De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

16 minuten leestijd

In de diverse kerkelijke bladen is de laatste tijd van verschillende kanten nogal aandacht besteed aan allerlei verschuivingen en ontwikkelingen die zich op het kerkelijk erf voordoen. Allerlei verhoudingen en practijken binnen de kerken wijzigen zich, alsmede allerlei betrekkingen van de kerken tot elkaar. Nu is zonder meer duidelijk dat dit niet iets is van onze tijd alleen. Wie de kerkgeschiedenis nagaat ziet terstond, dat die verschuivingen er de eeuwen door geweest zijn. Soms waren het onbelangrijke wijzigingen, die weinig invloed nalieten. Soms waren het ontwikkelingen die het kerkelijk leven diepgaand beroerden. Vandaar dat het begrijpelijk is wanneer men zich op deze ontwikkelingen bezint. Immers de vraag mag gesteld worden: Van welke aard zijn deze ontwikkelingen? Geven ze aanleiding tot vreugde? Of brengen ze ons in een impasse? Zijn het verschuivingen die ons als kerk in een crisissituatie brengen of moeten ze gezien worden als een positieve bijdrage? We verkeren immers niet op neutraal terrein?

"Het gaat bij al deze zich wijzigende posities ten diepste om de vraag naar het Kerk-zijn in de wereld van vandaag. Het is de vraag naar het wezen en de roeping van de Kerk van Christus. Het gaat om de gehoorzaamheid aan het Evangelie dat haar is toebetrouwd, en dat zij ook in deze eeuw aan allen en een ieder heeft te boodschappen.

We willen in dit persoverzicht aan enkele artikelen op dit punt aandacht schenken.

— Verschuivingen binnen de  Chr. Geref. Kerken.

In het blad „De Wekker" heeft ds. J. H. Velema een aantal artikelen aan deze kwestie gewijd. Velema constateert allerlei verschuivingen ten aanzien van de practijk der prediking, de Verbondsbeschouwing, de vragen rondom belijdenis en Avondmaal, 't kerkelijk standpunt etc. Deze artikelen hebben enkele nogal heftige reacties opgeroepen. Ds. Velema is met verschillende van deze reacties niet gelukkig. Hij meent dat hem dingen in de schoenen geschoven worden, die hij niet gezegd en ook niet bedoeld heeft. Of ds. Velema hierbij gedacht heeft aan de wijze waarop in „De Saambinder" op zijn artikelenreeks gereageerd is, vermeldt hij niet.

Plaatsruimte belet ons uit deze boeiende serie al te veel weer te geven. We moeten ons beperken tot enkele fragmenten. Allereerst willen we overnemen wat Velema in het nummer van 19 febr. schrijft over de betekenis van het Verbond.

Een belangrijke verschuiving heeft zich in de loop der jaren m.i. voorgedaan t.a.v. het zien van de betekenis van het Verbond. Het is zo goed te begrijpen — als de tegenwoordige generatie in 1892 had geleefd had ze het niet anders gedaan — dat uit reaktie tegen „de veronderstelde wedergeboorte" en Kuyper's verbondsleer, in de eerste jaren van ons voortbestaan als Chr. Geref. Kerken de positieve betekenis van het Verbond niet zo werd gezien als in later jaren het geval was. Er was toen een m.i. negatieve phase. Men zei wel hoe het niet was en zat met de verbondsbelofte; men zei niet hoe het wèl was, wat nu de juiste betekenis van de Doop was en hoe we de kinderen der gemeente nu moesten behandelen. Veronderstelde wedergeboorte is het ene uiterste; het andere uiterste is veronderstelde niet-wedergeboorte. En ook dat laatste doet geen recht aan de betekenis van Gods Verbond. Onze kinderen liggen onder Gods verzegelde belofte. Dat betekent dat ze persoonlijk werkzaam moeten worden met die belofte, ja met de God van die belofte. Wedergeboorte, geloof en bekering zijn geen woorden en begrippen, die de bondeling niet gelden. Integendeel zij, die leven op het erf van Gods Verbond staan onder de sterke klem van de verantwoordelijkheid. De belofte is gave en opgave. Of — zoals prof. Wisse steeds weer uiteenzette — de belofte draagt een eisend en de eis een belovend karakter. Er komt op deze wijze ruimte voor de positieve betekenis van Gods Verbond. Sterker dan rond de eeuwwisseling is aan het eind van de twintiger en in het begin van de dertiger jaren in onze kerken geponeerd: het genadeverbond is opgericht met de gelovigen en hun zaad. Deze positieve visie bracht verschuivingen mee. Het betekent een doodsteek aan alle valse lijdelijkheid. Het ondermijnt de geest van de levenshouding „och mocht het nog eens komen te gebeuren". De uitverkiezing is geen uitgangspunt.

