DE DOOPZITTING
DE DOOPZITTING II
In het vorige artikel hebben we sterk de nadruk gelegd op het verantwoordelijk karakter van het werk, dat de kerkeraadsleden verrichten.
In verband met het verstrekkend karakter van de toelating zowel als van het niet-toelaten is het nodig, dat de ambtsdragers het respect en het vertrouwen van de Doopouders hebben.
De kerkeraad mag nimmer de indruk geven een kleine Romeinse curie te zijn, die de touwtjes flink in handen heeft en zich, met de sleutel in de hand, weet te laten gelden.
Dit bedoelt geen aantijging te zijn tegen de integriteit van onze doorsnee predikanten en ouderlingen. Integendeel. Er zijn vele mannen, die met waardigheid, wijsheid en liefdevolle tact hun taak uitoefenen. Ik onderstreep het alleen ter wille van het grote belang van de zaak.
De positie van de ambtsdragers in onze Hervormde Kerk is daarom zo moeilijk, omdat degenen, die bij de Doop als ouders betrokken zijn, zulk een bont gevarieerd gezelschap uitmaken. De bonte samenstelling van onze Hervormde gemeenten komt bijna nergens zó concreet naar voren als bij de Doopzitting. Daar zien we als het ware een stuk Vaderlandse Kerkgeschiedenis voor ons van vele eeuwen.
In betrekkelijk jonge gescheiden kerken, met een grotere mate van homogeniteit en veel overzichtelijker gemeentebeeld, liggen de dingen in vele opzichten aanzienlijk eenvoudiger. En ook in kerkgemeenschappen met een minder stringente opvatting van het tuchtelement, dat in de toelating ligt opgesloten, zijn de spanningen in de vervulling van de ambtelijke taak minder groot.
Nu komen we te staan voor een grote verscheidenheid bij de Doopouders, terwijl deze toch moeten geleid worden naar één Doop, die één en hetzelfde verbond representeert en verzegelt van één en dezelfde God: Vader, Zoon en Heilige Geest.
Laten we nu eens zien naar het bonte geheel van hen, die als Doopouders de consistoriekamer binnenkomen. Daar zijn vooreerst de gezichten van hen, die we kennen als belangstellende en trouw meelevende leden der gemeente. Zij legden eenmaal belijdenis des geloofs af en, voorzover wij kimnen oordelen, is htm leven ook daarmee in overeenstemming. Zij laten ook de nodiging tot de Dis des Nieuwen Verbonds niet aan zich voorbijgaan, en wij mogen aannemen, dat zij er iets van beseffen, wat het inhoudt, dat God Zijn verbond met hen opgericht heeft en dit ook uitbreidt tot hunne kinderen.
Soms is dit slechts bij één van beiden het geval, ook al is de ander beslist niet onverschillig en neemt hij (zij) getrouw aan de samenkomsten der gemeente rondom het Woord deel.
Vaker komt het ook in onze Hervormd-Gereformeerde gemeenten voor, dat de Doopouders geen Avondmaalgangers zijn, ook al deden zij indertijd belijdenis des geloofs.
Maar niet zeldzaam zijn de gevallen, waarin slechts één van beide ouders belijdenis des geloofs aflegde en de ander niet (vaak om zeer uiteenlopende redenen).
Het kan zelfs voorkomen - en dat is menigmaal een kwestie van een bepaalde streekopvatting - , dat 't bijna regel is, dat beide ouders alleen maar doopleden zijn.
Maar ook zó is er natuurlijk nog weer een groot verschil. Er is soms alleen maar sprake van een grote schroom tegenover het „ja" van de belijdenis. „Je neemt zoveel op je". Dat zijn mensen, die heus wel geregeld naar de kerk komen. Maar men gaat eenzijdig uit van hetgeen er nu van de man of de vrouw, die belijdenis gedaan heeft, verwacht wordt en verwacht mag worden, terwijl men die belijdenis te weinig verstaat als uitdrukking van de verwachting, die men op God stelt en mag stellen. Men heeft eigenlijk wel geen verweer, als men gewezen wordt op het feit, dat het ja-woord bij de Doop toch eigenlijk dezelfde inhoud heeft als dat bij de belijdenis. Maar men neemt de bevestigende beantwoording van de Doopvragen dan toch maar voor z'n rekening terwille van de kinderen „die toch niet ongedoopt kunnen blijven liggen". Daarbij betekent dit „ja" in de regel ook al weer niet veel meer dan dat men zelf iets belooft, n.l. het kind een „christelijke" opvoeding te geven met gebed en Bijbellezing, zondagsschool en (of) christelijke school enz.
