselen, hun saamhang, werking en wetmatigheid was ontstaan, kan men zich indenken, dat de Heilige Schrift, waar zij over aangelegen onderwerpen spreekt, als een soort wetenschappelijk compendium werd geëerd.

In de jaren der Reformatie nam enerzijds de kennis van de Heilige Schrift in buitengewone mate onder het volk toe, terwijl de natuurwetenschap de eerste schreden begon te zetten op de weg, die haar in de nieuwe geschiedenis tot een invloedrijke en hoogst gewichtige wetenschap zou doen uitgroeien. Zij zou niet alleen een moderne techniek voortbrengen, die heel de samenleving mechaniseert, maar zij zou ook dej ontdekkingen doen, die haar bedreigen met vreselijke verschijnselen van vernietiging en ondergang.

Wat dat met Genesis 1 te maken heeft? Heel veel. Let maar eens op de strijd, die daar is tussen allerlei natuurkundige opvattingen en de eerste hoofdstukken van de Heilige Schrift.

Laat me nu eerst zeggen, dat de Heilige Schrift geen les in de natuurwetenschappen is, maar een profetische onderwijzing in de geestelijke dingen. De Heilige Schrift is derhalve ook niet een les in de theologische wetenschap, want die behoort ook tot de aardse school. Wij moeten dus het heel bijzonder, het profetisch, karakter van de Heilige Schrift voor ogen houden.

En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, ais op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uw harten. (2 Petr. 1 : 19).

Dat betekent niet, dat de Heilige Schrift nooit over een onderwerp spreekt, dat men in de aardse school tot object van wetenschap maakt: bomen, planten, de sterrenhemel, enz. enz. Maar de Schrift spreekt daarover op haar profetische manier, en niet om naar aardse wetenschappelijke wijze een bijdrage te leveren.

Daarom moet men ook niet onderstellen, dat de Schrift dergelijk onderwijs wil geven. De Heilige Schrift is goddelijke openbaring. Deze openbaring is niet op eenmaal in één punt des tijds ontstaan, maar door eeuwen heen heeft God Zijn Woord gegeven aan verschillende geslachten, in verschillende tijden. Denk maar eens aan het tijdsverschil tussen Abraham en Mozes en dan weer tussen Mozes en David, en dan weer David en de grote profeten of Daniël en Johannes de Doper.

Het alledaagse cultuurleven in de oude tijd mag in niet zo grote mate aan „vooruitgang" voortgeschreden zijn als in de 19e en 20e eeuw, maar het is veranderd. De openbaringen van Johannes mogen in bijzondere mate bewijs leveren, dat ook het cultuurleven geen onverschillige zaak is voor de hoogste Rechter, maar de H. Schrift is aan geen bepaalde cultuurontwikkeling gebonden. Het gaat de Heilige Schrift om een hemelse cultuur in Christus, om een nieuwe mens in Christus, om een herschepping en hoewel de aardse wettenschappen in de voltrekking van de wisseling der dingen ook een bijdrage zullen leveren naar Gods wil en op Gods tijd, staan zij niet op één lijn met de kennis der openbaring.

De Godvrezende onderzoeker zal dit verstaan en vrede vinden in zijn geloof. Geloof ligt trouwens op een ander, een geestelijk vlak en is een gave Gods. Of Baem, een Engelse geleerde, overleden 9 april 1626, het verstond, weet ik niet, maar wel was het hem duidelijk, dat hij van het ene gebied op het andere overstapte, als hij van de kerk naar het laboratorium ging.

Het komt mij voor, dat er ook gelovige natuurvorsers kunnen zijn en dat ze er zijn. De Bijbel, Gods Woord, dus geen menselijke theorieën van wetenschap. Onze menselijke wetenschap blijft altijd kennis van dingen en verhoudingen, kennis van een geschapen wereld. Maar het goddelijke scheppen als zodanig, het scheppende Woord, de scheppende God staat aan de andere kant, daar, waar nog geen dingen zijn. God valt buiten de menselijke wetenschap, als Hij zich niet te kennen geeft. Het scheppen valt buiten' ons weten, als God het ons niet mededeelt.

Daarom is buiten de Heilige Schrift geen kennis van de schepping en valt deze buiten ons menselijk oordeel. De mens ziet aan wat voor ogen is. Daaruit komt de aardse wetenschap voort, maar de dingen, die des Geestes Gods zijn, worden slechts door de onderwijzing van Woord en Geest gekend.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GENESIS I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's