Om alle misverstand te voorkomen dient gezegd: de schriftuurlijke visie was van meetaf na 1892 in onze kerken aanwezig, maar onder invloed van alle factoren brak ze steeds duidelijker door. Zo juist noemde ik 1930; ik denk aan de strijd, die wijlen ds. Jongeleen met wijlen ds. Kersten gevoerd heeft — een strijd, die voor de juiste ontwikkeling van onze kerken van grote betekenis is geworden. We werden geroepen niet alleen onze positie te bepalen tegenover de Geref. Kerken, maar ook tegenover de Geref. Gemeenten. Deze positiebepaling is winst geweest. In die tijd valt wat wel eens genoemd is: een klein Calvijnréveil. De bestudering van Calvijn bracht tot een steeds klaarder zien van de betekenis van Verbond en Doop; de plaats en de functie van de prediking; de kracht van het Woord Gods. We duiden dit alles maar sober aan, maar menen dat dit verschuivingen heeft opgeleverd, die nog steeds doorwerken. Doorwerken in de zin dat onschriftuurlijke gedachten en vals mysticistische opvattingen het veld moeten ruimen. Bij valse lijdelijkheid wordt in de regel eenzijdig de nadruk gelegd op de ellende. Bij de juiste prediking van Gods Verbond krijgen zowel ellende als verlossmg en dankbaarheid gelijke nadruk. Alleen daar waar het Verbond Gods een rustbank wordt, wordt de ellende overgeslagen en juicht men reeds in de verlossing. Waar dit zou gebeuren in onze kerken, moet gezegd dat dit in strijd is met de schriftuurlijke verbondsgedachte zoals die sinds de dagen der Afscheiding in kiem aanwezig is geweest, maar steeds duidelijker is gezien en ontwikkeld.

Terecht meent de schrijver van het bovenstaande dat dit ook van invloed is op de wijze waarop men de vragen rondom belijdenis en Avondmaal benadert.

Het gaat hem daarbij niet om een ander belijden. Nadrukkelijk spreekt hij uit dat de verschuivingen die hij signaleert niet de belijdenis der Kerk zelve raken, maar de practische toepassing van de belijdenis. De vraag is m.i. echter niet ongewettigd of men, wanneer men bezig is met de practische toepassing, wil men de functionering van de belijdenis, ook niet raakt aan de belijdenis zelf. Het een is van het ander niet te scheiden. En liggen binnen de Geref. gezindte juist hier niet de knelpunten? Hoe functioneert de belijdenis der Reformatie in de kerkelijke prediking en praxis. Daarhebben niet alleen de Chr. Geref. kerken mee te maken, daar zijn we ook als Herv. Gereformeerden bij betrokken. Wanneer Velema de gevaren signaleert van een dode systematiek, waarin wedergeboorte en bekering in een bepaald systeem geperst worden en aldus aan de levende verkondiging van het Woord afbreuk gedaan wordt, dan kunnen we dit alleen maar ter harte nemen.

Uit het slotartikel in het nummer van 12 maart citeren we nog wat Velema ter afsluiting van zijn artikelenreeks ziet als de voor de Chr. Geref. kerken (en heus niet alleen voor hen) aangegeven weg.

Komend tot een totaal indruk, zeggen we dat het van grote betekenis is, wanneer we in de komende jaren, die ons als kerken zijn gegeven, naar we hopen, nog meer boven het dualisme tussen natuur en genade uitkomen. Dit dualisme, waarbij theorie en praktijk niet met elkaar kloppen, waarbij een tegenstelling tussen leer en leven heel gemakkelijk wordt verkregen, heeft reeds veel kwaad gedaan en verzwakt onze kerken. Alleen de rechte prediking en beleving van zonde en genade doet ons niet a priori afwijzend staan tegenover het leven als zodanig en geeft ons anderzijds in principe de rechte levenshouding aan in deze tijd.

