In Gesprek
Onlangs kon men in „Woord en Dienst" lezen, dat het breed moderamen van de classicale vergadering van Doom een brief geschreven had aan de generale Synode, betrekking hebbende op de openstelling van de ambten voor de vrouw en de moeilijkheden, die daarvan het gevolg zijn. Het breed moderamen der synode, zal de beantwoording van die brief voorbereiden, zodat wij er later meer van zullen horen.
De moeilijkheden zijn niet van vandaag of gisteren. Zij nemen echter toe, omdat men in de kerkelijke vergaderingen steeds minder met de bezwaren rekening houdt. Het lijkt wel, of die al lang uit de wereld geholpen zijn, omdat een meerderheid die niet deelt. Gemakshalve wordt het dan zo voorgesteld, dat deze bezwaren alleen bij de „gereformeerde bonders" leven, en die lopen nu eenmaal altijd wat achter bij de tijd, die de klok van de kerk of van de wereld aanwijst. Zij moeten hun ouderwetse zakhorloge maar eens gelijk zetten. Het behoeft geen betoog, dat deze gedachtengang, een kerk onwaardig is, wanneer mensen op grond van de Heilige Schrift, en in een veel bredere gemeenschap, dan men waar wil hebben, bezwaar maken tegen een diep ingrijpende wijziging in de orde van de kerk. Hier is niet alleen de orde in het geding, maar hier spreekt het geweten, gebonden aan het Woord, een duchtig woord mee. Hopelijk zal de synode in haar antwoord daarvoor de nodige eerbied opbrengen.
Het is wel treffend, dat in datzelfde „Woord en Dienst", een artikel van de hand van dr. A. Dronkers verscheen, onder de titel: „De kerk heeft helaas een wachtkamer", waarin een pleidooi gevoerd wordt voor de volledige toelating van de vrouw in het ambt van predikant. Treffend om meer dan één reden.
In één en hetzelfde nummer, twee volstrekt tegenovergestelde zienswijzen. Het orgaan van het hervormd kerkewerk, weerspiegelt wel de gespletenheid van die kerk. Gespletenheid is geen mooi woord, men spreekt liever van verscheidenheid. Wie dit orgaan leest blijft op de hoogte van de gedachtenwisseling, van het gesprek, waarin de waarheid benaderd wordt. Wat mij betreft, het verdriet en vermoeit mij, al deze meningen als gelijkberechtigd, onder ogen te krijgen, afgezien nog van het feit, dat de gedachtenwisseling een zekere eenzijdigheid verraadt en op den duur akelig eentonig wordt. Terwijl het kerkelijk leven met onvruchtbaarheid geslagen blijkt, en de kerk aan haar innerlijke tegenstrijdigheden te gronde dreigt te gaein, wisselen de „theologen" vrijblijvend van gedachten.
Het is in de na-oorlogse jaren telkens gebleken, dat een betrekkelijk kleine groep druk uitoefent op de kerkelijke vergaderingen, om beslissingen te forceren, die hun zienswijze tot kerkorde verheffen. Dat was het geval met de buitengewone wijkgemeenten, en nog duidelijker met de vrouw in het ambt. Dat gebeurt nu weer met het vraagstuk van de legerpredikanten. Wij moeten ons langzamerhand eens afvragen, of dit de kerkelijke weg is. Lijkt het niet al te veel op de wereldse methode van de „pressure groupe". Door voortdurend in de publicatie te hameren op een bepaald punt tracht men de kerkelijke vergaderingen rijp te maken voor beslissingen, die niét door de gemeente maar door de „managers" geëist worden. Vergeef mij deze vreemde woorden. Ze blijven nu eenmaal vreemd, voor wie nog kerkelijk denkt.
Maar het lukt! Wij wisten reeds lang, dat de openstelling van de ambten voor de vrouw mettertijd zou leiden tot de openstelling van het predikambt, zonder beperkende bepalingen. Het zat er in! De aanhouder wint. De schade die hierdoor berokkend wordt, brengt niemand meer in rekening. Wie ziet nog verband tussen de onkerkelijkheid, en het onkerkelijk handelen der kerkvergaderingen? De Heilige Geest wordt er met de haren bijgesleept, en anders is er „de veranderende wereld" nog. Trouwens, die veranderende wereld, schijnt maatgevend te zijn voor de werking van de Heilige Geest. Gelove, wie het geloven wil!
