De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Calvijn over het Heilig Avondmaal 7

7 minuten leestijd

VII.

Geen verandering van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus.

Als tweede dwaling, door de duivel gezaaid, noemt Calvijn de leer dat na het uitspreken der woorden, welke moeten dienen om brood en wijn te wijden, het brood in het lichaam van Christus verandert en de wijn in Zijn bloed.

In de eerste plaats wordt er op gewezen, dat er voor deze leugen niet de minste grond is in de Schrift. Vervolgens heeft ze ook niet het getuigenis van de oude kerk in haar voordeel. En wat meer zegt, zij is volstrekt niet met het Woord van God overeen te brengen. Calvijn haalt de talloze uitspraken zowel van de Schrift als die van de oude Vaders niet aan, waarin het Sacrament eenvoudig brood wordt geheten. Hiermee wil enkel dit gezegd zijn, dat de natuur van het Sacrament vordert, dat het brood stoffelijk blijve als zichtbaar teken van het lichaam, 't Is toch de algemene regel, die voor de Sacramenten geldt, dat de dingen, die wij er in zien. enige overeenkomst moeten hebben met de geestelijke zaak, die er in wordt afgebeeld. Denk maar aan het teken bij de Doop. Zoals het water de onreinheid van het lichaam wegneemt, zo reinigt het bloed van Christus ons van de zonden. Welnu, zo moet er ook bij het Avondmaal stoffelijk brood zijn om ons te verzekeren, dat het lichaam van Christus onze spijze is.

Daardoor zien we dus duidelijk, dat de gehele voorstelling, die de Heere ons heeft willen geven, om aan onze zwakheid tegemoet te komen, in duigen valt als het brood nietwezenlijk brood blijft. De woorden toch, waarvan de Heere Zich bedient, hebben evenveel gewicht alsof Hij zeide: Gelijk de mens naar het lichaam door het eten van brood wordt gesterkt en onderhouden, is Mijn vlees het geestelijk voedsel, waardoor de zielen levend gemaakt worden.

Wat blijft er anders van de andere vergelijking over, die Paulus maakt, dat gelijk vele graankorrels tezamen één brood vormen, wij zo ook één geheel zijn, omdat wij hetzelfde brood deelachtig zijn. Als er niets was dan de schijn zonder het wezen, zou het dan geen spotternij zijn aldus te spreken?

Alles wel beschouwd, komen wij dus tot het besluit, dat de leer, dat het brood verandert in het lichaam van Christus en de wijn in Zijn bloed, een verzinsel des Satans is om het Avondmaal van zijn kracht te beroven.

Christus' lichaam geen grenzen?

Te vuur en te zwaard is dus gehandhaafd, dat Jezus Christus in de tekenen van brood en wijn is vervat en dat men Hem daar moet zoeken. Om dit beweren staande te houden moet men wel aannemen, dat het lichaam van Christus geen grenzen heeft, of dat het op verschillende plaatsen kan zijn.

Als men dit laatste zegt - aldus Calvijn - dan komt men er tenslotte toe om te erkennen, dat dit lichaam zich in niets van een spooksel onderscheidt.

Als men de tegenwoordigheid van Christus zo wil stellen, dat Zijn lichaam in het teken is opgesloten of er plaatselijk mee is verenigd, dan is dit niet slechts een droombeeld, maar een verdoemelijke dwaling, die in strijd is met de heerlijkheid van Jezus Christus en die ons juist begrip van Zijn menselijke natuur vernietigt.

Want wat leert ons de Schrift overal?

Dat de Heere Jezus op aarde onze menselijke natuur heeft aangenomen. Hij heeft die ook verhoogd in de hemel. Alleen liet Hij haar sterfelijke toestand achter, doch haar wezen heeft Hij niet veranderd.

Wanneer wij over Jezus' mensheid spreken moeten wij twee zaken niet uit het oog verliezen. We moeten Hem n.l. niet ontrukken aan de waarheid Zijner natuur en wij mogen Hem niet tekort doen aan Zijn heerlijkheid.

Om dit goed te doen, moeten wij bedenken de dingen die boven zijn; moeten wij onze Verlosser boven zoeken.

Als wij Hem tot de vergankelijke dingen van deze wereld verlagen, dan doen wij niet alleen afbreuk aan wat de Schrift ons van Zijn menselijke natuur leert, maar dan vernietigen wij ook de luister van Zijn hemelvaart. Uit deze verkeerde leer nu komen nog andere bijgelovigheden voort. Vooreerst de vleselijke aanbidding.