Daaraan verbonden is dat geen traditionalisme en verkeerd conservatisme ons moet leiden; we verliezen dan aan invloed. Sommigen menen dat waar geen nieuwe vormen worden ingevoerd, het kerkbezoek goed is en waar nieuwe vormen aan de orde zijn het kerkbezoek dalende is. Zo eenvoudig liggen deze dingen niet. Als die nieuwe vormen niet winnen — integendeel. Als men meent het met het handhaven van oude vormen te kimnen winnen, gaat het ook niet. Van beiden zijn voorbeelden te geven. Het komt aan op de rechte schriftuurlijke, geestelijke prediking. Daar ligt onze kracht. Dan geloof ik dat daar waar de inhoud naar Gods Woord en de vormgeving eigentijds is, de kerk kan bloeien. Ook daar zijn gelukkig voorbeelden van.

Het is duidelijk dat we over dit onderwerp, dat actueel is omdat we er in de praktijk in alle delen van onze kerken mee te maken hebben, nog lang niet uitgepraat en uitgeschreven zijn.

Dat was de bedoeling ook niet.

Het was wèl de bedoeling om op te wekken geen oogkleppen voor te doen in 1965, maar in de werkelijkheid van het huidige kerkelijke leven te staan om verantwoord naar alle zijden onze weg te gaan. De verschuivingen gaan vroeg en laat geen enkele kerk en geen enkel kerklid voorbij.

Moge van ons gelden dat we als de kinderen van Issaschar ervaren zijn in het verstaan van de tijden.

— Kerk in de crisis.

Ook ds. H. G. Groenewoud is bezig met een positiebepaling. Hij doet dit in een artikel in het „Hervormd Weekblad, de Gereformeerde Kerk", van 11 maart j.l. onder bovenstaande titel. Groenewoud ziet een bepaalde ontwikkeling binnen onze kerk. Vijf punten stelt hij aan de orde. Er heeft een ontwaarding plaats van het dogma, de leer, de belijdenis. Er heerst een onverschilligheid t.a.v. de leer der Kerk, terwijl men alle nadruk laat vallen op de levenspractijk. We zouden hier aan toe willen voegen: Is dat niet een „oud" geluid? Lopen we niet steeds de neiging leer en leven naar de een of andere zijde tegen elkaar uit te spelen? En is de oorzaak hiervan niet dat wij niet meer weten dikwijls, wat de leer naar zijn bijbelse inhoud is: Het griekse woord didachè, leer, omspant immers leer en leven, belijden en beleven.

In de tweede plaats signaleert Groenewoud in de Hervormde Kerk een ontkerkelijking. Hij schrijft:

Er voltrekt zich in de Hervormde Kerk (en niet alleen in haar) een ontkerkelijking. Men wordt minder hervormd, minder gereformeerd (want dat is hervormd toch), minder gebonden aan het eigen hervormd kerkelijk leven, minder ingesteld op „kerkelijk" leven. De band met de eigen kerk wordt losser; het kerkgaan is veelal niet meer een samenkomen met de Gemeente, maar een zoeken van bevrediging van eigen speciale behoefte, op eigen gewenste wijze. Er is ook nauwelijks nog een band van gemeenschap in bewuste overeenstemming van geloofsovertuiging, in gemeenschappelijke inzichten op ander terrein, in gelijke levenspraktijk. Men leeft niet meer primair in de kerk, maar voornamelijk in de wereld, en de kerk is soms ornament, soms traditie, soms instituut tot verstrekking van bepaalde geestelijke waarden en goederen. Belangstelling in het leven der kerk, in haar geschiedenis, in datgene wat haar kern en kracht uitmaakt, haar beginsel, in haar apparaat, haar tegenwoordige situatie, haar moeilijkheden en strijd, is er dan ook nauwelijks. En daarbij is men maar al te spoedig geneigd, zich buiten het eigen kerkverband te begeven voor de wekelijkse samenkomsten, en voor altijd. Men zegt dan: de kerk doet er niet toe; en men bedoelt: ik ga waar ik het het prettigst vind. Tegenover de kerk staat men dus vrijblijvend, zoals tegenover de winkelier.

