Mr. A. M. C. van Hall
Mr. A. M. C. van Hall 3 (SLOT)
Laatste levensjaren.
HET RÉVEIL 27
Toen de overgang van Maurits en Suze van Hall een feit geworden was, en zij openlijk gingen behoren tot de Afgescheiden Gemeente van Amsterdam, bleken de gevolgen groot. De Afgescheidenen haalden hem in als hun broeder en wisten hem steeds te vinden om als raadsman en pleiter voor hen op te treden. Maar zijn advocatenpraktijk dreigde te verlopen. Zelfs geldgebrek ging dreigen. Het is bekend, dat menigmaal de familie Van Hall moest bijspringen in financieel opzicht. Het pleit voor haar, dat zij dit onbekrompen bleef doen.
Toch raadde mr. F. A. van Hall zijn broeder aan de hoofdstad te verlaten en een nieuwe woonplaats te zoeken. Van Hall zag in, dat dit het beste was een vestigde zich in september van het jaar 1836 in Den Haag.
Men kan niet zeggen, dat de Réveilvrienden in de Hofstad hem graag zagen komen. In Den Haag was nog geen Afgescheiden Gemeente. De Haagse vrienden, gegroepeerd rondom de bekende Waalse predikant Secrétan, waren afkerig van separatie. Vooral Van der Kemp nam aanstoot aan het stringent-separatistische standpunt van Van Hall, die in een gesprek met hem de Hervormde Kerk „eene synagoge des Satans" noemde. Mr. Gefken, zijn confrater-advocaat, duchtte wellicht enige concurrentie. Ook Groen had bezwaren tegen de Afscheiding, hoewel hij niettemin Van Hall hartelijk in Den Haag verwelkomde.
Een maand na aankomst pleit Van Hall weer voor de rechtbank in de residentie voor de Afgescheidenen. Het *gaat nu om de vrijheid van de Geref. Gemeenten in Nederland. Hij toont aan, dat de gescheidenen de rust niet verstoren en bestrijdt dat de verboden bijeenkomsten „associaties" zijn in de zin der wet: het zijn geen vergaderingen „tot godsdienstige occupatie", maar „om den Heere Zelf bijeen". Dus zijn het kerken. Dat wil echter niet zeggen, dat zij scheiden van de Kerk, maar van de organisatie. Als wettige kerk zich beschouwende, konden zij moeilijk erkenning vragen van de landsregering, want hóe kan men goedkeuring vragen iets nieuws te stichten van wat werkelijk bestond?
Duidelijk komt in deze pleitrede tot uiting, hoe de Afgescheidenen van net eerste uur zich hun positie indachten: zij waren de enig wettige voortzetting van de Gereformeerde Kerk der vaderen en maakten zich slechts los van de ongereformeerde organisatie. Daarom dachten zij er niet aan als nieuw Kerkgenootschap erkenning aan te vragen. Het is met name Van Hall geweest, die dit standpunt tot gelding gebracht heeft op het hoge niveau van de vaderlandse rechtscolleges. Tegelijkertijd ging hem de vorming van de eigen kring zeer ter harte: in 1837 is hij vooral de oprichter van het blad De Reformatie.
Wat de Haagse Vrienden gevreesd hadden, gebeurde toch: In het huis van Van Hall werd in oktober 1836 de eerste dienst gehouden van de nieuwe Afgescheiden gemeente. Voorganger was ds. H. P. Scholte, De Cock's medestrijder. Het brengt Van Hall zelf in moeilijkheden met de politie, maar ook tot het ambt van diaken. Het is bekend, dat hij voor de vele armen in Den Haag en Scheveningen, die zich aangesloten hadden bij de gemeente, tot een helper en trooster is geweest. Waardig en met groot gezag wist de zwakke Van Hall in eigen, afgescheiden kring de vrede te herstellen, waar die verbroken was. Zo verdedigde hij in zijn brieven Scholte tegenover Budding en andersom. Vooral in zijn briefwisseling met Budding leren we Van Hall kennen als een diep gelovig en waarlijk geestelijk man. Soms pakt hij Budding stevig aan! Vooral, wanneer hij in deze broeder iets van verkeerde mystiek meent te ontdekken. Budding blijft hem teveel in de ellende steken. Van Hall toornt daartegen:
„Al dat gepraat over ellende, met een lachend gezicht, moet ik voor letterkennis houden. Waar de ellende enigszins gevoeld wordt, daar roept men uit de benauwdheid. Vele vromen willen van dat geroep niet horen, dat komt hen nog niet ellendig genoeg voor. Christus, en Die gekruist, zij onze roem" (brief d.d. 9-5-1837).
De laatste regels van dit citaat zijn het persoonlijk getuigenis van een levend gelovige. Ze zijn echter geschreven met zwakke hand. Maurits van Hall was slechts een kort leven beschoren. Zijn lichaam werd door een gevaarlijke kwaal verzwakt. Ondanks de trouwe zorgen van zijn vrouw werd hij telkens weer ziek. Toen op 1 aug. 1838 zijn derde kind geboren werd, was Van Hall ernstig ziek. De doop van dit kind mocht hij niet meer meemaken. In de laatste dagen van zijn leven getuigde hij vrijmoedig van zijn geloof in Christus. Zijn vader en broer, die hem prezen om zijn braafheid, wees hij op de zaligheid uit genade alleen. Rustig nam Van Hall afscheid van zijn vrouw en kinderen en ontsliep stil en zacht. Het was 15 aug. 1838.
De menigte die zijn begrafenis bijwoonde was een wel zeer gemêleerd gezelschap. Daar was de grote, aanzienlijke familie Van Hall. De familie Schermbeek. Daar was de Haagse afgescheiden gemeente; Scholte en Bousquet. Maar ook Groen van Prinsterer, Capadose en Hogendorp ontbraken niet. Want Van Hall was tegelijk een kind van het Réveil en van de Afscheiding.
Terugziend op dit korte leven, past ons eerbied voor Van Hall's moedige strijd en heilige overtuiging. De Réveilvrienden hebben veel van deze jonge strijder gehouden. Temeer was er teleurstelling en droefheid, dat ook deze broeder de kerkelijke band met hen verbrak. Desondanks bleef tot het einde toe de geestelijke broederband sterk, omdat in wezen Réveil en Afscheiding ontgroeid zijn aan dezelfde wortel: het geloof der Reformatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's