De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

10 minuten leestijd

Vervolg 1 Corinthe 11 vers 17—34.

XI.

Ditmaal gaat het ons om vers 26. Hierbij rijst direct de vraag: Hebben wij hier met woorden van Jezus Zelf of van Paulus te maken? In de evangeliën vinden wij bij de weergave van wat Christus bij de inzetting van het Avondmaal gesproken heeft, deze woorden niet. In 1 Corinthe 11 hebben wij het oudste bericht over die inzetting voor ons. 't Is mogelijk, dat de apostel hier toch iets vermeldt, wat Jezus Zelf gezegd heeft, 't Kan echter óók zijn, dat hij hier zelf aan wat Jezus gesproken heeft, iets toevoegt, ter nadere verklaring. Juist met het oog op de situatie in de Corinthische gemeente. Opmerkelijk is, dat wij van al het andere, dat Paulus hier schrijft, sporen terugvinden in de evangeliën. Van deze woorden echter niet. Het meest voor de hand liggend is dus wel, dat wij hier te maken hebben met eigen woorden van Paulus.

Hier hangt iets anders mee samen. Hoe hebben wij het werkwoord in het tweede gedeelte van dit vers te lezen? 't Oorspronkelijke woord, door Paulus gebruikt, kan gebiedende of aantonende wijs zijn. Wanneer wij dit vers opvatten als een nadere verklaring van de apostel zelf, is er het meeste voor te zeggen, dit werkwoord in de aantonende wijs te nemen. Dus dan moet dit vers als volgt gelezen: „Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt gij de dood des Heeren, totdat Hij komt".

En dan wil Paulus hier dus zeggen, hoe het gedenken van de Heere waarover hij schreef in vers 24 en 25, nader voltrokken wordt, 't Is immers ook een verkondigen van de dood des Heeren, wat de gemeente aan het Avondmaal steeds doet! Dan is hiermee tegelijk het begin woordje „want" van dit vers verklaard. Als reden gevend..

Even schenken wij apart aandacht aan het feit, dat de apostel hier dus weer spreekt van de dood des Heeren! De Heére is bij Paulus steeds Christus, als de Opgestane en Verheerlijkte, dus de Levende. Het gaat hier om de dood van Hém, Die de dood heeft overwonnen en voorgoed achter zich gelaten. Maar toch om Zijn dood!

Wij kunnen Christus op meerdere wijzen gedenken. Onze gedachten kunnen uitgaan naar Zijn werk als Profeet en Leraar, Die ons de dingen des Vaders heeft verklaard. En wij bedenken, dat Hij nog Dezelfde is, zij het op een andere wijze, dan tijdens Zijn omwandeling op aarde. Onze gedachten kunnen zich richten op Zijn werk als Hogepriester, Die zegenend het land doorging en barmhartigheid bewees aan velen, door het leven geslagenen. En wij bedenken, dat Hij nóg Dezelfde is. Of onze gedachten gaan uit naar Hem als Koning, Die de wonderen van Zijn almacht betoonde in het genezen van zieken, in het opwekken van doden, in het beslag leggen op zondaarsharten. En weer bedenken wij, dat Hij ook wat dit betreft, nog Dezelfde is!

Maar hoe belangrijk dit alles ook is, het is alleen belangrijk en van kracht, omdat daar ook is Zijn geheel enige dood. Aan het vloekhout van het kruis, ter verzoening van onze zonden! Wat er overigens van Christus te zeggen valt, — van Zijn voorbereiding in de schoot van Israël, van Zijn onderwijs en daden, — alles groepeert zich om Zijn kruis, het middelpunt der heilsgeschiedenis.

Dat deze dood des Heeren centraal staat in het geheel der Openbaring, was van meet af te zien. 't Kwam reeds uit in de moederbelofte in het paradijs. Daarin werd immers al gesproken van het vrouwenzaad, dat de kop der slang zou vermorzelen, doch dat zelf aan de verzenen getroffen zou worden. Lag in dit alles al niet een profetie van het lijden van Christus als de weg, waarlangs aan de heerschappij van de duivel een einde gemaakt zou worden? Duidelijker trad de centrale betekenis van deze dood aan het licht, in de plaats waarop de ark des Verbonds stond onder de stammen Israels. In het midden van de legerplaats! En op die ark lag het gouden verzoendeksel, waarop door bloedbesprenging de zonden van het volk verzoend en bedekt werden.

