De Koning der Joden
„Pilatus dan ging wederom in het rechthuis en riep Jezus en zeide tot Hem: zijt Gij de Koning der Joden? Jezus antwoordde hem: zegt gij dit van uzelven, of hebben anderen het u van Mij gezegd? Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en Uw overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan? " Johannes 18 : 33—35.
Buiten op het plein schreeuwen de Joden om het hardst, en de stadhouder luistert scherp naar hun verwarde kreten. Telkens vangt hij het woord: „Koning" op. Daarvan beschuldigen ze Hem dus. Dat Hij een Koning is, althans zegt dat te zijn. De naam veronderstelt nogal wat, en brengt ook het een en ander met zich mee. In de oren van de stadhouder klinkt het verdacht: Wie zich tot Koning verklaart, komt de Keizer van Rome te na. Die duldt geen mededingers, ook al zouden het warhoofden zijn.
Nu moet Pilatus Jezus wel in verhoor nemen. Hij draait zich om, en wenkt Hem, om naar buiten te komen. Ten aanhoren van allen, spreekt hij Hem op hovaardige toon aan: zijt Gij de Koning der Joden? Misschien is er in die vraag ook een meewarige verwondering te horen: Gij? Natuurlijk is de stadhouder op de hoogte van de verwachting der Joden, die haar gestalte vindt in een Koning. Maar, zou Deze dat zijn? Zou Hij dat willen beweren, in deze omstandigheden? Het is toch niet vol te houden, voor iemand die redelijk denkt! Daar staat Jezus, gevangen, gehavend, zonder enige heerlijkheid, zonder enige aanhang. Wat een ontluistering. En dan toch een Koning? Dat kan Pilatus niet ernstig nemen.
Beide rijken staan hier tegenover elkaar: het rijk van Rome, en het Koninkrijk der hemelen. De stadhouder vertegenwoordigt het ene, de Heiland het andere. Maar dat andere is dan verre het mindere. Rome wint het veruit! Rome op de rechterstoel, en Christus in de beklaagdebank. Rome met roem beladen en Christus alleen maar vernederd en dat door iedereen. Zijt Gij dan een Koning? Wij plaatsen er een dik vraagteken achter. Al wat groot en hoog is ergert zich aan deze Christus. Maar wie klein leerde denken over eigen waardigheid, die vindt hier zijn Koning. Om uwentwil legde Hij de kroon en het kleed van Zijn heerlijkheid neer, en deelde Hij in uw armoede en schande. Hij werd de allergeringste. om mensen, die niet met al waren, te winnen, te redden. Hij moest zo laag bukken, om mij op te rapen. Wie in Hem de Koning erkent, mag Hem huldigen, terwijl hij dit leest. Langs deze weg der vernedering heeft de Vader Hem immers alle eer waardig gekeurd, en een naam gegeven boven alle naam. Zijt Gij de Koning der Joden? Zal de Heere Jezus zwijgen, bij zoveel vooringenomenheid en laatdunkendheid ? Neen. Nu Zijn ambt in het geding is, zal Hij daarvan getuigenis geven. De zaak moet echter zuiver gesteld worden, daarom doet Hij een wedervraag: zegt Gij dit van uzelven, of hebben anderen het u van Mij gezegd? Christus houdt aan Zijn onschuld vast. Hij heeft een goed geweten, vandaar deze vrijmoedigheid. Hij wil de stadhouder terecht wijzen en tot voorzichtigheid manen.
Zegt gij dit van uzelven? Pilatus, gij verdenkt Mij blijkbaar van staatsgevaarlijke misdaden. Maar was dat het geval, dan had uw inlichtingendienst het wel bij u aangebracht, dat een zo genaamde en zich zo noemende Koning, het land rijp maakte voor de opstand tegen Rome. Als Mijn Koningschap van dien aard is, als gij vermoedt, en voorwendt, dan hadt ge er stellig reeds eerder van gehoord en Mij niet Mijn gang laten gaan. Tot nog toe werd er geen enkele maatregel tegen Mij genomen, dus is het kennelijk niet zo, dat gij dit van uzelven zegt. Dan hebben anderen het u van Mij gezegd. De Heere Jezus doet een beroep op de onpartijdigheid van Pilatus. Deze mag niet voetstoots aanvaarden, wat zij beweren. Hij moet een onderzoek instellen naar de aard van dat: Koning der Joden, en op grond van dat onderzoek, hun aanklacht beoordelen. Anders geschiedt er onrecht. Neen, Christus vecht niet voor Zijn recht. Maar hét recht, daar heeft Hij terdege erg in, daarom waarschuwt Hij de landvoogd: Nooit kwam u iets ter ore, van wat zij Mij aanwrijven.
Pilatus antwoordt wrevelig: : Ben ik een Jood? Hij voelt waar Jezus heen wil, en dat Deze hem door heeft. Dat krenkt hem in zijn trots! Eigenlijk moet hij 't toestemmen: Zij hebben het mij gezegd en dat is reden genoeg om het niet zo maar aan te nemen. Maar schamper merkt hij . op: Ben ik een Jood? Wat heb ik uit te staan, met Hem, die zij Koning noemen? Ik heb part noch deel aan hun verwachting. Koning! Maar dan toch binnen de enge kring van het eigen volk. En wat voor een volk.
