UIT HET NIEUWE TESTAMENT
Vervolg 1 Corinthe 11 vs. 25-26.
10.
Tot nu toe lieten wij in deze verzen de woorden: „Tot Mijn gedachtenis" nog onbesproken, 't Gaat thans om de vraag: Wat is de juiste betekenis van déze woorden?
Deze vraag is niet overbodig, omdat de Avondmaalsstrijd, waarover wij reeds handelden in één van de vorige artikelen, mede in verband staat met de opvatting omtrent déze woorden.
„Tot Mijn gedachtenis", 't Is mogelijk, dat deze woorden de Corinthiërs bijzonder hebben aangesproken, omdat immers onder de Grieken de gewoonte bestond, dat rijke mensen bij testament bepaalden, dat na hun dood in de tempel van één of andere god een maaltijd moest worden aangericht, waarbij men aan hen en hun daden terugdacht.
Natuurlijk moeten wij ons hier weer herinneren het feit, dat Jezus dus het Avondmaal heeft ingesteld in aansluiting aan de viering van het Joodse Pascha, Bij dit Pascha moest men de woorden uit Exodus 12 ter harte nemen: „Deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis en gij zult ze den Heere tot een feest vieren. Gij zult ze vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting". Israël moest dus terugdenken aan wat gebeurd was bij het eerste Pascha, de wonderlijke verlossing uit de slavernij van Egypte om te worden tot een vrij volk, regelrecht onder de heerschappij des Heeren, om Hem te dienen! Dit alles moest het volk zich als het ware voor de geest halen.
In deze gedachtenstemming waren ook de discipelen, toen Jezus het Avondmaal onder hen instelde. Hierbij aansluitend, sprak Hij de woorden: „Doet dit tot Mijn gedachtenis". Hij bedoelde dus te zeggen: zoals Israël bij de viering van het Pascha terugdacht aan het gebeurde in de nacht van de uittocht, zo moeten Zijn discipelen en Zijn gemeente straks, na Zijn heengaan, bij de viering van het Avondmaal zich voor de geest halen, wat Hij voor de Zijnen, als hét ware Paaslam, tot stand bracht in de overgave van Zijn lichaam en van Zijn bloed.
Het mag ons niet ontgaan, dat Jezus in dit gedenken van Zijn discipelen en gemeente nog iets innigers en teerders legt dan in de tekst van Exodus staat. Daar toch staat: „Déze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis". De aandacht van Israël moest geconcentreerd zijn op héél het gebeuren bij de uittocht. Natuurlijk moest het in dit gebeuren de hand des Heeren opmerken. Maar het gedenken had vooral een zakelijk karakter; was op het gebeurde feit als zodanig gericht. Jezus maakt het gedenken voor Zijn discipelen en gemeente persoonlijker. Want Hij zegt: „Doet dat tot Mijn gedachtenis". Zij moeten vooral aan Hém zelf, persoonlijk, terugdenken. Hij stelt Zichzélf in het centrum en vestigt alle aandacht op Zijn Persoon.
Dit heeft diepe zin. Stellig heeft men zich bij het Avondmaal ook te concentreren op wat Hij gedaan heeft en op de wéldaden, die Hij heeft verworven. Doch dit mag en kan niet geschieden, zonder dat vóór alles de gedachten geconcentreerd worden op Hemzelf. Zijn werk en Zijn weldaden zijn nooit van Hém los te maken. En nooit kan men daaraan deel hebben buiten de geloofsgemeenschap met Hemzelf om!
Intussen, op grond van deze woorden, door Jezus bij de inzetting van het Avondmaal gesproken, schuilt er een waarheidselement in de opvatting van Zwingli over het Avondmaal. Deze hervormer karakteriseerde het als een gedenk- of herinneringsmaaltijd. De woorden van Jezus wijzen mede in deze richting.
Echter, dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de viering van het Avondmaal alleen hierin zou moeten opgaan. Hier schuilt dan ook de zwakke kant van de opvatting van Zwingli. Neen, het Avondmaal is als Sacrament véél meer, dan alleen gedachtenismaaltijd. Niet alleen wijden wij daar onze gedachten aan Christus en Diens verlossingswerk, maar wij ontvangen daar ook van Zijn kant een bijzondere genade. Het Avondmaal zou arm zijn, wanneer daar dit laatste niet het geval was. Wanneer daar ook geen, zij het wonderlijke, maar toch reële gemeenschap met de verheerlijkte Christus genoten werd! Dit echter werd door Zwingli ontkend. Volgens hem zou het bij de viering van het Avondmaal toegaan als bij een gedenkmaal, gehouden voor éen of andere grote onder de mensen. Wij halen die persoon ons wel voor de geest, doch hij is er zelf niet bij. Wij zouden bij het Avondmaal ons Christus wel voor ogen stellen, maar Hij Zelf zou niet wezenlijk tegenwoordig zijn. Brood en wijn zijn slechts tekenen, af beeldingen. Wanneer wij zien naar de afbeeldingen, is de persoon zelf afwezig. Wij verdiepen ons in de aanschouwing van iemands beeltenis, als hij zelf niet aanwezig is.