En dit vinden wij later terug bij de tempel. Deze vormde eveneens het geestelijk middelpunt van 't volk. Regelmatig gingen de stammen daarheen op, — op de grote feesten. En ook daar stond de ark der verzoening, en werden voortdurend de offers gebracht.

Niet voor niets wees Johannes de Doper, de wegbereider des Heeren, Jezus aan als hét Lam Gods, dat de zonde der wereld zou, wegnemen.. En hoe leefde blijkbaar steeds tijdens Zijn omwandeling bij Jezus Zelf de gedachte aan de noodzakelijkheid van Zijn sterven! Dit kwam openbaar in verschillende woorden, welke Hij daarover gesproken heeft. Daarom is het begrijpelijk, dat in de evangeliën de lijdens- en stervensgeschiedenis des Heeren zo uitvoerig wordt beschreven, zelfs buiten alle verhouding met de veel beknopter weergave van Zijn drie-jarige omwandeling.

In dezelfde lijn ligt het feit, dat Paulus van zijn prediking kan zeggen, dat hij daarbij van niets anders wil weten, dan van Jezus Christus en Dien gekruist! Hij bedoelt daarmede natuurlijk niet te zeggen, dat al het andere slechts van bijkomstige betekenis zou zijn, doch wél, dat heel zijn prediking haar bijzonder karakter zou verliezen, als de zoendood des Heeren daarin niet centraal stond. Of, als die niet meer gezien zou worden als tot verzoening der zonden, maar als een soort martelaarsdood, ten bewijze hoever de liefde gaan kan!

Inderdaad, dit is de gedachtenwereld, de gehele Schrift door! Het kruis der verzoening werpt zijn schaduw terug over de oude bedeling. Het beheerst de jaren van Jezus' omwandeling. Het is het hoofdthema van de prediking der apostelen, natuurlijk mét de opstanding en verheerlijking van Christus, als zegel en kroon op Zijjn arbeid aan het kruis verricht.

En wij vinden dit weer terug bij de viering van het Avondmaal. Dit noemt Paulus eveneens een verkondigen van de dóód des Heeren!

Hoe hebben wij nu dit verkondigen  nader op te vatten?

't Is mogelijk, dat de apostel hier zinspeelt op iets, dat bij de viering van het Joodse Pascha een plaats had in het geheel van het ritueel, nl. de „Haggadah", of „verkondiging". Op een bepaald moment vroeg de oudste zoon aan de vader naar de betekenis van de ceremoniën welke bij dit Pascha werden waargenomen. „Wat is dat? " Exodus 13 vers 14. Daarop nam de vader het woord om te verkondigen de grote werken Gods, bij de verlossing uit Egypte geschied. Zo voegde zich ook bij de viering van dit Pascha bij de tékentaal van de ceremoniën de hoorbare prediking of verkondiging van de grote daden Gods.

Paulus denkt wellicht aan dit gebruik onder Israël terug. En zijn bedoeling is dan, zoals bij het Pascha de uittocht werd verhaald, zo wordt bij het Avondmaal aan elkaar de dood van Christus verkondigd.

Reeds zagen wij, hoe in de tijd van de apostelen het Avondmaal nauw met de z.g.n. liefdemaaltijd verbonden was. Welnu, wellicht voerde men daar gesprekken met elkaar. De samenkomsten en erediensten verliepen, wat dit betreft, levendiger dan bij ons. Dit kon ook gemakkelijker, zolang men in particuliere huizen bijeenkwam. Niet alleen de voorganger was aan het woord, doch ook anderen, de mede-aanzittenden voerden het woord. Zij zullen tot elkaar gesproken hebben van de dood des Heeren en van de betekenis daarvan voor zichzelf en voor de gemeente. Dit was een onderling verkondigen van die dood, wat haar toespitsing vond in de lofzangen en liederen, welke men samen zong. Zelfs zullen wellicht „profeten" op hun bijzondere wijze him inbreng gehad hebben in deze verkondiging.