Deze is niet anders dan loutere afgoderij.

Want als we voor het Avondmaalsbrood neerknielen en daar Jezus Christus aanbidden, alsof Hij er in is vervat, dan stellen we een afgod in de plaats van het Sacrament.

Wij hebben niet het bevel ontvangen om te aanbidden, maar om te nemen en te eten. Men moet dit dus niet als stoutmoedig beschouwen. Bovendien was men in de eerste tijden der Kerk steeds gewoon, dat 't volk, vóórdat het Avondmaal werd bediend, plechtig vermaand werd het hart naar boven te richten. Dit was om aan te wijzen, dat zij niet aan het zichtbare teken moest blijven hangen, maar Jezus Christus op de rechte wijze moest aanbidden.

Uit dezelfde bron nu zijn de andere bijgelovige gebruiken ontstaan, b.v. het plechtstatig ronddragen van het Sacrament door de straten eens in het jaar. Daarvoor de andere dag een tent te maken en het vervolgens het gehele jaar door, tot vermaak van het volk te bewaren alsof het God is. Dit alles is niet alleen in lijnrechte strijd met 't Woord van God, maar ook met de instelling van het Avondmaal. Deze instelling gebiedt dat het  aan alle christenen moet worden overgegeven.

Het Sacrament des bloeds wordt helemaal niet aan het volk uitgereikt, zoals de Heere toch bevolen heeft. Men maakt zich wijs dat het volk zich alleen met de andere helft - het in het lichaam van Christus veranderde brood - moet tevreden stellen.

Op deze wijze wordt de arme gemeente vreselijk bedrogen en van de genade beroofd, die de Heere hen heeft verleend.

Het is geen geringe zegen om tot onze versterking deel te hebben aan 't bloed des Heeren. Daarom is het een ontzettende wreedheid om hen, aan wie deze zegen toekomt, daarvan te beroven.

Hieruit kunnen wij zien - aldus Calvijn - hoe onbeschaamd en vermetel de paus de kerk tiranniseert als hij eenmaal de heerschappij heeft verkregen. Christus gebiedt Zijn discipelen van het brood, het teken van Zijn lichaam, te eten. Daarna neemt Hij de drinkbeker.

Hij heeft toen niet slechts gezegd: „Drinkt", maar uitdrukkelijk: „Drinkt allen daaruit". Bij het brood wordt dit niet eens zo uitdrukkelijk gezegd.

Toch durft de paus in grote hoogmoed te zeggen: Drinkt niet allen daaruit. De paus beweert, dat de priester wel enig voorrecht boven het volk heeft, opdat de priesterlijke waardigheid geëerd worde.

Alsof de Heere nooit had bevolen, dat de een het aan de ander moet uitreiken. Een ander aangevoerd bezwaar is, dat wanneer de beker aan allen gegeven wordt, het zou kunnen gebeuren dat er nu en dan enige druppels worden gemorst. Alsof de Heere dit niet heeft voorzien! Om aan te tonen dat de door de paus ingevoerde verandering weinig betekent, wordt betoogd, dat in het ene deel van het Sacrament het geheel is vervat, omdat het lichaam niet gescheiden kan worden van het bloed. Maar heeft de Heere dan tevergeefs het een van het ander onderscheiden?

Als men één deel van het Sacrament als overbodig kan achterwege laten, zou het dan geen dwaasheid geweest zijn, om dit zo duidelijk aan te bevelen?

Ook het betoog, dat Jezus bij de instelling van het Avondmaal slechts tot Zijn apostelen sprak en dat Hij dus een priesterstand heeft opgericht, houdt geen stand. De apostel Paulus zegt toch uitdrukkelijk dat hij aan de gemeente heeft overgegeven hetgeen hij van de Heere heeft ontvangen, dat n.l. ieder van het brood moest eten en van de drinkbeker moest drinken. Paulus wil er dus niets van weten dat Christus aan Zijn apostelen het Avondmaal heeft gegeven als aan priesters.

De apostel Paulus geeft dus de regel, die altijd in de gemeente des Heeren moet worden gevolgd. Aan deze regel hielden de Christenen zich ook in de eerste eeuwen, totdat de paus de heerschappij verkreeg. Hij heeft de hoornen tegen God en Zijn Waarheid opgeheven om deze geheel krachteloos te maken. Het is een onduldbare goddeloosheid om het Sacrament aldus te delen en te verscheuren. Men scheidt vaneen, wat God heeft samengevoegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Calvijn over het Heilig Avondmaal

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's