Dr. Dronkers doet dan ook geen moeite, om de Heilige Schrift te raadplegen. Hij verklaart, dat de vrouw een volwaardige plaats toekomt in het kerkewerk, en dat zij die met ere kan innemen. Hij bedoelt daarmee: de plaats in het predikambt. Want terwijl wij hartroerend spreken over het vergeten ambt in de kerk, en de toekomst der kerk in sterke mate van de arbeid van de „leken" zal afhangen, beweren wij even hartroerend, dat de vrouw haar plaats alleen in het ambt kan innemen. De zaak wordt er niet duidelijker door, wanneer wij beweren nog niet te weten, wat het ambt is. Mij dunkt, hier is nogal wat verwarring in het spel.
U bemerkt, zo lees ik in het betreffende artikel, dat ik geen woord zeg over de waardering van het ambt, dat ik de theologie laat rusten! Dat bemerken wij inderdaad. En waarom? Omdat simpele feiten, gegevenheden in de kerk als zodanig ook hun eigen taal spreken. Laat dus de feiten spreken. Het is een feit, dat men in Utrecht de gelukkigste ervaringen gehad heeft met vrouwelijke medewerkers, die heel dikwijls het spit hebben afgebeten — Zie! — Op grond van dit feit geloof ik, dat men geen stap verder komt in de kerk — ! — door de vrouwen daar toch nog altijd in haar met de mannen niet helemaal gelijkwaardige positie — ! — te laten. Ieder gevoelt, het zal er ook wel van komen, de vraag is alleen maar hoeveel tijd met deze overgang nog wel gemoeid zou kunnen zijn.
Mag ik bij deze argumentatie een enkele opmerking maken? De vraag of de vrouw in de ambten een plaats dient gegeven te worden, raakt de orde in de gemeente van Christus. Hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid — 1 Tim. 3 : 15 — Niets meer. Het gaat daarbij niet om discriminatie of emancipatie, twee woorden die vandaag nogal opgeld doen, en in de gedachtenwisseling worden binnengesmokkeld. Maar ook niets minder! En om te weten, hoe men in het huis Gods verkeren moet, zullen wij heel scherp moeten luisteren naar het Woord Gods. Het gaat dus niet aan, dit terzijde te laten.
En wat de taal der feiten betreft? Niemand zal beweren, dat de vrouw haar plaats in de gemeente niet met ere inneemt. Dat was vroeger het geval, dat is 't nu nog. Gelijkwaardig! Accoord. Dat val echter geenszins zeggen: als ambtsdrager, en daar gaat het hier om. Wees bovendien voorzichtig met de taal die de gegevenheden als zodanig spreken. Wij zouden tot hele vreemde gevolgtrekkingen kimnen komen. De gegevenheden staan onder de critiek van het Woord. Wat het goed doet, en wat goed gaat, is daarmede nog niet gewettigd. Dat geldt in de geschiedenis, dat geldt voor het volk, dat geldt nog klemmender in de kerk. Het is kenmerkend voor een bepaalde gedachtengang, dat feiten normatief zouden zijn; een gedachtengang, die ik mij nog te goed herinner uit de dagen van de bezetting. Het komt mij voor, dat de beschouwingen van het nationaal-socialisme, — niet als politiek verschijnsel, dat verfoeien wij allen even sterk — maar als levensbeschouwing en wereldbeschouwing, veel invloedrijker gebleken zijn, dan menigeen vermoedt. Toen de oorlog op een eind liep, zei eens een vurige nazi-officier, die zich in de ideologie van de partij verdiept had, tegen mij: Duitsland verliest. Maar het nationaal-socialisme wint. De doorbraak van feiten en driften, is niet te stuiten! Daar moet ik vaak aan denken. Want de bovengenoemde gedachtengang kan men op bijna ieder gebied horen verdedigen. De werkelijkheid van mens en wereld, van macht, mening en moraal dient aanvaard te worden.
Is het verband tussen allerlei uitspraken, in zo verschillende levenskringen, en met zo verschillende beweegredenen te ver gezocht? Ik hoop het van harte. Maar het is niet te veel gezegd, wanneer we elkaar oproepen tot een gedegen verweer tegen de tijdgeest, die de taal der feiten boven het Woord onzes Gods stelt. Doen we dat niet, dan schrijven we bij het woord tijdgeest, eerst de G met een hoofdletter en daarna de T. Dat zit er in. Wij helpen elkaar niet verder, door de simpele feiten hun eigen taal te laten spreken, en daarnaar ons antwoord te formuleren. Wij zijn in de kerk en in de wereld alleen geholpen, wanneer wij het Woord laten spreken, en ons daarop, in laatste ernst, beroepen. Zo alleen is de gemeente van de levende God een peiler en fundament der waarheid. Daarmede bewijzen wij elkaar ook een waardevolle dienst. Woord en dienst zijn niet te scheiden. Het Woord maakt de dienst uit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's