Thans wordt het Avondmaal veel meer zwijgend genoten. Van de tekenen gaat een stille prediking uit. En aller aandacht concentreert zich op die tekenen. Geen onderlinge gesprekken leiden die aandacht af. Toch is er ook nu nog die verkondiging. Zij kan en moet er zijn. In wat de dienaar doet. Die de woorden der instelling citeert, een Schriftgedeelte leest of soms een korte toespraak houdt, welke dan echter nooit te overheersend mag worden en de aandacht van de stille taal der tekenen mag aftrekken!

En in wat de aanzittenden doen! Waarbij wij dan niet alleen denken aan het lied, dat zij aan de tafel des Heeren samen zingen, doch aan nog iets geheel anders!

Wij vragen: wanneer zij in de rechte gesteldheid, in waarachtig geloof aan de dis aankomen, is dan deze daad van hen niet een verkondigen van de dood des Heeren?

Inderdaad, ieder, die heilbegerig en gelovig toetreedt, het brood eet en de wijn drinkt, verkondigt daarmee, nog zonder woorden, maar niet minder sprekend, dat, hoezeer Christus ook in de wereld miskend wordt. Diens verzoenend lijden en sterven het enige rustpunt van zijn ziel is. Hij verkondigt daarmede, dat hij, zelf geheel onrein, de reinigmaking van zijn zonden zoekt in het bloed van Christus. Ja, dat het dorre kruishout hem geworden is een boom des levens!

Op de preekstoel verkondigt de dienaar alleen, met woorden. Aan de tafel verkondigen alle aanzittenden, indien het goed is, ook zonder woorden.

't Is een prediking tot zichzelf. Wat kunnen daar in het eigen hart de binnenpraters zijn, die heel wat verkondigen, dat echter meer van de wijs brengt dan in het rechte spoor houdt. Maar wie heilbegerig, gelovig aangaat, zegt als het ware tot zijn eigen hart: „O, mijn ziel, wat buigt gij u neder, wat zijt gij onrustig in mij, hoop op Hem!"

't Is een prediking tot elkaar. Wat kan de mededeling van het sterven van deze of gene aan elkaar reden geven om samen te treuren en elkaar in rouw te dompelen! Echter dit verkondigen van de dood van Hém, Die heeft overwonnen en leeft, mag tot bemoediging van elkaar zijn. Doet samen de gemeenschap der heiligen beleven, 't Is zwaar, om alleen te staan in de strijd des geloof s. Hier trekt men samen op onder één banier, en verblijdt men zich met elkaar in het heil des Heeren.

't Is een prediking tot de wereld, die, onder aanvoeringvan de boze, Christus heeft uitgeworpen en nog steeds geen heerlijkheid ziet in de Gekruiste. Dat deze Gekruiste tóch de enige Zaligmaker is en het een góéde zaak is Hem als de enige Heere toe te behoren en te dienen!

't Is een prediking tot de boze, die niet rustte,  voordat hij Christus ter dood gebracht had en hij zijn schijntriumph op Golgotha vierde. „Wij roemen toch in uw aangezicht in die dood!" Zo moet deze verkondiging de boze en diens rijk wel doen sidderen. Zij zien daarin, dat zij reeds verloren hebben en éénmaal finaal het onderspit zullen delven.

En is deze verkondiging niet tot éér van Christus? Wat wordt er in de wereld vaak een ophef gemaakt van veel, dat niet echt groot is! Zal Gods gemeente dan niet verkondigen de grootheid van Hem, Die waarlijk groot is?

Ook dit hebben wij steeds weer te bedenken met het oog op onze viering van het Avondmaal. Wat hebben wij daarmee toch ernst te maken en wat mogen wij eigenlijk niet rusten, voordat wij heilbegerig en gelovig aan de tafel des Heeren mogen aankomen! Immers, het gaat er daar niet alleen om, om te ontvangen, — versterking van eigen geestelijk leven. Het gaat er daar óók om, om iets te geven. Door genade de éér aan Hem, Die dat zo waardig is! En bemoediging aan hen, die met ons in een zelfde strijd des geloofs staan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's