Ben ik een Jood? Hij is gelukkig een Romein en hij kijkt met verachting neer op dit onderworpen volk. Maken zij zich druk over een Koning der Joden, dat raakt hém niet, dat is hun zaak. En hij laat zich niet met hun zaken in, wanneer dat niet strikt noodzakelijk is. De landvoogd is geen vriend van de Joden, verre van dat. Telkens speelt er een smalende glimlach om zijn lippen: Koning der Joden. Hij veracht dit volk en hun Koning. Jezus deelt de smaad der Joden. Hoewel zij Hem niet meer tot de hunnen rekenen, krijgt Hij toch de hoon van de stadhouder te verduren: Ben ik een Jood? Wat weet ik van die dwaze Jodendromen, zij interesseren mij trouwens geen zier.
Een Jood. Wat Pilatus hier zo smadelijk uitspreekt is een erenaam! Eén uit Juda, een Godlover. Juda, gij zijt het, u zullen uw broeders loven. Pilatus zou niet graag een Jood zijn. Jezus is het van ganser harte. Hij is de grote Juda, de Jood bij uitnemendheid. In Hem wordt Juda openbaar. Nóg looft Hij God, nóg heft Hij hart en handen omhoog. Gezegende Heere Jezus, mag ik ook heden, U de eer van Uw naam geven: Gij looft God, al wordt Ge van alles beroofd, al schijnt God U niet langer te kennen, 'k Zal Zijn lof, zelfs in de nacht zingen ... Grote opperzangmeester, hoe vals klinken de stemmen van Uw volksgenoten, de joelende Joden voor het rechthuis. Hoe zuiver klinkt uw stem: Geeft de Heere de eer van Zijn Naam! Daar verstaat Pilatus niets van. Voor hem is de naam Jood, bijna een scheldnaam. En dan krijgt Jezus van Pilatus een hele bittere pil te slikken, die niet eens wordt verguld: Uw volk en Uw overpriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wanneer we dit lezen voelen we toch het pijnlijke van dat „Uw". Hoe doorwondt het de Heiland. Uw volk, dat zijn Uw eigen onderdanen. Koning der Joden. En niet de eerste de beste, maar de leidslieden, de voorgangers. Uw hovelingen zo gezegd. Wat vlijmende woorden. Dacht Gij nu, de les te lezen, ik zal U eens wat zeggen: Gij zijt een mislukte Koning, indien er al van een Koning sprake is. Wie heeft er ooit gehoord van een Koning die door zijn eigen volk verraden en uitgeleverd wordt! Ik had er mij nooit mee bemoeid, als de Uwen U niet hadden voorgeleid. Als ik U was, zou ik maar een toontje lager zingen, zo mooi staat het er niet met U voor.
Uw volk. Het is nog waar ook. De Joden, Zijn eigen volk. Hij is gekomen tot de Zijnen en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hebben Hem weggestoten, in vreemde handen overgeleverd. Dat zal Zijn volk slecht bekomen, dat ze hun Koning verloochend hebben. Wat zijn ze zonder hun Koning? Hun hele volksbestaan zetten ze op het spel. Wij behoeven over de gevolgen van deze verwerping niet uit te weiden. In onze voorbede heeft Israël een vaste plaats, als Zijn volk. Want door de eeuwen heen blijft de belofte van kracht: Zij zullen zoeken de Heere hun God en David hun Koning. Wanneer Zijn volk Kem als hun Koning erkent, dan breekt de toekomende eeuw aan.
Uw volk. Kunnen wij de schuld op de Joden schuiven? Schuld laat zich niet verschuiven. Wie schuld ontdekt, is de schuldige. Uw volk. Wij hebben er Christus aan gewaagd, omdat wij van God wegdwaalden. Dat Hij in staat van beschuldiging gesteld wordt, dat is mijn schuld. Wij blijven net zolang toeschouwer bij het lijden van Christus, totdat wij medeplichtige worden. Dan kunnen wij niet langer Pilatus en Herodes, Judas en Petrus, de Joden en de heidenen beoordelen. Dan worden wij veroordeeld. En als veroordeelden krijgen we deze Christus in het oog. Door ons verworpen, omdat wij niets met Hem konden beginnen. Omdat Zijn Koninklijke rechten, door mij niet werden erkend. Het is een diepgaande ontdekking, waarmee wij als Christus verwerpers aan de kaak gesteld worden. Zal Hij ons ook verwerpen? Nu fluistert de Heilige Geest de troost van Zijn woord, van Zijn werk, in ons ontstelde hart. Hij heeft de Zijnen liefgehad tot den einde. Tot waar zij Hem niet liefhadden. Daar oefent Hij Zijn Koninklijk recht van genade uit, zodat we zingen gaan: Gezegend zij de grote Koning. Zingt u het mee?
Vergeten we de landvoogd niet. Hij vraagt korzelig: Wat hebt Gij gedaan? Waarover zijn zij zo gebelgd en wat brengen ze tegen U in? Weet u het antwoord? Waarom komen er nu geen tollenaren en zondaren naar voren, die vertellen wat Hij gedaan heeft. Waar zijn de zieken, die genezen werden, de bezetenen, die van demonen werden bevrijd? Waar zijn de vermoeiden, die rust vonden? God houdt hen heden op een afstand! Moogt u naar voren treden en een loffelijk getuigenis aangaande Christus geven? Wat Hij gedaan heeft? Zijn daden zijn louter weldaden. Geen misdaden, o neen. Hij heeft alles wèl gemaakt. Hij deed geen kwaad ! De Koning der Joden. Dat is toch geen misdaad! Dat is een weldaad. De Koning, Die de ellendigen des volks richt, en de kinderen der nooddruftigen verlost! Zo moet de Koning eeuwig leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's