Een oecumenisme viert hoogtij dat elk gezond kerkelijk besef uitmaakt voor kerkisme. Daarbij heeft - en dat is het vierde wat Groenewoud noemt - een zekere verroomsing plaats. De nieuwe theologie bekoort velen - ook buiten de kring der Catholica. Groenewoud is er niet zo gerust op.

De vraag is zelfs gewettigd, of deze vernieuwing der theologie een ombuigen is in de richting van de Reformatie, dan wel een versterking van de roomse inzichten op beslissende punten.

En hier nu zie ik van onze kant een toenadering tot de roomse kerk. Via de liturgie komen sommigen daartoe. Men neemt niet slechts vormen of elementen uit de roomse liturgie over, maar daarmee ook inhouden. Juist de nieuwe theologie maakt, dat sommiger bezwaren wegvallen en langzamerhand neemt men allerlei roomse gedachten over. Binnen een oecumenisme, waar het eigen reformatorisch-kerkelijk denken en leven al aan het afsterven is, heeft deze verroomsing een goede kans; te meer, daar onze roomse gesprekspartners zulke bijzonder hoffelijke en prettige mensen zijn en hun opvattingen ons zo verrassend nabij schijnen te komen. Nu wil ik allerminst een zeker anti-papisme aanwakkeren. Ik geloof namelijk, dat dat volkomen verouderd is; het lijkt wel erg principieel en stoer, maar in werkelijkheid betekent het in onze tijd tegenover het huidige Rome niet meer dan een slag in de lucht. Ik zou ook niet willen, dat we ons van de roomsen afkeerden. Maar het is nodig, het gesprek met hen te voeren vanuit een welgefundeerd reformatorisch kerkelijk standpunt.

Ten slotte wijst hij er op, hoe de vraag naar het brengen van de Boodschap aan de mens van deze tijd vaak beantwoord wordt op een wijze, die tekort doet aan de inhoud van het geloof der Kerk en die alle zekerheden overboord werpt.

In deze veranderingen staan wij. Terecht merkt hij op, hoe dit alles niet alleen te maken heeft met de handhaving van de belijdenis, maar ook oproept tot bezinning om het wezen der kerk te bewaren.

— Open en gesloten kerk.

Dat een positie bepaling geheel verschillend uit kan vallen, bewijst het interview dat de redactie van het S.S.R.maandblad „Libertas ex veritate" had met Prof. Dr. H. A. Oberman. Prof. Oberman is hoogleraar in de kerk- en dogmageschiedenis aan de universiteit te Harvard (V.S.). Hij heeft als waarnemer de zittingen van het tweede Vaticaans Concilie meegemaakt. In het genoemde interview houdt ook Oberman zich bezig met de kerkelijke ontwikkeling. Hij ziet parallellen tussen de r.k. en de reformatorische ontwikkeling. We citeren uit dit interview (dat grotendeels overgenomen werd in het Geref. Weekblad, uitgave Kok, Kampen, van 5 maart):

De grote tegenstelling gaat overal, dwars door alle kerken heen, om: een open of een gesloten kerk.

Ik zou het ook zo kunnen zeggen, en bij deze vraag is m.i. het gehele hedendaagse Christendom bepaald: wat is onze eerste taak als gelovigen? Wachters te zijn op Sions muren? Leven we alleen maar in de schaduwen des doods, in een dal waar we het Evangelie als een grote schat doorheen smokkelen naar het hemelse Jeruzalem? Of moeten we die schat vóór alles vermunten en socialiseren, met het grote risico natuurlijk dat we aan de waarheid te kort doen?

Dat is het vraagstuk van de gesloten of de open kerk!

Ik kan het ook zo zeggen: eigenlijk erkent Rome thans drie spiegels van Gods wil of drie openbaringskanalen (Schrift, traditie en „het heden") en de Reformatie twee (Schrift en „het heden").