Besef van de belofte Gods is er dan ook in de regel zeer weinig.
Maar het wordt nog weer heel anders, wanneer de belangstelling in de prediking van het Woord Gods zo goed als geheel gemist wordt en men alleen de laatste weken zo eens een keer naar de kerk gekomen is. Of ook dit niet: sommigen, hoewel men werkelijk van plan is straks meer naar de kerk te gaan, maar omdat men de vertoning van enkele malen kerkgang vóór de Doop verafschuwt; maar sommigen ook, omdat alles hen koud laat en alleen het aandringen van ouders of schoonouders er toe drijft om dan toch ook maar naar de Doopzitting te gaan. Daarbij komt nog de overweging, dat men toch nog niet wil, dat z'n kind als een soort heiden aangemerkt zal worden (hangt natuurlijk sterk af van de omgeving, waarin men leeft). Of men wil het kind, stel dat het later tot de kerk zou willen behoren, besparen, dat het de uitzonderlijke volwassenendoop zou moeten ondergaan.
Men wil het kind niet tekort doen. Het zou eens jong kunnen sterven en dan zou men er toch niet helemaal gerust op zijn, als het ongedoopt gebleven was. Daarom toch maar naar de Doopzitting om het aan te geven. Zijn er dan bezwaren van de zijde van de kerkeraad, dan kan men het ook niet meer helpen. Men heeft het zijne gedaan. Een verplichting tot het bijwonen van de godsdienstoefeningen aanvaardt men niet. Want men wil zich niet laten dwingen, zeker niet door die dominee of die ouderling, op wier zwakke plekken de kritiek in volle scherpte losbrandt.
Vromelijk beweert men, dat „dwang" in 't geestelijke zeker niet te pas komt. En men vergeet, dat dwang bedoelt het gehoorzamen aan een niet wettig bevoegde macht (zoals we b.v. die van de bezetter in de oorlog aanmerkten), terwijl het hier gaat om de gehoorzaamheid aan de Koning der Kerk, Die recht heeft op ons hart en leven en van Wien men immers de bevestiging van Zijn verbond met ons komt vragen.
We zijn nu van de belangstellende en meelevende belijders afgedaald tot de vrij onverschillige doopleden, randkerkelijken of hoe men ze noemen wil. En het kan gebeuren, dat in een wat grotere gemeente in één Doopzitting schier al deze verschillende mogelijkheden vertegenwoordigd zijn. Persoonlijk herinner ik me een Doopzitting, waarin de bediening van de H. Doop gevraagd werd voor 7 kinderen. Van de 7 ouderparen was er niemand, die belijdenis des geloofs had afgelegd. Op een andere Doopzitting werden 10 kinderen aangegeven. Van de 20 vaders en moeders waren er maar 2 belijdend lidmaat.
Wat moet een kerkeraad, die zijn roeping begeert te verstaan en te volbrengen, hiermede aan?
Ik heb nu nog niet eens genoemd de gevallen, waarbij één van beide ouders tot een andere kerk behoort, of waarbij de ouders gewoonlijk in een andere kerk de godsdienstoefeningen bijwonen, maar daar moeilijk kunnen laten dopen, omdat men in die kerk het belijdend lidmaatschap eist.
En dan zijn er de in sommige streken frequente gedwongen huwelijken, waarbij men niet vergeten mag, dat die God, Die in het openbaar Zijn verbond wil laten bevestigen. Dezelfde is. Die hetgeen in het verborgen geschiedde gadesloeg. Zonder hier de zonde tegen het zevende gebod als de zonde bij uitstek te gaan behandelen (zoals vaak ten onrechte ook vanwege de kerk gedaan is), zal toch moeten worden gezegd, dat diezelfde God hen nu ook in verootmoediging moet hebben gezien, opdat ook voor henzelf het Doopwater spreke van de reiniging van alle ongerechtigheid en de bevestiging zij van de prediking, dat God zegen inplaats van vloek wil schenken daar waar men zijn zonde niet bedekt maar belijdt voor Zijn aangezicht.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's