Wel erkende Zwingli, dat Christus door de maaltijd aan de dis des Verbonds tot ons spreekt. Zoals de dienst des Woords hoorbaar evangelie is, zo is het Sacrament zichtbaar evangelie.
Wij zeggen, - wanneer Zwingli déze beide uitdrukkingen ten volle gepeild had, zou hij zijn opvatting van het Avondmaal niet hebben kunnen volhouden. Immers, hoe staat het met de dienst des Woords? Daar is Christus toch ook, naar Zijn beloften, op een geestelijke en tegelijk zeer reële wijze in het midden van twee of drie, die in Zijn Naam vergaderd zijn? Zou Hij dan verre zijn, wanneer het zichtbare evangelie in het Sacrament genoten wordt?
Zo is lang niet alles gezegd van de zin van het Avondmaal, wanneer aan de hand van Jezus' woorden „Doet dat tot Mijn gedachtenis" daaraan alléén verbonden wordt de gedachte van een gedenk- of herinneringsmaaltijd. Het door Jezus Zelf gebezigde woord „gedachtenis" heeft in het oorspronkelijke óok een vér der reikende betekenis. Het heeft niet enkel de zin van gedenken, maar ook van weer tegenwoordig stellen.
En déze zin mogen wij ook hier niet vergeten. Wanneer het Avondmaal naar de inzetting van Christus gehouden wordt, dan wil Hij Zelf daar tegenwoordig zijn. Op een geheimnisvolle wijze, - geestelijk, - maar toch zeer reëel. Dat bewerken wij dan niet, doch dat bewerkt Hij Zelf. Als de Verheerlijkte, door Zijn Geest
't Is daarom begrijpelijk, dat men in de tijd van de Kerkhervorming geen vrede had met de opvatting van Zwingli. Tegenover de leer in de Rooms Katholieke Kerk van de Transsubstantiatie, waarbij niét alleen de geestelijke tegenwoordigheid van Christus teveel dreigde op te gaan in de elementen van brood en wijn, maar ook de onschriftuurlijke herhaling van het Offer door de priester een grote rol speelde, konden Luther en Calvijn zich niet vinden in de opvatting van Zwingli. Luther kwam, om het méér van het Avondmaal recht te doen, tot zijn leer van de Consubstantiatie.
Calvijn en de Gereformeerde Theologen kwamen tot een ontwikkeling van de Avondmaalsleer, waarbij zij ten volle recht wilden doen aan de reële tegenwoordigheid van de verheerlijkte Christus, door de Geest en aan Diens handelen bij de viering van het Avondmaal, zonder deze teveel te laten opgaan in de elementen van brood en wijn. Hier vinden wij gesproken van een geestelijk eten en drinken van Jezus'lichaam en bloed met de mond des geloofs en van een innige vereniging en mystieke gemeenschap met Christus naar Zijn volle Persoon. En alzo van een deelhebben aan de weldaden, die Hij heeft verworven. Dit alles komt duidelijk door in onze Gereformeerde Belijdenisgeschriften en in ons klassieke Avondmaalsformulier.
„Doet dat tot Mijn gedachtenis!" Het houdt in, dat het Avondmaal inderdaad een gedénkmaaltijd is, die ons met heel ons wezen bepaalt bij Christus en Diens verlossingswerk. Maar het houdt tevens in, dat het een maaltijd is, waar de gemeenschap met Christus bijzonder genoten wordt en waar wij bijzonder gesterkt worden door de gave, die wij daar ontvangen.
En die gave is eigenlijk Christus Zelf! Wij staan, als het goed is, van het Avondmaal niet op als van een gedenkmaaltijd alleen, doch gespij zigd en gelaafd naar de ziel door de reële tegenwoordigheid en zelfmededeling van de verhoogde Christus, Die om onzentwil is gekruisigd en opgestaan.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's