Ik denk bij dat „heden" aan de tekenen der tijden. We preken daar wel over, maar buiten we ze uit? Laten wij, dat niet over aan de sekten?

Wat betekent het isijvoorbeeld voor ons dat in de wereld maar 32% van de mensheid het Christendom belijdt, en dat volgens een Amerikaanse statistiek in het jaar 2000 nog maar 19% van de mensheid Christen zal zijn?

Dat betekent toch zeker, dat het niet goed gaat zoals de kerk het nu aanpakt, zodat we blijkbaar het vraagstuk „volkskerk en zuurdesem" geheel opnieuw moeten bezien.

Zeker, in het isolement ligt onze kracht, maar dan isolement in de zin van zuurdesem. Prof. Zijlstra zei zeer terecht: „We zijn met elkaar langzaam-aan Twintigste-eeuwers geworden". Ik vind dat een treffende uitspraak, waar ik 't heel erg mee eens ben. We gaan namelijk inzien dat we onze theologie te tijdloos bedreven, öf we dachten dat onze eigen theologie voor alle tijden was. Het is mij op het Concilie weer gebleken dat we veelal niet in „het heden", maar ieder in een bepaald jaar zitten te praten; de één in 1054, de ander in 1517, weer een ander in 1848 of 1870, in 1914 of in 1944, in 1948 of in 1950. Ook zijn er mensen die al in het jaar 2000 leven, en inplaats van een charmant oecumenisme een uiterst rigoureus oecumenisme najagen; ik denk bij dit laatste aan Hoekendijk.

De term tijdgeest heeft in onze kring veelal een slechte klank, maar ik heb steeds meer neiging ook in dat woord de G met een hoofdletter te schrijven. Want we moeten onze eigen tijd gaan verstaan, en daarin leven; die jaartallen van vroeger houden ons anders gevangen, en voorkomen een juiste kijk op onze situatie; zij moeten ons echter inspireren, niet biologeren".

Wie Oberman's uitlatingen vergelijkt met het artikel van Groenewoud, ontdekt wel enig verschil. Tenslotte is bij een positiebepaling niet onbelangrijk, waar men gaat staan. Ongetwijfeld kan men het Oberman toegeven, dat wij onze jaartallen niet mogen verabsoluteren. Ds. Overduin schreef eens dat aan onze heilige jaartallen veel onheiligheid kleeft. Dat zullen we allen wel kunnen en moeten toestemmen.

Maar bij het lezen van Oberman's woorden kwam toch de gedachte bij mij boven: Ligt alles op een vlak? 1517 en 1870 b.v.? Slaat Prof. Dr. J. T. Bakker niet de spijker op de kop, als hij schrijft:

„In zekere zin was „1517" met de daaruit voortvloeiende proclamatie van de Schrift boven de traditie tegelijk de belijdenis, dat elk „jaartal" (ook 1517) gemeten dient te worden aan de Schrift".

Waaraan ontleent Oberman het recht om in het woord tijdgeest de G met een hoofdletter te schrijven? Leidt dit niet tot een relativisme, waarbij het 'gezag van de Schrift eenvoudigweg niet meer aan bod komt? Vervloeit op deze wijze niet de bijbelse norm, waaraan elke tijd - dus ook de onze - gemeten moet worden?

Is er juist op dit punt in 1517 niet een beslissing gevallen, waarachter de Kerk niet meer terug kan gaan? Niet uit lust om een jaartal te verabsoluteren, en evenmin uit begeerte om de situatie voluit van vandaag te verwaarlozen. We zullen de hedendaagse situatie voluit ernstig hebben te nemen. Dat doen ook Velema en Groenewoud. Maar het is onwettig - bijbels en reformatorisch onwettig - om dit „heden" een openbaringskanaal te noemen. Alle ontwikkelingen en verschuivingen, alle posities die wij vandaag innemen, staan onder de critiek van het Woord Gods. Dat Woord is het zwaard des Geestes. Naar dat Woord heeft de Kerk temidden van alle verschuivingen en ontwikkelingen te horen. Zo alleen - in geloofsgehoorzaamheid aan dit Woord - kunnen we de eigen tijd verstaan en voluit in het heden leven.

„Wie oren heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's